<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2024:3540</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-03-18T13:00:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-03-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-03-15</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL24.9185</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Arnhem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:3540">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:3540</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-03-15T11:46:03</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-03-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2024:3540 Rechtbank Den Haag , 15-03-2024 / NL24.9185</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2024:3540:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>vervolgberoep. buiten zitting. zicht op uitzetting. voldoende voortvarend. geen lichter middel. ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2024:3540:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Zittingsplaats Arnhem</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: NL24.9185</para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 maart 2024 in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser</title>
    <para>(gemachtigde: mr. S. de Schutter),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid</title>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het voortduren van de aan hem opgelegde maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Deze maatregel is opgelegd op 16 november 2023.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De rechtbank heeft deze maatregel eerder getoetst. Op het eerste beroep is beslist bij uitspraak van 5 december 2023.<footnote-ref linkend="_2b982a66-96b8-4fa0-8ac9-2b491e8186a9" /> Op het vervolgberoep is beslist bij uitspraak van 16 januari 2024.<footnote-ref linkend="_6ccc19d2-3475-4a0e-962f-de9c555dffcb" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De staatssecretaris heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft daarop gereageerd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het vooronderzoek op 12 maart 2024 gesloten en bepaald dat de zaak niet op een zitting zal worden behandeld.<footnote-ref linkend="_b0a84399-8ae4-4b4c-91ad-69504a678a55" /></para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <para>2. De rechtbank beoordeelt of het voortduren van de maatregel van bewaring rechtmatig is. Zij doet dat onder meer aan de hand van de beroepsgronden van eiser.</para>
    <para />
    <para>3. Het beroep is ongegrond. Het voortduren van de maatregel van bewaring is rechtmatig. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Toetsingskader</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>4. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.<footnote-ref linkend="_81231124-e444-46df-9628-bc1ec89d3c5e" /></para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Uit de uitspraak van 16 januari 2024 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 11 januari 2024) rechtmatig is.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Ontbreekt het zicht op uitzetting?</emphasis>
        </para>
        <para>5.	Eiser betoogt dat zicht op uitzetting naar Gambia ontbreekt. Hij stelt dat hij niet de Gambiaanse, maar de Amerikaanse of Franse nationaliteit heeft. De lopende aanvraag om een laissez-passer bij de Gambiaanse autoriteiten biedt voor hem daarom geen zicht op uitzetting.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>Deze beroepsgrond slaagt niet. Eiser heeft in zijn eerste vervolgberoep vrijwel hetzelfde aangevoerd als in dit (tweede) vervolgberoep. Uit de uitspraak van 16 januari 2024 volgt dat de staatssecretaris terecht aanleiding heeft gezien om bij de Gambiaanse autoriteiten een procedure tot afgifte van een laissez-passer op te starten. Het enkele feit dat eiser opnieuw stelt dat hij (alleen) de Amerikaanse of Franse nationaliteit heeft, maakt dat niet anders, temeer omdat eiser niet heeft onderbouwd één van beide nationaliteiten te bezitten.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Werkt de staatssecretaris voldoende voortvarend aan eisers uitzetting?</emphasis>
        </para>
        <para>6.	Eiser voert aan dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend heeft gehandeld.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>De beroepsgrond slaagt niet. Uit de voortgangsrapportage volgt dat de staatssecretaris op 26 januari 2024, 13 februari 2024 en 5 maart 2024 heeft gerappelleerd bij de Gambiaanse autoriteiten. Daarnaast heeft de staatssecretaris op 19 januari 2024 en 20 februari 2024 een vertrekgesprek gevoerd met eiser. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de staatssecretaris daarom voldoende voortvarend gehandeld.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Had de staatssecretaris moeten volstaan met een lichter middel?</emphasis>
        </para>
        <para>7. Eiser voert aan dat de staatssecretaris had moeten volstaan met een lichter middel dan bewaring, omdat hij bij zijn vriendin [naam] kan verblijven. Eiser kan zich regelmatig komen melden in afwachting van een laissez-passer.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Ook hier voert eiser vrijwel niets anders aan dan tijdens zijn eerste vervolgberoep. Uit de uitspraak van 16 januari 2024, volgt dat de staatssecretaris niet had moeten volstaan met een lichter middel.<footnote-ref linkend="_79604453-90c1-4288-9a99-a0fc3c5584e8" /> Eiser heeft verder niet toegelicht waarom de omstandigheden sinds het sluiten van het onderzoek zodanig zijn veranderd dat de staatssecretaris een lichter middel had moeten toepassen. Los daarvan volgt uit de (rechtmatig bevonden) maatregel van bewaring een risico op onttrekking aan het toezicht op vreemdelingen. Dat eiser mogelijk bij zijn vriendin kan blijven en dat daarom een meldplicht in plaats van bewaring kan volstaan, vermindert het risico op onttrekking niet.<?linebreak?></para>
        <para>
          <emphasis role="underline">Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?</emphasis>
        </para>
        <para>8.	Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de staatssecretaris en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor het voortduren van deze maatregel niet is voldaan.<footnote-ref linkend="_f0c80d3a-5d71-481a-89cc-2c3dc81c39bf" /></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>9.	Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de maatregel van bewaring in stand blijft. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De staatssecretaris hoeft de proceskosten van eiser niet te vergoeden.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para>- verklaart het beroep ongegrond;</para>
    <para>- wijst het verzoek om schadevergoeding af.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van<?linebreak?>mr. S.M. Hampsink, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.</para>
      <para />
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_2b982a66-96b8-4fa0-8ac9-2b491e8186a9" label="1">
    <para> Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 5 december 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:19109.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6ccc19d2-3475-4a0e-962f-de9c555dffcb" label="2">
    <para> Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 16 januari 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:525.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b0a84399-8ae4-4b4c-91ad-69504a678a55" label="3">
    <para> Dit is mogelijk op grond van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 96, eerste lid, van de Vw 2000.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_81231124-e444-46df-9628-bc1ec89d3c5e" label="4">
    <para> Dat staat in artikel 96, derde lid, van de Vw 2000.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_79604453-90c1-4288-9a99-a0fc3c5584e8" label="5">
    <para> Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 16 januari 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:525, r.o. 7.1.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f0c80d3a-5d71-481a-89cc-2c3dc81c39bf" label="6">
    <para> Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>