<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2024:4629</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-23T14:57:54</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-04-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-03-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">SGR 23/1830</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:GHDHA:2026:325" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#bekrachtiging/bevestiging">Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2026:325, Bekrachtiging/bevestiging</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:4629">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:4629</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-06-13T11:41:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-06-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2024:4629 Rechtbank Den Haag , 26-03-2024 / SGR 23/1830</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2024:4629:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>WOZ ongegrond</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2024:4629:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold caps">Rechtbank DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Team belastingrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: SGR 23/1830</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 maart 2024 in de zaak tussen</title>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      [belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende<?linebreak?>(gemachtigde: G. Gieben),</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland</emphasis>, heffingsambtenaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>De bestreden uitspraak op bezwaar </title>
    <para>De uitspraak van de heffingsambtenaar van 25 januari 2023 op het bezwaar van belanghebbende tegen de beschikking waarbij de waarde van de onroerende zaak gelegen aan de [adres 1] te [plaatsnaam] (de woning) op 1 januari 2021 (de waardepeildatum) op de voet van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) voor het kalenderjaar 2022 is vastgesteld op € 653.000 (de beschikking).</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Zitting </title>
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 februari 2024. </para>
      <para>Namens belanghebbende is verschenen mr. M.M. Vrolijk, kantoorgenoot van gemachtigde. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] en [naam 2] .  </para>
    </parablock>
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para>1. In geschil is de waarde van de woning op de waardepeildatum. Belanghebbende bepleit een waarde van € 598.000. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Beoordeling van de waarde van de woning</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>2. Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de woning bepaald op de waarde die aan de woning dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. </para>
    <para />
    <para>3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar met de matrix en wat overigens is aangevoerd, aannemelijk gemaakt dat de waarde van de woning niet op een te hoog bedrag is vastgesteld. De heffingsambtenaar heeft, gezien de matrix, voldoende rekening gehouden met de gedateerde voorzieningen, het ontbreken van spouwmuren en een matig onderhoudsniveau. Daarnaast heeft de heffingsambtenaar ook voldoende rekening gehouden met de specifieke ligging van de woning, aangezien hij onweersproken heeft gesteld dat de woning te ver weg is gelegen van de desbetreffende wegen en dat eventuele hinder tevens is verdisconteerd in het verkoopcijfer van het object [adres 2] . </para>
    <para />
    <para>4. Hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd, doet aan het hiervoor gegeven oordeel niet af. Belanghebbende stelt dat het vergelijkingsobject [adres 3] niet bruikbaar is, omdat de verkoopwaarde meer dan 35% afwijkt van de vastgestelde waarde. Echter, indien dit object niet wordt meegenomen in de waardebepaling, onderbouwen de andere vergelijkingsobjecten nog steeds de door de heffingsambtenaar vastgestelde waarde van de woning.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Toezendplicht</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>5. Volgens belanghebbende heeft de heffingsambtenaar in de bezwaarfase ten onrechte geen taxatiematrix verstrekt en hij verzoekt in dit kader om een proceskostenvergoeding. Vast staat dat belanghebbende in de bezwaarfase een verzoek heeft gedaan tot het verstrekken van:</para>
    <parablock>
      <para> de KOUDV-factoren en de bijbehorende cijfermatige correcties;</para>
      <para> de waarde van de deelobjecten; en </para>
      <para> een toelichting op de indexering.</para>
    </parablock>
    <para>De heffingsambtenaar heeft in de bezwaarfase de gehanteerde KOUDV-factoren, de grondstaffel en (een toelichting op) de indexering verstrekt. </para>
    <para />
    <para>6. De rechtbank stelt voorop dat de heffingsambtenaar voldoende inzicht heeft gegeven in de indexeringscijfers door tijdens de hoorzitting met een voorbeeld in het systeem te laten zien hoe de indexeringscijfers door permanente marktanalyse tot stand komen. De rechtbank overweegt ten overvloede dat de belanghebbende – die procedeert met een professionele gemachtigde - uit de in het taxatieverslag opgenomen verkoopprijzen en vastgestelde WOZ-waardes van de referentiepanden het indexeringspercentage had kunnen afleiden. Ter zitting heeft hij bovendien nader toegelicht dat het onmogelijk is om per woning de volledige onderbouwing van de indexeringscijfers te verstrekken in die zin dat elke verkoop binnen de gemeente openbaar wordt gemaakt. De heffingsambtenaar heeft onweersproken gesteld dat dit – kortgezegd – niet mag van het Kadaster. De heffingsambtenaar heeft daarmee de wijze waarop de indexeringscijfers tot stand zijn gekomen hiermee voldoende inzichtelijk gemaakt.<footnote-ref linkend="_30668d64-5926-4858-be90-e4bb4af34e77" /> Daarnaast is de heffingsambtenaar naar het oordeel van de rechtbank niet verplicht om de cijfermatige correcties van de KOUDV- en liggingsfactoren, de waarde van de deelobjecten en een toelichting op de indexering aan belanghebbende te verstrekken. Waarderen is immers geen exacte wetenschap en het beoordelen van de juistheid van de waarde gaat niet over de vraag of de samenstellende onderdelen van het object op de juiste bedragen zijn vastgesteld of het vaststellen van de juiste bedragen van verschillen in KOUDV- en liggingsfactoren, maar om de beoordeling van de WOZ-waarde als geheel.<footnote-ref linkend="_52e67b22-a035-467d-b752-43750a192f1d" /> Om die reden is artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ dan ook niet geschonden.</para>
    <para />
    <para>7. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond.</para>
    <para />
    <para>8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Arts rechter, in aanwezigheid van J.C.W. Wahls, griffier. De uitspraak is in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).</para>
      <para>Dat kan digitaal via <emphasis role="underline">www.rechtspraak.nl</emphasis>, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:</para>
    </parablock>
    <para>1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;</para>
    <para>2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend. </para>
    <para>Verder vermeldt u ten minste het volgende:</para>
    <para>a. de naam en het adres van de indiener;</para>
    <para>b. de datum van verzending;</para>
    <para>c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;</para>
    <para>d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).</para>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_30668d64-5926-4858-be90-e4bb4af34e77" label="1">
    <para> Gerechtshof Den Haag 7 december 2022, ECLI:GHDHA:2022:2752.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_52e67b22-a035-467d-b752-43750a192f1d" label="2">
    <para> Gerechtshof Den Haag 19 mei 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:886.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>