<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2024:3412</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-03-14T07:55:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-03-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-03-08</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL23.9860</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:3412">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:3412</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-03-14T07:54:40</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-03-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2024:3412 Rechtbank Den Haag , 08-03-2024 / NL23.9860</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2024:3412:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>verzoek om vovo hangende bezwaar, gegrond beroep, kan de vovo terugklappen naar het bezwaar, ontvankelijkheid, toewijzing</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2024:3412:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG </emphasis>
    <?linebreak?>
  </para>
  <para>Zittingsplaats Middelburg</para>
  <para>
    <?linebreak?>Bestuursrecht</para>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: NL23.9860 </para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [naam verzoeker] , verzoeker,</title>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [V-nr.]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. G.J. van der Graaf),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.</title>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <para>1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker inhoudend dat verzoeker niet mag worden uitgezet gedurende de behandeling van het bezwaar tegen de afwijzing van zijn aanvraag van 7 maart 2022 tot verlening van een reguliere verblijfsvergunning. De staatssecretaris heeft deze aanvraag met zijn besluit van 31 maart 2023 (het primaire besluit) afgewezen en bepaald dat verzoeker het besluit op bezwaar niet in Nederland mag afwachten. </para>
    <para />
    <para>2. Op 14 februari 2024 heeft de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, het beroep tegen de beslissing op bezwaar van 31 augustus 2023, waarin de staatssecretaris bij de afwijzing van de aanvraag is gebleven, gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd.</para>
    <para />
    <para>3. Door deze vernietiging is het bezwaar tegen het primaire besluit weer opengevallen en kan verzoeker worden uitgezet. Met het ingediende verzoek om voorlopige voorziening beoogt verzoeker deze uitzetting te voorkomen.</para>
    <para />
    <para>4. De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend. </para>
    <para />
    <para>5. De voorzieningenrechter nodigt partijen op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet uit voor een zitting.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>6. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed dat gelet op de betrokken belangen vereist. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.</para>
    <para />
    <para>7. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om het verzoek dat is ingediend hangende het bezwaar tegen het primaire besluit na de gegrondverklaring van het beroep opnieuw aan te merken als een verzoek hangende bezwaar, en om dit verzoek toe te wijzen. De staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat het verzoek om voorlopige voorziening, gelet op de gegrondverklaring van het beroep, niet meer connex is. Nu de Awb niet voorziet in het ‘terugklappen’ van een verzoek om voorlopige voorziening, kan dit verzoek niet worden opgevat als connex aan het bezwaar. Verzoeker heeft daarom geen belang meer bij de gevraagde voorziening, aldus de staatssecretaris.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter oordeelt als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>8. Hoewel de Awb hierin niet uitdrukkelijk voorziet, kan worden aangenomen dat een verzoek om een voorlopige voorziening hangende beroep kan worden getransformeerd naar een verzoek hangende bezwaar. Noch artikel 8:81 van de Awb, noch enig ander artikel of de systematiek van deze wet, staat eraan in de weg dat na de vernietiging van een besluit op bezwaar het petitum van het verzoek wordt gewijzigd naar eenzelfde verzoek hangende het weer opengevallen bezwaar. Dat de Awb over het ‘terugklappen’ geen expliciete bepaling bevat, doet daaraan niet af. Het verzoek is daarom ontvankelijk.</para>
    <para />
    <para>9. Verder stelt de voorzieningenrechter vast dat het bezwaar tegen het primaire besluit, dat met het vernietigen van het besluit op bezwaar weer is opengevallen, geen schorsende werking heeft. Verzoeker mag het bezwaar daarom niet in Nederland afwachten. De vereiste onverwijlde spoed is daarmee gegeven. </para>
    <para />
    <para>10. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter weegt het belang van verzoeker om de beslissing op zijn bezwaar in Nederland te mogen afwachten zwaarder dan het belang van de staatssecretaris om verzoeker voor die tijd al uit te zetten. De voorzieningenrechter weegt hierbij mee dat de rechtbank het beroep tegen het besluit op bezwaar gegrond heeft verklaard en de staatssecretaris heeft opgedragen om binnen een termijn van acht weken een nieuw besluit te nemen.</para>
    <para />
    <para>11. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker daarom een spoedeisend belang heeft om de uitkomst van het  bezwaar in Nederland af te wachten. De voorzieningenrechter wijst om die reden het verzoek om voorlopige voorziening toe.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <para>12. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat de uitzetting van verzoeker achterwege blijft tot vier weken nadat op het bezwaar is beslist.</para>
    <para />
    <para>13. In de toewijzing van het verzoek ziet de voorzieningenrechter aanleiding om verweerder te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 875, bestaande uit een punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 875 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1 (gemiddeld). </para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para>De voorzieningenrechter:</para>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe in die zin dat de staatssecretaris verzoeker niet mag uitzetten tot vier weken nadat op het bezwaar van verzoeker tegen het primaire besluit is beslist;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt verweerder tot betaling van € 875 (achthonderdvijfenzeventig euro) aan proceskosten aan verzoeker.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.S. van der Velde, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op <emphasis role="underline">www.rechtspraak.nl</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>