<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2024:3725</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-03-19T12:28:07</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-03-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-02-09</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL23.17965</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:3725">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:3725</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-03-19T12:26:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-03-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2024:3725 Rechtbank Den Haag , 09-02-2024 / NL23.17965</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2024:3725:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>verblijfsvergunning met terugwerkende kracht ingetrokken - evenredigheid - hoorplicht - ongegrond - voorlopige voorziening - niet-ontvankelijk</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2024:3725:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummers: NL23.17965 (beroep) en NL23.17966 (voorlopige voorziening)</para>
    <para>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <section>
    <title>
      [eiseres] , eiseres/verzoekster (hierna: eiseres)</title>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [v-nummer]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. P. Scholtes),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder</title>
    <para>(gemachtigde: mr. S. Deniz).</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de intrekking van haar verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van de Verblijfsregeling Mensenhandel (hierna: verblijfsvergunning mensenhandel)<footnote-ref linkend="_4c514c10-fe7d-4d20-8ea7-f83d7699f455" /> en beoordeelt de voorzieningenrechter haar verzoek om een voorlopige voorziening.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Bij besluit van 11 november 2022 (het primaire besluit) heeft verweerder de verblijfsvergunning van eiseres ingetrokken. Met het bestreden besluit van 26 mei 2023 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De rechtbank heeft op 31 oktober 2023 een aanvang gemaakt met het onderzoek ter zitting. Omdat op dat moment geen tolk beschikbaar was heeft de rechtbank op verzoek van eiseres het onderzoek ter zitting geschorst. Op 12 januari 2024 heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting voortgezet. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, Z. Hamidi als tolk en de gemachtigde van verweerder.	 </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Waar gaat deze zaak over?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1989 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Verweerder heeft aan eiseres, voor de periode van 31 januari 2022 tot 31 januari 2023, een verblijfsvergunning mensenhandel verleend. Verweerder heeft deze verblijfsvergunning met het primaire besluit met terugwerkende kracht per 10 mei 2022 ingetrokken, omdat het Openbaar Ministerie op die datum heeft besloten dat het strafrechtelijk onderzoek – naar aanleiding van de aangifte van eiseres<footnote-ref linkend="_2bf677ce-481b-44ea-b66e-170ce2a6697c" /> – voortijdig wordt beëindigd aangezien er onvoldoende aanknopingspunten zijn om tot een verdenking van arbeidsuitbuiting<footnote-ref linkend="_efb0ebe4-c286-4e3a-80dc-715886c839d4" /> te komen. Hiermee wordt niet langer voldaan aan de beperking waaronder de vergunning aan eiseres is verleend.<footnote-ref linkend="_e22ece3b-57b6-409a-84a8-5ee5e7269fbc" /> De intrekking is volgens verweerder niet in strijd met het recht op familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM<footnote-ref linkend="_d3e188d6-462c-4ba1-89ff-7dacb59ce73c" />. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat vindt eiseres in beroep?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Het feit dat er geen vervolging is ingesteld naar aanleiding van de aangifte van eiseres betekent niet dat eiseres geen slachtoffer is van mensenhandel en arbeidsuitbuiting, nu hiertegen ook een klacht is ingediend bij het Gerechtshof Den Haag. Verder ligt de dagvaarding voor het instellen van een loonvordering al klaar, maar kan deze nog niet betekend worden omdat er nog geen adres kan worden gevonden van de ex-werkgever van eiseres. Verder zou eiseres nog aanspraak kunnen maken op een verblijfsvergunning wegens seksuele uitbuiting. Door haar psychische gesteldheid heeft zij hiervan geen aangifte kunnen doen. Verder heeft verweerder de verblijfsvergunning ten onrechte met terugwerkende kracht ingetrokken en niet aan het evenredigheidsbeginsel getoetst. Ook heeft verweerder in dat licht geen rekening gehouden met de lopende procedure voor de aanvraag van een verblijfsvergunning als langdurig ingezetene. Tot slot heeft verweerder de hoorplicht geschonden, omdat er geen sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaarschrift.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat is het oordeel van de rechtbank?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Intrekken verblijfsvergunning </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>4. Op grond van artikel 19 en artikel 18, eerste lid, onder f van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden ingetrokken indien niet wordt voldaan aan de beperking waaronder de vergunning is verleend of een voorschrift dat aan de vergunning is verbonden.<footnote-ref linkend="_277a47ad-9178-4068-acb7-2d45d7f5b323" /> In deze zaak geldt dat een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met tijdelijke humanitaire gronden kan worden verleend aan de vreemdeling die zonder verblijfstitel slachtoffer is geworden van arbeidsgerelateerde uitbuiting, voor zover er sprake is van een strafrechtelijk opsporingsonderzoek of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de voormalig werkgever en de vreemdeling hieraan medewerking verleent, of, indien dat opsporings- of vervolgingsonderzoek reeds is afgerond, voor zover sprake is van een loonvorderingsprocedure bij de kantonrechter als bedoeld in artikel 23, vijfde lid, van de Wet arbeid vreemdelingen.<footnote-ref linkend="_846d64dc-5e6c-4b6d-8f66-895d08314ab9" /></para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Gelet op het standpunt van eiseres dat een verblijfsvergunning niet met terugwerkende kracht kan worden ingetrokken, stelt de rechtbank het volgende voorop.  Volgens de hoogste bestuursrechter volgt uit het stelsel van de Vw dat de wetgever met het geven van de bevoegdheid om een verblijfsvergunning in te trekken, omdat niet meer wordt voldaan aan het doel waarvoor de vergunning is verleend, óók heeft bedoeld een besluit tot intrekking te kunnen laten terugwerken tot het tijdstip waarop niet meer aan dat doel werd voldaan.<footnote-ref linkend="_0acef072-900d-43e6-81bc-2472f5da59e5" /> De rechtbank vindt deze uitleg niet onjuist en ziet ook in de aangehaalde publicatie van mr. Boeles<footnote-ref linkend="_c26bf0ba-804b-4d28-b4ce-871e747e389c" /> geen aanleiding om van deze vaste rechtspraak af te wijken. Anders dan eiseres stelt is dus niet vereist dat wet- of regelgeving expliciet de bevoegdheid tot intrekking met terugwerkende kracht aan verweerder geeft. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Voor wat betreft het intrekken van de vergunning wegens het niet voldoen aan de gestelde beperking overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat het Openbaar Ministerie het strafrechtelijk onderzoek naar aanleiding van de aangifte van eiseres op 10 mei 2022 voortijdig heeft beëindigd. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden tot de conclusie is gekomen dat geen sprake meer is van een situatie zoals genoemd in artikel 3.48, eerste lid, aanhef en onder g van het Vb en de verblijfsvergunning om die reden heeft ingetrokken. Het Openbaar Ministerie heeft het strafrechtelijk onderzoek naar aanleiding van de aangifte van eiseres voortijdig beëindigd, omdat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om tot een verdenking van arbeidsuitbuiting te komen. Het instellen van een klacht tegen het niet overgaan tot vervolging bij het Gerechtshof maakt dit, anders dan eiseres stelt, niet anders. Ook heeft eiseres niet, nadat verweerder hiervoor een termijn heeft geboden en deze op verzoek van eiseres eenmaal heeft verlengd, de bedoelde loonvorderingsprocedure bij de kantonrechter aanhangig gemaakt. Het in concept gereed hebben van de dagvaarding voor het instellen van de loonvorderingsprocedure is hiervoor niet voldoende. Dat het adres van de ex-werkgever nog niet bekend is kan, anders dan eiseres stelt, daar niets aan af doen. Verweerder geeft zich terecht op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat er sprake is van een loonvorderingsprocedure en dat zij hierom niet in bezit kan blijven van de verblijfsvergunning. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>In artikel 3.48, eerste lid, aanhef en onder d, van het Vb staat dat de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met tijdelijke humanitaire gronden kan worden verleend aan de vreemdeling die zonder verblijfstitel slachtoffer is geworden van mensenhandel en hiervan om zwaarwegende redenen geen aangifte kan of wil doen of anderszins geen medewerking kan of wil verlenen aan de strafrechtelijke opsporing en vervolging van de mensenhandelaar. De stelling van eiseres dat het verblijf niet beëindigd had mogen worden, omdat zij niet in staat zou zijn om over het seksueel misbruik te praten, volgt de rechtbank niet. De rechtbank volgt verweerder in het standpunt dat eiseres wel aangifte heeft gedaan en ook haar medewerking heeft verleend aan de strafrechtelijke opsporing en vervolging van de mensenhandelaar. Dat eiseres niet over het seksueel misbruik kon verklaren maar wel over de rest maakt niet dat zij geen medewerking heeft verleend aan het strafrechtelijk onderzoek. Eiseres heeft enkel niet over een specifiek gedeelte van de arbeidsuitbuiting kunnen verklaren. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder de verblijfsvergunning mensenhandel op goede gronden met terugwerkende kracht per 10 mei 2022 heeft ingetrokken.</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Evenredigheid</emphasis>
        </para>
        <para>5. De bestuursrechter toetst als de (on)evenredigheid van een besluit in geschil is en dat besluit (mede) berust op een beleidsregel, ook de evenredigheid van de beleidsregel. Uit jurisprudentie van ABRvS volgt dat als een beleidsregel zelf niet onrechtmatig is, de bestuursrechter toetst of op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) al dan niet van het beleid moest worden afgeweken. Bij de beoordeling spelen aspecten zoals de geschiktheid, noodzakelijkheid en evenwichtigheid een rol.<footnote-ref linkend="_7ae59774-3baa-47cb-bbaa-1bd7aa1ba5cf" /></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.1</nr>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat de intrekking van de verblijfsvergunning niet onevenredig is. Verweerder heeft in het bestreden besluit, met verwijzing naar het primaire besluit, gewogen of de intrekking evenredig is in het licht van het recht op eerbiediging van het familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM. Bovendien heeft eiseres geen concrete punten genoemd ter motivering van haar standpunt dat de intrekking van de verblijfsvergunning onevenredig is. De verwijzing naar de uitspraak van 6 juli 2023<footnote-ref linkend="_2fb2baad-49d8-4b18-9060-a927db71c427" /> van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, slaagt evenmin. In die zaak heeft verweerder de verblijfsvergunning pas na twee jaar na de melding dat de relatie was beëindigd ingetrokken, na eerder de aanvraag voor wijziging van het verblijfsdoel te hebben afgewezen. Ook heeft verweerder in die zaak informatie versterkt die de suggestie kan wekken dat het met het verblijfsrecht goed zat. In de zaak van eiseres heeft verweerder twee dagen na de sepotbeslissing al een intrekkingsbesluit genomen.  </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Hoorplicht</emphasis>
        </para>
        <para>6. De hoogste bestuursrechter heeft overwogen dat het horen in bezwaar een essentieel onderdeel is van de bezwaarschriftenprocedure en dat de vreemdeling in beginsel wordt gehoord. Verweerder mag slechts van horen afzien, indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een ander besluit kunnen leiden.<footnote-ref linkend="_31cbc674-78b9-4b09-a82a-59f6109cb4ba" /> Gelet op de motivering van het primaire besluit en wat eiseres daartegen in bezwaar heeft aangevoerd, mocht verweerder afzien van het horen van eiseres.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <para>7. Het beroep is ongegrond.</para>
    <para />
    <para>8. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit<footnote-ref linkend="_48ab9ea5-3c18-4b75-8d66-07c38d594aa4" />. </para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. R.S. Ouertani, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Informatie over hoger beroep</emphasis>
      </para>
      <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.</para>
      <para />
      <para>Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_4c514c10-fe7d-4d20-8ea7-f83d7699f455" label="1">
    <para> Op grond van artikel 3.48, eerste lid, aanhef en onder g van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).  </para>
  </footnote>
  <footnote id="_2bf677ce-481b-44ea-b66e-170ce2a6697c" label="2">
    <para> Eiseres heeft op 13 januari 2022 aangifte gedaan van mensenhandel (artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht) bij de politie. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_efb0ebe4-c286-4e3a-80dc-715886c839d4" label="3">
    <para> In de zin van artikel 274f van het Wetboek van Strafrecht. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_e22ece3b-57b6-409a-84a8-5ee5e7269fbc" label="4">
    <para> Gelet op artikel 19 en 18 eerste lid, onder f van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_d3e188d6-462c-4ba1-89ff-7dacb59ce73c" label="5">
    <para> Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.  </para>
  </footnote>
  <footnote id="_277a47ad-9178-4068-acb7-2d45d7f5b323" label="6">
    <para> Zie ook B8/4/3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_846d64dc-5e6c-4b6d-8f66-895d08314ab9" label="7">
    <para> Artikel 3.48, eerste lid, aanhef en onder g van het Vb.  </para>
  </footnote>
  <footnote id="_0acef072-900d-43e6-81bc-2472f5da59e5" label="8">
    <para> Zie onder meer uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 26 maart 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA3399, 10 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1252, en 12 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1044. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_c26bf0ba-804b-4d28-b4ce-871e747e389c" label="9">
    <para> Pieter Boeles, Wat is de ruimte voor intrekking van verblijfsvergunningen met terugwerkende kracht?’, Asiel &amp; Migrantenrecht 2019-3.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7ae59774-3baa-47cb-bbaa-1bd7aa1ba5cf" label="10">
    <para> Uitspraak van de Afdeling van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_2fb2baad-49d8-4b18-9060-a927db71c427" label="11">
    <para> ECLI:NL:RBDHA:2023:15337.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_31cbc674-78b9-4b09-a82a-59f6109cb4ba" label="12">
    <para> Uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918, Zie ook artikel 7:2 en 7:3 van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_48ab9ea5-3c18-4b75-8d66-07c38d594aa4" label="13">
    <para> Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>