<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2024:24020</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-09T14:28:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-03-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-09-25</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/09/632341 / HA ZA 22-588</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:24020">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:24020</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-09T14:28:22</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-03-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2024:24020 Rechtbank Den Haag , 25-09-2024 / C/09/632341 / HA ZA 22-588</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2024:24020:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vordering tot verklaring voor recht dat een bepaald besluit van aandeelhouders en een bepaald besluit van de Raad van Commissarissen nietig is, toegewezen. Overige vorderingen inzake dividend(reserve) afgewezen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2024:24020:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold caps">RECHTBANK Den Haag</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Team handel</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Zaaknummer: C/09/632341 / HA ZA 22-588</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">Vonnis van 25 september 2024</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>in de zaak van</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">
        [eiseres]
      </emphasis> te [woonplaats 1] ,</para>
    <para>eiseres,</para>
    <para>hierna te noemen: [eiseres] ,</para>
    <para>advocaat: mr. R.S. Schouten te Zeist,</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>tegen</para>
  </parablock>
  <para>1. <emphasis role="bold">[naam 1] </emphasis>te [woonplaats 2] ,<?linebreak?>2. (de erven van) <emphasis role="bold">[naam 2] </emphasis>te [woonplaats 2] ,<?linebreak?>3. <emphasis role="bold">F.A.M. HOLDING B.V. </emphasis>te Leidschendam,<?linebreak?>4. <emphasis role="bold">BRPD BEHEER B.V. </emphasis>te Den Haag,<?linebreak?>5. <emphasis role="bold">[naam 3] </emphasis>te [woonplaats 3] ,<?linebreak?>6. <emphasis role="bold">[bedrijf] B.V. </emphasis>te [vestigingsplaats] ,</para>
  <parablock>
    <para>gedaagden,</para>
    <para>hierna afzonderlijk te noemen: [naam 1] , [naam 2] , F.A.M. Holding, BRPD, [naam 3] en [bedrijf] ,</para>
    <para>advocaat: mr. C.M. van der Burg.</para>
  </parablock>
  <para>
    <emphasis role="bold">1.	De procedure</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>1.1.	Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:</para>
  </parablock>
  <para>- de dagvaarding van 5 juli 2022, met producties 1 t/m 33;</para>
  <para>- de akte houdende aanzegging tot schorsing voor beraad en onderzoek ex artikel 225 Rv van gedaagden waarin is bericht dat [naam 2] (gedaagde 2) op 28 juli 2022 is overleden en waarin is gevraagd om schorsing van de procedure op grond van artikel 225 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv);</para>
  <para>- de rolbeslissing van 1 februari 2023 waarbij de rechtbank heeft bepaald dat de procedure wordt voortgezet;</para>
  <para>- de conclusie van antwoord, met producties 1 t/m 10;</para>
  <para>- het vonnis van 3 mei 2023 waarbij een mondelinge behandeling is bevolen;</para>
  <para>- de akte vermeerdering eis namens [eiseres] , met producties 34 t/m 40;</para>
  <para>- de antwoordakte namens gedaagden, met producties 11 t/m 18; </para>
  <para>- de akte uitlaten namens gedaagden;</para>
  <para>- de akte wijziging c.q. vermeerdering van eis van [eiseres] ;</para>
  <para>- de akte uitlating, tevens houdende akte overlegging aanvullende producties van gedaagden, met producties 10 tot en met 21;</para>
  <para>- de akte uitlaten van gedaagden van 3 juli 2024, met productie 22. </para>
  <para>1.2.	Op 20 juni 2023 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Tijdens en na deze mondelinge behandeling hebben partijen tevergeefs geprobeerd om samen tot een oplossing van het geschil te komen. De inhoudelijke bespreking van de zaak heeft plaatsgevonden tijdens de voortzetting van de mondelinge behandeling op 6 juni 2024. Partijen hebben toen hun standpunten toegelicht en vragen van de rechtbank beantwoord. Daarbij heeft [eiseres] een aantal nieuwe rechtsgronden voor haar vorderingen naar voren gebracht. Gedaagden zijn in de gelegenheid gesteld om bij akte hierop te reageren. </para>
  <parablock>
    <para>1.3.	Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald.</para>
  </parablock>
  <para>
    <emphasis role="bold">2.	De feiten</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>2.1.	[eiseres] , [naam 1] , F.A.M. Holding en BRPD zijn aandeelhouders van [bedrijf] . Deze vennootschap is in 1963 opgericht door de (in 2016 overleden) vader van [eiseres] en [naam 1] (hierna: [naam 4] ). [bedrijf] staat aan het hoofd van een groep vennootschappen die zich bezighouden met de productie van en (internationale) groothandel in Aziatische levensmiddelen. [naam 3] is de bestuurder van [bedrijf] . De Raad van Commissarissen (hierna: RvC) van [bedrijf] bestond tot medio 2022 uit [naam 1] en [naam 2] . Op dit moment is [naam 1] nog de enige commissaris.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>2.2.	Het kapitaal van de vennootschap is verdeeld in drie soorten aandelen: aandelen A, B en C. De door [eiseres] en [naam 1] gezamenlijk gehouden aandelen A behoren tot de gemeenschap van de nalatenschap van [naam 4] . [eiseres] en [naam 1] zijn beiden deelgenoot in deze gemeenschap. F.A.M. Holding is de houder van de aandelen B en BRPD van de aandelen C. [naam 1] houdt (thans) alle aandelen in het kapitaal van F.A.M. Holding.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>2.3.	 In de statuten van [bedrijf] , zoals gewijzigd op 28 september 2012, staat, voor zover voor deze procedure van belang, het volgende:</para>
    <para>
      <emphasis role="bold">Artikel 7 - (Ontbonden) Gemeenschap</emphasis>
    </para>
    <para>Als aandelen, beperkte rechten daarop of voor aandelen uitgegeven certificaten tot een</para>
    <para>(ontbonden) gemeenschap behoren, kunnen de deelgenoten zich slechts door de (rechts)persoon die als aandeelhouder is aangegeven in het aandeelhoudersregister als bedoeld in artikel 4 ofwel door één schriftelijk aan te wijzen (rechts) persoon tegenover de vennootschap doen vertegenwoordigen.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>	(…)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">Artikel 16 - Raad van Commissarissen</emphasis>
    </para>
    <para>1. De vennootschap heeft een raad van commissarissen, bestaande uit een of meer natuurlijke personen. Het aantal commissarissen wordt bepaald door de vergadering van houders van aandelen A.</para>
    <para>2. De algemene vergadering van aandeelhouders kan aan één of meerdere commissarissen</para>
    <para>een bezoldiging toekennen. </para>
    <para>3. De commissarissen worden benoemd, geschorst en ontslagen door de algemene</para>
    <para>vergadering. De vergadering van houders van aandelen A zal voor de benoeming van commissarissen bindende voordrachten opmaken. (…)</para>
    <para>(…)</para>
    <para>12. Ingeval van belet of ontstentenis van een of meer leden van de raad van commissarissen zijn de overige leden van de raad van commissarissen of is het enige overblijvende lid van de raad van commissarissen tijdelijk belast met de bevoegdheden en verplichtingen die aan</para>
    <para>de raad van commissarissen zijn toegekend. Ingeval van belet of ontstentenis van alle leden</para>
    <para>van de raad van commissarissen, komen de bevoegdheden van die raad in deze statuten</para>
    <para>zoveel mogelijk toe aan de vergadering van houders van aandelen A.</para>
    <para>De vergadering van houders van aandelen A dient voorts zo spoedig mogelijk een</para>
    <para>algemene vergadering van aandeelhouders bijeen te roepen waarin kan worden besloten</para>
    <para>over de benoeming van een of meer commissarissen.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>(…)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">Artikel 20 – Besluitvorming</emphasis>
    </para>
    <para>1. Elk aandeel geeft recht op het uitbrengen van één stem.</para>
    <para>2. (…)</para>
    <para>3. Voor zover in deze statuten geen grotere meerderheid is voorgeschreven, worden alle</para>
    <para>besluiten bij volstrekte meerderheid van de uitgebrachte stemmen genomen.</para>
    <para>Als in deze statuten is bepaald dat de geldigheid van een besluit afhankelijk is van het op</para>
    <para>de vergadering vertegenwoordigd gedeelte van het kapitaal en dit gedeelte niet op de</para>
    <para>vergadering vertegenwoordigd was, kan een nieuwe vergadering worden bijeengeroepen </para>
    <para>waarin het besluit kan worden genomen, onafhankelijk van het op deze vergadering</para>
    <para>vertegenwoordigd gedeelte van het kapitaal, tenzij in deze statuten anders is bepaald. Bij </para>
    <para>de oproeping voor de nieuwe vergadering moet worden vermeld dat en waarom een</para>
    <para>besluit kan worden genomen, onafhankelijk van het op de vergadering vertegenwoordigd </para>
    <para>gedeelte van het kapitaal. </para>
    <para>De hiervoor bedoelde tweede vergadering wordt niet eerder dan twee weken en niet later </para>
    <para>dan vier weken na de eerste vergadering gehouden.</para>
    <para>4. Staken de stemmen bij verkiezing van personen, dan beslist het lot; staken de stemmen bij</para>
    <para>een andere stemming dan is het voorstel verworpen.</para>
    <para>(…)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>(…)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">Artikel 26 - Fusie, splitsing, statutenwijziging en ontbinding</emphasis>
    </para>
    <para>1. De algemene vergadering van aandeelhouders kan besluiten tot:</para>
    <para>- juridische fusie;</para>
    <para>- juridische splitsing;</para>
    <para>- wijziging van de statuten, of </para>
    <para>- ontbinding van de vennootschap.</para>
    <para>De algemene vergadering van aandeelhouders kan zodanige besluiten slechts nemen op </para>
    <para>voorstel van de raad van commissarissen en met een meerderheid van tenminste twee</para>
    <para>derden van de uitgebrachte stemmen vertegenwoordigende meer dan de helft van het</para>
    <para>geplaatste kapitaal.</para>
    <para>2. Wanneer aan de algemene vergadering van aandeelhouders een voorstel tot wijziging van</para>
    <para>de statuten zal worden gedaan, moet dat steeds bij de oproeping tot de algemene</para>
    <para>vergadering worden vermeld,</para>
    <para>(…)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>2.4.	Op 15 november 2016 hebben de aandeelhouders van [bedrijf] buiten vergadering besloten om uit de winst-/dividendreserve die verbonden is aan de aandelen B een bedrag van € 275.000 aan F.A.M. Holding uit te keren. In 2019 is opnieuw ten laste van de winst-/dividendreserve dividend aan F.A.M. Holding uitgekeerd. </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>2.5.	Op 19 december 2019 hebben de aandeelhouders ter beslechting van een aantal al tussen [naam 4] , [naam 3] en [naam 2] ontstane geschillen een vaststellingsovereenkomst gesloten. In die overeenkomst is onder meer een wijziging van de aandelenverhouding vastgelegd. Die wijziging houdt het volgende in:</para>
  </parablock>
  <informaltable>
    <tgroup cols="3">
      <colspec colname="colA" />
      <colspec colname="colB" />
      <colspec colname="colC" />
      <tbody>
        <row>
          <entry>
            <para />
          </entry>
          <entry>
            <para>
              <emphasis role="bold">oud</emphasis>
            </para>
          </entry>
          <entry>
            <para>
              <emphasis role="bold">nieuw</emphasis>
            </para>
          </entry>
        </row>
        <row>
          <entry>
            <para>
              <emphasis role="bold">
                [eiseres] en [naam 1] </emphasis>
            </para>
          </entry>
          <entry>
            <para>13 aandelen A</para>
          </entry>
          <entry>
            <para>29 aandelen A </para>
          </entry>
        </row>
        <row>
          <entry>
            <para>
              <emphasis role="bold">F.A.M. Holding</emphasis>
            </para>
          </entry>
          <entry>
            <para> 2 aandelen B</para>
          </entry>
          <entry>
            <para>16 aandelen B </para>
          </entry>
        </row>
        <row>
          <entry>
            <para>
              <emphasis role="bold">BRPD</emphasis>
            </para>
          </entry>
          <entry>
            <para>8 aandelen C</para>
          </entry>
          <entry>
            <para>  6 aandelen C</para>
          </entry>
        </row>
      </tbody>
    </tgroup>
  </informaltable>
  <parablock>
    <para>Voorts zijn de aandeelhouders in de vaststellingsovereenkomst overeengekomen dat de winstverdeling vanaf 1 juni 2016 wordt bepaald met inachtneming van deze (in de vaststellingsovereenkomst) gewijzigde aandelenverhouding. </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>2.6.	In de periode van mei tot en met augustus 2020 zijn de aandeelhouders van [bedrijf] diverse keren (zie hierna) door het bestuur en de RvC uitgenodigd voor een aandeelhoudersvergadering over een voorstel tot wijziging van de statuten van [bedrijf] . </para>
    <para>Het voorstel zag onder andere op wijziging van de artikelen 16 en 26 van de statuten. Aanvankelijk werd voorgesteld om de in artikel 16 leden 1, 3 en 12 neergelegde bevoegdheden van de houders van aandelen A toe te kennen aan de houders van aandelen B en C. Dit voorstel is later (bij de uitnodiging voor de aandeelhoudersvergadering van 17 juli 2020) bijgesteld, in die zin dat de bevoegdheden niet langer aan de houders van de aandelen A, maar aan de algemene vergadering van aandeelhouders zouden toekomen. </para>
    <para>Daarnaast werd voorgesteld om de in artikel 26 lid 1 opgenomen gekwalificeerde meerderheid van ten minste twee derden van de uitgebrachte stemmen te wijzigen in een volstrekte meerderheid van de uitgebrachte stemmen. </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>2.6.1.	Op 12 mei 2020 is een uitnodiging verstuurd voor een aandeelhoudersvergadering op 25 mei 2020. </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>2.6.2.	Op 2 juni 2020 is een uitnodiging verstuurd voor een (nieuwe) aandeelhoudersvergadering op 12 juni 2020. Bij de vergadering van 12 juni 2020 waren [naam 3] , [naam 2] en de zoon van [eiseres] aanwezig. [naam 2] heeft tijdens de vergadering namens [naam 1] voor het voorstel tot wijziging van de statuten gestemd en de zoon van [eiseres] heeft namens zijn moeder tegen het voorstel gestemd. [naam 3] en [naam 2] hebben geen stemmen op de aandelen van hun vennootschappen uitgebracht. </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>2.6.3.	Op 12 juni 2020 is een uitnodiging verstuurd voor een aandeelhoudersvergadering op 22 juni 2020. In de uitnodiging is vermeld dat het gaat om een tweede vergadering, omdat tijdens de eerste vergadering van 12 juni 2020 het volgens de statuten vereiste quorum voor een besluit tot statutenwijziging niet aanwezig of vertegenwoordigd was. De vergadering van 22 juni 2020 is na onderling overleg tussen de advocaten van partijen geannuleerd.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>2.6.4.	Op 6 juli 2020 is een uitnodiging verstuurd voor een aandeelhoudersvergadering op 17 juli 2020. Bij de vergadering van 17 juli 2020 waren [naam 3] , [naam 2] en de zoon van [eiseres] aanwezig. In de notulen van die vergadering is vermeld dat de voorzitter na opening van de vergadering heeft geconstateerd dat het krachtens de statuten van de vennootschap vereiste quorum voor een besluit tot statutenwijziging niet aanwezig of vertegenwoordigd is. </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>2.6.5.	Op 21 juli 2020 is een uitnodiging verstuurd voor een aandeelhoudersvergadering op 31 juli 2020. In de uitnodiging is vermeld dat het gaat om een tweede vergadering, omdat tijdens de eerste vergadering van 17 juli 2020 het volgens de statuten vereiste quorum voor een besluit tot statutenwijziging niet aanwezig of vertegenwoordigd was. De vergadering van 31 juli 2020 is niet doorgegaan. </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>2.6.6.	Op 3 augustus 2020 is een uitnodiging verstuurd voor een nieuwe tweede aandeelhoudersvergadering op 13 augustus 2020. Tijdens deze vergadering van 13 augustus 2020 hebben de daarbij aanwezige [naam 3] en [naam 2] (namens hun vennootschappen) voor het voorstel tot statutenwijziging gestemd. De zoon van [eiseres] was ook bij deze vergadering aanwezig. </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>2.7.	[eiseres] heeft zich vervolgens bij monde van haar advocaat beroepen op de nietigheid, dan wel vernietigbaarheid van het aandeelhoudersbesluit van 13 augustus 2020.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>2.8.	Bij brief van 23 juli 2021 heeft [naam 3] de aandeelhouders op de hoogte gesteld van het besluit van de Raad van Commissarissen tot uitgifte van negen aandelen B aan F.A.M. Holding en twee aandelen C aan BRPD Holding. </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>2.9.	[eiseres] heeft zich bij brief van 22 september 2021 beroepen op de nietigheid van het uitgiftebesluit en, voor zover noodzakelijk, de vernietiging van het uitgiftebesluit ingeroepen. </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>2.10.	Tijdens een aandeelhoudersvergadering op 24 september 2021 is besloten om uit de vrije reserves aan F.A.M. Holding voor het boekjaar 2019 een bedrag van € 606.000 en voor het boekjaar 2020 een bedrag van € 600.000 aan dividend uit te keren.</para>
  </parablock>
  <para>
    <emphasis role="bold">3.	Het geschil</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>3.1.	[eiseres] vordert <emphasis role="underline">verkort</emphasis> weergegeven – na wijziging van eis en intrekking van een onderdeel daarvan – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">Vordering I</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <orderedlist numeration="upperalpha">
    <listitem>
      <para>
        <emphasis role="underline">primair</emphasis>, de verklaring voor recht dat het besluit van 13 augustus 2020 tot wijziging van artikelen 16 en 26 van de statuten van [bedrijf] nietig is; </para>
    </listitem>
    <listitem>
      <para>
        <emphasis role="underline">subsidiair</emphasis>, de vernietiging uit te spreken van het besluit van 13 augustus 2020 tot wijziging van artikelen 16 en 26 van de statuten van [bedrijf] ; </para>
    </listitem>
    <listitem>
      <para>
        <emphasis role="underline">primair en subsidiair</emphasis>, voor het geval de statuten van [bedrijf] op grond van een niet rechtsgeldig besluit zijn gewijzigd, de veroordeling van [bedrijf] en al haar aandeelhouders tot het herstellen van artikelen 16 en 26 van de statuten in de staat per 28 september 2012, zoals geformuleerd onder vordering I, onder C van het petitum van de dagvaarding; </para>
    </listitem>
    <listitem>
      <para>
        <emphasis role="underline">meer subsidiair</emphasis>, voor het geval het besluit van 13 augustus 2020 een rechtsgeldig besluit is, de verklaring voor recht dat het besluit van 13 augustus 2020 tot wijziging van artikel 16 en 26 van de statuten van [bedrijf] niet meer mag worden geëffectueerd en/of doorgevoerd, en dat ter zake een verbod wordt opgelegd aan [bedrijf] ;</para>
    </listitem>
  </orderedlist>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">Vordering II</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <orderedlist numeration="upperalpha">
    <listitem>
      <para>
        <emphasis role="underline">primair</emphasis>, de verklaring voor recht dat het besluit van de RvC van [bedrijf] tot uitgifte van negen aandelen B en twee aandelen C nietig is; </para>
    </listitem>
    <listitem>
      <para>
        <emphasis role="underline">subsidiair</emphasis>, de vernietiging uit te spreken van het besluit van de RvC van [bedrijf] tot uitgifte van negen aandelen B en twee aandelen C;</para>
    </listitem>
    <listitem>
      <para>
        <emphasis role="underline">meer subsidiair</emphasis>, </para>
    </listitem>
  </orderedlist>
  <para>de verklaring voor recht dat vanwege strijd met de vaststellingsovereenkomst sprake is van een toerekenbare tekortkoming, dat het besluit om die reden onrechtmatig althans ongeldig is en dat dientengevolge ongedaanmakingsverbintenissen zijn ontstaan waaraan uitvoering moet worden gegeven,</para>
  <para>voor zover uitgifte en levering van de uitgegeven aandelen B en C heeft plaatsgevonden,</para>
  <itemizedlist mark="-">
    <listitem>
      <para>de veroordeling van aandeelhouders B en C tot teruglevering van de betreffende aandelen aan [bedrijf] op grond van ongedaanmakingsverbintenissen;</para>
    </listitem>
    <listitem>
      <para>de veroordeling van [bedrijf] tot de ongedaanmaking van de uitgave van de betreffende aandelen;</para>
    </listitem>
    <listitem>
      <para>de veroordeling van [bedrijf] tot aanpassing van het aandelenregister zodanig dat dit aandelenregister wederom de aandelenaantallen zal vermelden conform de bepalingen in de vaststellingsovereenkomst van 29 december 2017,</para>
    </listitem>
  </itemizedlist>
  <para>een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom, en met bepaling dat het te wijzen vonnis in de plaats treedt van de medewerking van aandeelhouders B en C en van [bedrijf] indien binnen 30 dagen na de betekening van dit vonnis de voormelde uitvoering niet heeft plaatsgevonden;</para>
  <para>de verklaring voor recht dat aandeelhoudersbesluiten die sinds deze uitgifte van de aandelen B en C zijn genomen nietig zijn, indien deze zijn gebaseerd op een niet-bestaande aandelenverhouding dan wel een aandelenverhouding die anders is dan vermeld in de vaststellingsovereenkomst van 29 december 2017;</para>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">Vordering III</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para>A. <emphasis role="underline">primair</emphasis>, de verklaring voor recht dat bij het bijeenroepen van aandeelhoudersvergaderingen waarin zou zijn besloten over de dividenduitkeringen (275.000 in 2016 respectievelijk € 1.000.000 in 2018, respectievelijk € 600.000 in 2019 respectievelijk € 600.000 in 2020) in strijd is gehandeld met de statuten en dat deze besluiten nietig zijn;</para>
  <para>met veroordeling van F.A.M. Holding tot terugbetaling aan [bedrijf] van de als dividend uitbetaalde bedragen, met wettelijke rente en op straffe van verbeurte van een dwangsom; </para>
  <para>
    <emphasis role="underline">subsidiair</emphasis>, de verklaring voor recht dat de in de periode 2016 tot en met 2020 aan aandeelhouder B gedane dividenduitkeringen in strijd zijn met de winstverdelingsregeling in de vaststellingsovereenkomst van 29 december 2017;</para>
  <para>met veroordeling van F.A.M. Holding tot betaling van een schadevergoeding van € 2.475.000 x (29/51) x 50% aan eiseres, alsmede € 2.475.000 x (29/51) x 50% aan [naam 1] , alsmede € 2.475.000 x (6/51) aan aandeelhouder C;</para>
  <para>
    <emphasis role="underline">meer subsidiair</emphasis>, de veroordeling van [bedrijf] althans van haar directie, in verband met de aan aandeelhouder B gedane dividenduitkeringen (€ 275.000 in 2016, € 1.000.000 in 2018, € 600.000 in 2019 en € 600.000 in 2020), tot een schriftelijke onderbouwing dat in de jaren 2016 tot en met 2020 is voldaan aan de wettelijke en statutaire liquiditeitstoetsen voor die respectievelijke dividenduitkeringen;</para>
  <para>met veroordeling van F.A.M. Holding tot terugbetaling van de wegens dividend uitbetaalde bedragen aan [bedrijf] , met wettelijke rente en voorts op straffe van verbeurte van een dwangsom als:</para>
  <itemizedlist mark="-">
    <listitem>
      <para>deze onderbouwing niet binnen twee weken na de datum van het te wijzen vonnis is gegeven, </para>
    </listitem>
    <listitem>
      <para>blijkt dat niet aan de liquiditeitstoets is voldaan, of,</para>
    </listitem>
    <listitem>
      <para>uit de cijfermatige onderbouwing blijkt dat destijds niet was voldaan aan artikel 24 lid 4 onder b van de statuten.</para>
    </listitem>
  </itemizedlist>
  <para>
    <emphasis role="underline">uiterst subsidiair</emphasis>, de verklaring voor recht dat wat betreft de som aan rechtmatig door F.A.M. Holding B.V. ontvangen dividend (in de periode 2016 t/m 2020, betreffende de bedragen € 275.000 in 2016, € 1.000.000 in 2018, € 600.000 in 2019 en € 600.000 in 2020) eerst aandeelhouders A en C, naar rato van dit door aandeelhouder B ontvangen saldo gerelateerd aan de tussen de aandeelhouders geldende aandelenverhoudingen van de aandelen [bedrijf] , dividenduitkeringen ontvangen met uitsluiting van Aandeelhouder B, totdat de gelijkheid van de winstuitkeringen tussen aandeelhouders A, B en C zal zijn hersteld, </para>
  <para>met veroordeling van [bedrijf] deze wijze van dividenduitkering uit te voeren;</para>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">Vordering IV</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <orderedlist numeration="upperalpha">
    <listitem>
      <para>de verdeling uit te spreken van de dividendreserve van aandeelhouder A in twee sub-dividend-reserves, ieder ter grootte van de helft van het dividendreserve bedrag van aandeelhouder A, op grond van art. 3:175 jo. 3:182 BW jo. 3:183 jo. 3:185 BW;</para>
    </listitem>
    <listitem>
      <para>met veroordeling van:</para>
    </listitem>
  </orderedlist>
  <para>- [naam 1] als deelgenote in aandeelhouder A;</para>
  <para>- aandeelhouder B;</para>
  <para>- aandeelhouder C;</para>
  <para>- [bedrijf] ;</para>
  <para>- bestuurder de heer [naam 3] ;</para>
  <para>- de commissarissen [naam 2] en [naam 1] ,</para>
  <parablock>
    <para>tot de verlening van medewerking aan de verdeling van de dividendreserve A, </para>
    <para>met verklaring voor recht dat terzake van een uitkering van dividend aan eiseres vanaf het te wijzen vonnis door de andere aandeelhouders van [bedrijf] , door [bedrijf] , bestuurder de heer [naam 3] en de commissarissen [naam 2] en [naam 1] , geen beroep kan worden gedaan op het niet kunnen stemmen door [eiseres] ter zake van de uitkering van dividend aan [eiseres] vanwege de gemeenschap aandeelhouder A;</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">Vordering V</emphasis>
    </para>
    <para>Gedaagden (hoofdelijk) te veroordelen om: </para>
    <para>
      <emphasis role="underline">primair: </emphasis>op grond van de in artikel 2:8 BW opgenomen redelijkheid en billijkheid het vaste advieskostenbedrag waarover partijen het al lang geleden eens waren met elkaar te betalen aan [eiseres] (door [bedrijf] );</para>
    <para>
      <emphasis role="underline">subsidiair:</emphasis> op grond van de in artikel 2:8 BW opgenomen redelijkheid en billijkheid aan [eiseres] alle haar in deze zaak gemaakte kosten van rechtsbijstand en advies te vergoeden;</para>
    <para>
      <emphasis role="underline">meer subsidiair:</emphasis> op grond van art. 6:96 jo. 6:102 BW de schade te vergoeden die [eiseres] heeft geleden bestaande uit:</para>
  </parablock>
  <itemizedlist mark="-">
    <listitem>
      <para>de advocaatkosten die zij moest maken in de buitengerechtelijke fase van € 29.205,87 inclusief btw;</para>
    </listitem>
    <listitem>
      <para>de vordering die haar zoon [naam 5] op haar heeft wegens in de buitengerechtelijke fase aan zijn moeder geleverde advisering van 475 uren x € 155 exclusief BTW = € 73.625;</para>
    </listitem>
    <listitem>
      <para>de tijd die [eiseres] zelf heeft moeten besteden in de buitengerechtelijke fase van 475 uren x € 40 = € 19.000;</para>
    </listitem>
    <listitem>
      <para>de kosten van EKO notaris van € 719,95 gefactureerd op 25 februari 2021 wegens de advisering ter zake van een optie op 3 aandelen A in [bedrijf] , welke factuur door zoon [naam 5] in privé is voorgeschoten ten behoeve van [eiseres] ;</para>
    </listitem>
  </itemizedlist>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">Vordering VI</emphasis>
    </para>
    <para>gedaagden te veroordelen in de kosten van deze procedure.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>3.2.	Gedaagden voeren verweer. Zij stellen zich op het standpunt dat de vorderingen van [eiseres] moeten worden afgewezen en dat [eiseres] moet worden veroordeeld in de proceskosten.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>3.3.	Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.</para>
  </parablock>
  <para>
    <emphasis role="bold">4.	De beoordeling</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>4.1.	De rechtbank zal hierna de verschillende (hoofd)vorderingen afzonderlijk bespreken.</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>I. Besluit tot statutenwijziging</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>
        [eiseres] stelt dat het besluit tot statutenwijziging van 13 augustus 2020 om verschillende redenen nietig of vernietigbaar is. Volgens gedaagden heeft [eiseres] geen belang bij de vaststelling daarvan in rechte, omdat de statutenwijziging nog altijd niet is geëffectueerd. De rechtbank is het daar niet mee eens. Uit dat wat tijdens de zitting namens gedaagden is verklaard, blijkt niet dat [bedrijf] ook in de toekomst geen gevolg zal geven aan het besluit. De statutenwijziging is dus (nog) niet definitief van de baan. Het belang van [eiseres] om duidelijkheid te krijgen over de rechtsgeldigheid van het besluit is daarmee gegeven. Dat volgens gedaagden direct na de door [naam 1] en [eiseres] beoogde verdeling van de gemeenschap waartoe de aandelen A behoren alsnog een geldig besluit over de statutenwijziging kan worden genomen, maakt dat niet anders. Naar het oordeel van de rechtbank kan in deze procedure niet op de uitkomst van die verdeling vooruit worden gelopen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Gedaagden hebben nog aangevoerd dat het standpunt van [eiseres] inzake de nietigheid van de statutenwijziging zodanig onredelijk is ten opzichte van het vennootschappelijk belang en in vergaande mate het vennootschapsrechtelijke proces van de aandeelhoudersvergadering doorkruist, dat nietigheid dan wel vernietigbaarheid niet aan de orde kan zijn. Dit hebben zij echter pas gedaan in de nadere akte na de mondelinge behandeling, terwijl de rechtbank hen alleen in de gelegenheid had gesteld op twee specifieke stellingen van [eiseres] te reageren. Daarmee hebben zij dit verweer te laat opgebracht en de rechtbank gaat dan ook eraan voorbij. Ook overigens begrijpt de rechtbank deze stellingen van gedaagden niet, gelet op de omstandigheid dat zij tot op heden nog niets met de statutenwijziging hebben gedaan. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>Bij de beoordeling van de bezwaren van [eiseres] tegen het besluit tot statutenwijziging stelt de rechtbank voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat, nu de aandelen A onderdeel zijn van een (onverdeelde) gemeenschap, aandeelhouder A alleen tijdens een aandeelhoudersvergadering (of in voorkomend geval daarbuiten) kan stemmen over een besluit als [eiseres] en [naam 1] het met elkaar eens zijn. Dit brengt mee dat voor zover er al tijdens de gehouden vergaderingen over de statutenwijziging namens [eiseres] en/of [naam 1] afzonderlijk is gestemd, die stemmen bij de beantwoording van de vraag of een rechtsgeldig besluit is genomen buiten beschouwing moeten worden gelaten, omdat die niet eensluidend waren. [eiseres] en [naam 1] zijn het immers niet eens over die statutenwijziging.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>Zoals gedaagden terecht aanvoeren moet de aandeelhoudersvergadering van 13 augustus 2020, de vergadering waarop het aangevochten besluit is genomen, als een tweede vergadering als bedoeld in artikel 20 lid 3 van de statuten worden aangemerkt. Weliswaar stond het voorstel tot statutenwijziging ook al op de agenda van de vergaderingen van 25 mei 2020, 12 juni 2020 en 22 juni 2020, maar die vergaderingen zijn niet doorgaan, althans tijdens die vergaderingen heeft geen (formele) stemming over het voorstel plaatsgevonden (zie ook 4.4). De vergadering van 12 juni 2020 was, anders dan [eiseres] stelt, geen tweede vergadering, maar een nieuwe eerste vergadering. Dit staat ook met zoveel woorden in de bijbehorende oproep van 2 juni 2020. Op deze eerste vergadering is geen tweede vergadering gevolgd, de vergadering van 22 juni 2020 is immers niet doorgegaan. Het bestuur en de RvC hebben er vervolgens voor gekozen om op 17 juli 2020 weer een nieuwe eerste vergadering te houden waarop een <emphasis role="underline">gewijzigd</emphasis> voorstel tot statutenwijziging zou worden besproken. De oproep voor die vergadering heeft plaatsgevonden op 6 juli 2020, in overeenstemming met de termijn van acht dagen uit artikel 17 lid 7 van de statuten (gelezen in combinatie met artikel 2:225 van het Burgerlijk Wetboek (BW)). Tijdens die vergadering is volgens de notulen vastgesteld dat het voor een besluit tot statutenwijziging vereiste quorum niet aanwezig was, zodat is besloten om (aanvankelijk op 31 juli 2020 en later in overeenstemming met de daarvoor geldende termijn op 13 augustus 2020) een tweede vergadering bijeen te roepen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <para>Volgens [eiseres] kon de tweede vergadering van 13 augustus 2020 niet bijeen worden geroepen, omdat door de aanwezigheid (van de zoon) van [eiseres] bij de (eerste) vergadering van 17 juli 2020 het voor een besluit tot statutenwijziging vereiste gedeelte van het kapitaal op die vergadering vertegenwoordigd was. Zij beroept zich daarbij op artikel 7 van de statuten en stelt dat zij, althans haar zoon namens haar, de gemeenschap waartoe de aandelen A behoren bij de vergadering van 17 juli 2020 kon vertegenwoordigen, omdat zij als aandeelhouder in het aandeelhoudersregister is ingeschreven. Aan de voorwaarde voor het bijeenroepen van een tweede vergadering (het ontbreken van het vereiste quorum tijdens de eerste vergadering) is, aldus [eiseres] , niet voldaan. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7.</nr>
      <para>De rechtbank volgt haar daarin niet. Nu zowel [eiseres] als [naam 1] als houder van aandelen A in het aandelenregister is ingeschreven, is de rechtbank van oordeel dat artikel 7 van de statuten zo moet worden uitgelegd dat voor een rechtsgeldige vertegenwoordiging van de aandeelhouder A, zowel [eiseres] als [naam 1] tijdens een vergadering aanwezig of vertegenwoordigd moet zijn. De enkele aanwezigheid van een van beiden is niet voldoende. Volgens gedaagden is dit ook altijd het uitgangspunt geweest. En dit sluit ook aan bij de tevens door [eiseres] onderschreven uitleg dat om te kunnen stemmen op de aandelen zowel [eiseres] als [naam 1] aanwezig of vertegenwoordigd moet zijn. Omdat [naam 1] tijdens de vergadering van 17 juli 2020 niet aanwezig was en ook niet is gebleken dat [naam 2] door haar was gevolmachtigd, concludeert de rechtbank dat aandeelhouder A tijdens die vergadering niet werd vertegenwoordigd. De aandelen A vertegenwoordigde destijds 56,52% van het geplaatste kapitaal, zodat door de (formele) afwezigheid van aandeelhouder A tijdens de vergadering van 1 juli 2020 geen geldig besluit over de statutenwijziging kon worden genomen. Dat was, zo volgt uit artikel 26 lid 1 BW, immers alleen mogelijk als minimaal de helft van het geplaatste kapitaal tijdens de vergadering vertegenwoordigd zou zijn. Het bestuur en de RvC van [bedrijf] mochten dus overeenkomstig het bepaalde in artikel 20 lid 3 van de statuten een tweede vergadering bijeenroepen waarop de aandeelhouders alsnog (in dit geval met eenparigheid van stemmen) konden besluiten tot statutenwijziging. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8.</nr>
      <para>
        [eiseres] heeft tijdens de mondelinge behandeling nog betoogd dat de bepaling in artikel 26 van de statuten inhoudende dat een besluit tot wijziging alleen kan worden genomen met een meerderheid van tenminste twee derden van de uitgebrachte stemmen vertegenwoordigende meer dan de helft van het geplaatste kapitaal, betekent dat zonder instemming van de houders van aandelen A de statuten überhaupt niet kunnen worden gewijzigd. De houders van aandelen A bezitten immers meer dan de helft van het aantal aandelen en dus kunnen volgens [eiseres] geen besluiten worden genomen als zij hun stem niet uitbrengen. [eiseres] miskent hiermee dat artikel 20 lid 3 van de statuten juist is geschreven voor deze situatie. Artikel 20 lid 3 van de statuten bepaalt immers dat als in de statuten is bepaald dat de geldigheid van een besluit afhankelijk is van het op de vergadering vertegenwoordigde deel van het kapitaal (zie artikel 26: “<emphasis role="italic">het aantal uitgebrachte stemmen vertegenwoordigende meer dan de helft van het kapitaal</emphasis>”) en dit gedeelte niet was vertegenwoordigd, een tweede vergadering kan worden gehouden waarin het besluit kan worden genomen onafhankelijk van het op deze vergadering vertegenwoordigde gedeelte van het kapitaal. In de tweede vergadering geldt dan nog wel dat het besluit met twee derde meerderheid van de uitgebrachte stemmen moet worden genomen, maar de voorwaarde dat meer dan de helft van het kapitaal aanwezig moet zijn, is dan op grond van artikel 20 lid 3 komen te vervallen. Mits aandeelhouders bij de oproep zijn geïnformeerd dat het een tweede vergadering betreft. De rechtbank volgt [eiseres] dan ook niet in deze uitleg van artikel 26 van de statuten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.9.</nr>
      <para>
        [eiseres] beroept zich er ook op dat het besluit is genomen in strijd met het bepaalde in artikel 2:231 lid 4 BW. Daarin staat dat een besluit tot statutenwijziging dat specifiek afbreuk doet aan enig recht van houders van aandelen van een bepaalde soort of aanduiding, goedkeuring behoeft van deze groep van aandeelhouders, tenzij ten tijde van de toekenning van het betreffende recht de bevoegdheid tot wijziging daarvan uitdrukkelijk was voorbehouden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.10.</nr>
      <para>De rechtbank is het niet met gedaagden eens dat deze bepaling alleen betrekking heeft op rechten die zijn toegekend aan de houders van stemloze aandelen. Weliswaar volgt uit de wetsgeschiedenis dat met het voorstel voor toevoeging van het vierde lid aan artikel 2:231 BW beoogd werd houders van stemloze aandelen een zeker mate van bescherming te bieden, maar uit de uiteindelijke tekst van de bepaling blijkt niet dat de wetgever het goedkeuringsvereiste heeft willen beperken tot statutenwijzigingen die alleen die groep aandeelhouders raken. Ook [eiseres] kan dus een beroep op de beschermende werking van dit artikel doen.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.11.</nr>
      <para>Gedaagden hebben niet bestreden dat de met het besluit beoogde wijziging van artikel 16 van de statuten afbreuk doet aan de rechten die de houders van aandelen A ten aanzien van (de samenstelling van) de RvC hebben. Door de wijziging zijn zij immers niet meer degenen die bepalen uit hoeveel leden de RvC bestaat, die een bindende voordracht kunnen doen bij de benoeming van commissarissen en die de bevoegdheden van de RvC overnemen bij belet of ontsteltenis van alle leden daarvan. Die rechten komen dan toe aan de algemene vergadering van aandeelhouders. Dat [naam 1] en [eiseres] als houder(s) van de aandelen A deze wijziging hebben goedgekeurd of dat de bevoegdheid tot wijziging van deze rechten uitdrukkelijk was voorbehouden is niet gebleken. Naar het oordeel van de rechtbank is in zoverre dan ook sprake van een fundamenteel gebrek in de totstandkoming van het besluit van 13 augustus 2020. Dat geldt echter enkel voor het besluit tot wijziging van artikel 16 van de statuten. Dat (deel van het) besluit van 13 augustus 2020 is nietig. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.12.</nr>
      <para>Anders dan [eiseres] , is de rechtbank van oordeel dat het besluit tot wijziging van artikel 26 van de statuten niet tot gevolg heeft dat afbreuk wordt gedaan aan recht(en) van aandeelhouder A. De wijziging van artikel 26 houdt in dat een besluit tot juridische fusie, juridische splitsing, wijziging van de statuten of ontbinding van de vennootschap in het vervolg niet langer met een gekwalificeerde meerderheid, maar met een volstrekte meerderheid van de uitgebrachte stemmen (die meer dan de helft van het kapitaal vertegenwoordigd) kan worden genomen. Het gaat niet om de wijziging van een op grond van de statuten specifiek aan de houders van de aandelen A toegekend recht en de wijziging raakt ook niet specifiek deze groep aandeelhouders. De uitgebrachte stemmen moeten (in beginsel) nog altijd meer dan de helft van het geplaatste kapitaal vertegenwoordigen. Die meerderheid werd op het moment van statutenwijziging gevormd door de aandelen A. De wijziging doet daar geen afbreuk aan. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.13.</nr>
      <para>Door [eiseres] zijn geen andere feiten of omstandigheden gesteld die de conclusie rechtvaardigend dat het besluit tot wijziging van artikel 26 van de statuten nietig is.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.14.</nr>
      <para>Aan het subsidiaire beroep van [eiseres] op vernietiging van het besluit gaat de rechtbank voorbij, omdat de vordering tot vernietiging te laat is ingesteld. Op grond van artikel 2:15 lid 5 BW vervalt de bevoegdheid om vernietiging van het besluit te vorderen een jaar na het einde van de dag, waarop hetzij aan het besluit voldoende bekendheid is gegeven, hetzij de belanghebbende van het besluit kennis heeft genomen of daarvan is verwittigd. Vaststaat dat [eiseres] in ieder geval op 18 augustus 2020 op de hoogte was van het besluit, aangezien haar advocaat daar op die dag schriftelijk bezwaar tegen heeft gemaakt. De vordering tot vernietiging is pas 5 juli 2022 ingesteld, dus ruim na de vervaltermijn. Dat het besluit nog niet is uitgevoerd is, anders dan [eiseres] stelt, voor de aanvang van de termijn niet relevant en kan dus niet tot een ander oordeel leiden. Ook de redelijkheid en billijkheid staan aan dit oordeel niet in de weg. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.15.</nr>
      <para>De rechtbank is aldus van oordeel dat het besluit van 13 augustus 2020 rechtsgeldig is voor zover het betrekking heeft op de wijziging van artikel 26 van de statuten. Vervolgens ligt de vraag voor of de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW eraan in de weg staan dat aan dit (deel van het) besluit uitvoering wordt gegeven, zoals het meer subsidiaire standpunt van [eiseres] luidt. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend. Door gedaagden is gemotiveerd betwist dat het besluit is genomen om [eiseres] buiten spel te zetten. Zij hebben erop gewezen dat het besluit is genomen in het belang van de door [bedrijf] gedreven onderneming, dat [eiseres] altijd al op meer afstand van de bedrijfsvoering stond en dat met het besluit geen afbreuk wordt gedaan aan de zeggenschapsrechten die zij als meerderheidsaandeelhouder samen met [naam 1] heeft. Tegenover deze betwisting heeft [eiseres] onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd die haar beroep op de redelijkheid en billijkheid rechtvaardigen. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>II. Besluit tot uitgifte aandelen</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.16.</nr>
      <para>Op 23 juli 2021 heeft de RvC besloten tot uitgifte van aandelen B en C aan F.A.M. Holding respectievelijk BRPD. Gedaagden hebben toegelicht dat de uitgifte aan de vennootschappen van [naam 2] en [naam 3] heeft plaats gevonden om [naam 2] en [naam 3] te belonen voor de door hen voor de onderneming van [bedrijf] uitgevoerde werkzaamheden. Aldus is sprake van de toekenning van een bezoldiging aan een commissaris en een bestuurder. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.17.</nr>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat, zoals zij partijen ook tijdens de zitting heeft voorgehouden, het besluit tot uitgifte van aandelen aan (de vennootschap van) [naam 2] niet kon worden genomen zonder betrokkenheid van de aandeelhouders van [bedrijf] . Artikel 16 lid 2 van de statuten (en dat is in overeenstemming met artikel 2:255 BW) bepaalt immers dat de algemene vergadering bevoegd is tot het toekennen van een bezoldiging aan één of meerdere commissarissen. Dat het besluit tot uitgifte van aandelen aan (de vennootschap van) [naam 2] op voordracht of met instemming van de algemene vergadering is genomen is niet gesteld of anderszins gebleken. Het besluit van de RvC van 23 juli 2021 tot uitgifte van aandelen B aan F.A.M. Holding is daarom nietig. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.18.</nr>
      <para>De RvC kon gelet op het bepaalde in artikel 14 lid 3 en artikel 8 lid 2 van de statuten wel rechtsgeldig besluiten over de beloning van [naam 3] en overgaan tot uitgifte van aandelen C tegen nominale waarde. Dat bij die aandelenuitgifte in strijd is gehandeld met de statuten, is niet komen vast te staan. Weliswaar hebben de overige aandeelhouders in beginsel een voorkeursrecht bij de uitgifte van aandelen, maar gelet op het doel van de aandelenuitgifte concludeert de rechtbank dat de RvC gebruik heeft gemaakt van de statutaire mogelijkheid om dit recht bij deze uitgifte uit te sluiten – ook al blijkt dat niet expliciet uit de brief van 23 juli 2021 –, althans dat het voorkeursrecht niet gold (vgl. artikel 2:206a lid 1 BW). In zoverre is van nietigheid, dan wel vernietigbaarheid van het uitgiftebesluit geen sprake. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.19.</nr>
      <para>Dat besluit is naar het oordeel van de rechtbank ook niet op grond van een van de andere door [eiseres] aangevoerde redenen aantastbaar. De onderbouwing van het bestaan van een tegenstrijdig belang van de commissarissen bij het besluit spitst zich toe op de gevolgen van de uitgifte van aandelen aan (de vennootschap van) [naam 2] . Waarom het belang van [naam 2] en/of [naam 1] bij het besluit tot uitgifte van aandelen aan (de vennootschap van) [naam 3] strijdig was met het belang van de vennootschap is niet toegelicht. Ook voor de stelling dat de uitgifte van aandelen aan BRPD naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, zoals bedoeld in artikel 2:8 lid 2 BW, ontbreekt een deugdelijke onderbouwing. [eiseres] wijst wederom met name op de gevolgen van de aandelenuitgifte aan (de vennootschap van) [naam 2] . Dat er geen grondslag bestaat voor de aandelenuitgifte hebben gedaagden gemotiveerd bestreden (zie 4.16). Daarbij maakt het naar het oordeel van de rechtbank geen verschil dat [naam 3] niet direct, maar via zijn vennootschap is beloond, zijn reguliere beloning al riant is of dat een contractuele bonusregeling ontbreekt. Dat maakt het (rechtsgeldige) besluit tot aandelenuitgifte niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Gedaagden hebben bovendien terecht opgemerkt dat uit de weigering van de accountant van [bedrijf] om een goedkeurende verklaring op de jaarrekening te geven, niet kan worden afgeleid dat de beloning van [naam 3] onterecht is. In dit verband merkt de rechtbank nog op dat tussen partijen niet in geschil is dat al jaren sprake is van een succesvolle onderneming.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.20.</nr>
      <para>De rechtbank volgt [eiseres] ook niet in haar stelling dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de vaststellingsovereenkomst, omdat door het besluit de in de overeenkomst opgenomen afspraak over de winstverdeling wordt aangetast. Dat de afspraken in de vaststellingsovereenkomst eraan in de weg staan dat binnen de vennootschap (op grond van de daarvoor geldende statutaire regels) besluiten worden genomen die een verandering van de aandelenverhouding en winstverdeling meebrengen, heeft [eiseres] , gelet de betwisting van gedaagden, onvoldoende onderbouwd. Daarbij betrekt de rechtbank dat anders dan het geval was bij de aandeelhoudersovereenkomst die onderwerp van geschil was in de procedure die leidde tot het vonnis van deze rechtbank van 1 augustus 2012, in de vaststellingsovereenkomst niet expliciet is opgenomen dat de winstverdelingsregeling slechts in bepaalde omstandigheden of na het maken van nieuwe afspraken tussen de aandeelhouders kan worden gewijzigd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.21.</nr>
      <para>Nu niet is komen vast te staan dat in strijd met de vaststellingsovereenkomst is gehandeld, kan het hiermee samenhangende beroep van [eiseres] op artikel 2:8 lid 1 BW onbesproken blijven. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.22.</nr>
      <para>Het voorgaande brengt mee dat alleen de aandelenuitgifte aan F.A.M. Holding nietig is en moet worden teruggedraaid. Dat F.A.M. Holding ten tijde van de levering te goeder trouw was als bedoeld in artikel 2:16 lid 2 BW is immers niet gesteld of gebleken. De rechtbank zal [bedrijf] daarom veroordelen tot aanpassing van het aandeelhoudersregister. Als prikkel tot nakoming zal de rechtbank, zoals gevorderd, aan deze veroordeling een dwangsom verbinden. De hoogte van die dwangsom zal worden beperkt tot € 500 per dag, met een maximum van € 50.000. Voor toewijzing van de vordering gebaseerd op artikel 3:300 BW ziet de rechtbank naast het opleggen van een dwangsom geen aanleiding.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.23.</nr>
      <para>Het terugdraaien van de aandelenuitgifte aan F.A.M. Holding heeft niet (zonder meer) tot gevolg dat, zoals [eiseres] stelt, alle besluiten die na 23 juli 2021 zijn genomen nietig zijn. Door de uitgifte van de aandelen van F.A.M. Holding is geen wijziging opgetreden in de aandelenverhouding, in die zin dat daardoor een andere stemverhouding is ontstaan. [eiseres] heeft voorts ook niet gesteld, noch is anderszins gebleken dat besluiten zijn genomen, die anders waren geweest indien de aandelen aan F.A.M. Holding niet waren uitgegeven. Het aan F.A.M. Holding in september 2021 bij aandeelhoudersbesluit toegekende dividend had betrekking op de winstreserve uit de jaren 2019 en 2020, zodat de nietige uitgifte ook niet van invloed is geweest op de uitkering van het dividend. Gelet op dit een en ander is de rechtbank van oordeel dat de vordering inzake de verklaring voor recht inhoudende dat aandeelhoudersbesluiten genomen na 23 juli 2021 nietig zijn, moet worden afgewezen. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>III. Dividenduitkeringen F.A.M. Holding</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.24.</nr>
      <para>Tussen partijen is niet in geschil dat sinds 2016 een bedrag van in totaal € 2.475.000 aan dividend aan F.A.M. Holding is uitgekeerd. De vraag die allereerst voorligt is of aan de dividenduitkeringen steeds een rechtsgeldig besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders ten grondslag heeft gelegen. Volgens [eiseres] is dat niet zo. De rechtbank volgt haar daarin niet. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.25.</nr>
      <para>Aan de in 2016 gedane uitkering van € 275.000 ligt een buiten vergadering genomen besluit van de aandeelhouders van [bedrijf] van 15 november 2016 ten grondslag. Zoals gedaagden terecht hebben opgemerkt werden de aandelen A op dat moment gehouden door de Stichting administratiekantoor [bedrijf] (hierna: de STAK) en niet door [eiseres] en [naam 1] . Uit het besluit blijkt dat de STAK net als de andere aandeelhouders heeft ingestemd met de uitkering aan F.A.M. Holding. Daarnaast heeft het bestuur van [bedrijf] , na het verrichten van een uitkeringstest, haar goedkeuring aan het besluit verleend. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.26.</nr>
      <parablock>
        <para>In 2019 is aan F.A.M. Holding een bedrag van € 1.000.000 uitgekeerd. </para>
        <para>Het besluit tot uitkering van dat bedrag is vastgelegd in het door gedaagden als productie 7 overgelegde document waarboven staat dat het gaat om de notulen van een aandeelhoudersvergadering gehouden op 10 juli 2019. Uit de verklaringen van partijen over de totstandkoming van het besluit maakt de rechtbank op dat er op die datum niet daadwerkelijk een (officiële) aandeelhoudersvergadering heeft plaatsgevonden. Dat wordt bevestigd door het feit dat [naam 3] het document pas op 23 juli 2019 heeft getekend. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het besluit moet worden aangemerkt als een besluit buiten vergadering.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.27.</nr>
      <para>Nu alle aandeelhouders het document hebben getekend, kan naar het oordeel van de rechtbank worden aangenomen dat alle (vergaderingsgerechtigde) aandeelhouders met deze wijze van besluitvorming alsook met de inhoud van het besluit hebben ingestemd. Tijdens de zitting op 6 juni 2024 heeft [eiseres] weliswaar betwist dat het haar handtekening is die op het document staat, maar die betwisting staat haaks op dat wat zij in de dagvaarding heeft aangevoerd. Daarin staat immers dat zij op 10 juli 2019 – voorafgaand aan het etentje dat haar zoon voor zijn verjaardag had georganiseerd – bij [naam 1] en [naam 2] is geweest en aldaar een aan haar voorgehouden document heeft getekend. De rechtbank is van oordeel dat gelet hierop geen sprake is van een stellige ontkenning door [eiseres] van de ondertekening van het als productie 7 door gedaagden overgelegde document, als bedoeld in artikel 159 lid 2 Rv. Daar komt bij dat [eiseres] heeft erkend dat zij op de hoogte was van de ziekte van [naam 2] en dat dit binnen de onderneming stil werd gehouden. Volgens gedaagden was die ziekte nu juist de reden waarom tot dit besluit tot betaling van dividend is overgegaan. Zij hebben toegelicht dat [naam 2] en [naam 1] [eiseres] bij hen thuis hebben uitgenodigd en haar in vertrouwen hebben genomen over de ziekte van [naam 2] . Dat is ook de reden dat [naam 3] later heeft getekend. Het geld was, aldus gedaagden, bedoeld als buffer voor de familie en [eiseres] was hiervan volledig op de hoogte. Het dividendbedrag is, nadat ook [naam 3] het document had ondertekend, aan F.A.M. Holding uitgekeerd. Gelet op dit een en ander gaat de rechtbank aan de betwisting van de handtekening door [eiseres] voorbij. Voor het overige heeft [eiseres] geen verweer gevoerd tegen het als productie 7 overgelegde document. Uit de inhoud ervan en uit de handelingen die daarna zijn verricht blijkt in voldoende mate dat met het document is bedoeld te besluiten tot uitgifte van € 1.000.000 dividend aan (de vennootschap van) [naam 2] . Niet in geschil is dat de dividendreserve van F.A.M. Holding toereikend was voor de uitkering van het bedrag. Voor zover al [eiseres] het document heeft getekend zonder van de inhoud daarvan kennis te nemen, leidt dat niet tot nietigheid van het besluit. Ook overigens zijn geen gronden voor nietigheid van dit besluit gebleken.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.28.</nr>
      <para>De uitkeringen van dividend over de boekjaren 2019 (€ 606.000) en 2020 (€ 600.000) aan F.A.M. Holding zijn gebaseerd op een aandeelhoudersbesluit dat is genomen tijdens de aandeelhoudersvergadering op 24 september 2021, waarbij [naam 2] , [naam 3] , [naam 1] en de zoon van [eiseres] – als haar gevolmachtigde – aanwezig waren. [eiseres] heeft niet betwist dat het besluit met een meerderheid van de tijdens de vergadering uitgebrachte stemmen is genomen, ook als geen rekening wordt gehouden met de hiervoor besproken aandelenuitgifte. F.A.M. Holding en BRPD hebben immers allebei voor het besluit gestemd, terwijl [eiseres] en [naam 1] vanwege het ontbreken overeenstemming tussen hen beiden geen stem konden uitbrengen. Daarmee is gelet op artikel 25 lid 4 gelezen in combinatie met artikel 20 lid 3 van de statuten het besluit, waaraan ook het bestuur na uitvoering van een balans- en uitkeringstest haar goedkeuring heeft verleend, rechtsgeldig tot stand gekomen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.29.</nr>
      <para>Dat, zoals [eiseres] stelt, de in de vaststellingsovereenkomst opgenomen winstdelingsregeling en/of het pariteitsbeginsel van artikel 2:201 BW aan de dividenduitkeringen in de weg stonden, is, gelet op de betwisting van die stelling door gedaagden, niet komen vast te staan. De betwisting van gedaagden komt erop neer dat in de statuten van [bedrijf] een van de wettelijke bepalingen afwijkende regeling voor de berekening van dividend is opgenomen en dat uitkeringen van dividend ten laste van de dividendreserves worden gedaan, zodat het pariteitsbeginsel en de winstverdelingsregeling geen rol spelen bij de beantwoording van de vraag of de uitkering aan F.A.M. Holding kon plaatsvinden. Daarvoor is, aldus gedaagden, enkel relevant of de dividendreserve voor de aandelen B de uitkeringen toestond. Gelet hierop, is de rechtbank van oordeel dat [eiseres] haar stelling onvoldoende heeft onderbouwd. Het enkele feit dat de aandeelhouder A (en C) in tegenstelling tot aandeelhouder B in de periode van 2016 tot 2021 geen dividend uitgekeerd heeft gekregen, wil nog niet zeggen dat wettelijke bepalingen of contractuele afspraken over de verdeling van winst zijn geschonden. Niet gesteld of anderszins gebleken is dat in de betreffende jaren – overeenkomstig de winstverdelingsregeling – geen bedragen aan de dividendreserves van de aandelen A (en C) zijn toegevoegd. Voor het lange tijd uitblijven van een uitkering bestonden bovendien duidelijke redenen, namelijk maatregelen die zijn getroffen voor de toepassing van de bedrijfsopvolgingsregeling en de omstandigheid dat [eiseres] en [naam 1] niet samen hebben gevraagd om een uitkering. Overigens hebben er inmiddels wel dividenduitkeringen aan [eiseres] (en [naam 1] ) plaatsgevonden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.30.</nr>
      <para>
        [eiseres] stelt ook nog dat door het ontbreken van de liquiditeitstoetsen niet is gebleken dat de uitkeringen gelet op de financiële positie van [bedrijf] geoorloofd waren. Ook die stelling treft geen doel. Dat het bestuur voorafgaand aan de dividenduitkeringen in 2016, 2019 en 2021 steeds een liquiditeitstoets heeft uitgevoerd en dat de uitkeringen geoorloofd waren, blijkt uit de door gedaagden overgelegde producties 5, 7 en 10. [eiseres] heeft de juistheid van deze producties niet (gemotiveerd) bestreden. Er bestaat dan ook geen grond voor toewijzing van onderdeel C. van vordering III. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.31.</nr>
      <para>
        [eiseres] vordert uiterst subsidiair een verklaring voor recht dat wat betreft de som aan rechtmatig door F.A.M. Holding B.V. ontvangen dividend (€ 2.475.000) eerst aandeelhouders A en C, naar rato van dit door aandeelhouder B ontvangen saldo gerelateerd aan de tussen de aandeelhouders geldende aandelenverhoudingen van de aandelen [bedrijf] , dividenduitkeringen ontvangen met uitsluiting van aandeelhouder B, totdat de gelijkheid van de winstuitkeringen tussen aandeelhouders A, B en C zal zijn hersteld, met veroordeling van [bedrijf] deze wijze van dividenduitkering uit te voeren. Een deugdelijke grondslag voor deze vordering ontbreekt. Voor zover [eiseres] zich ook voor deze vordering beroept op schending van statutaire of wettelijke winstverdelingsregels, strandt dit beroep op grond van wat daarover hiervoor al is overwogen. De vordering zal dan ook worden afgewezen. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>IV. Verdeling dividendreserve</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.32.</nr>
      <para>De vordering tot verdeling van de dividendreserve van de houders van aandelen A wordt afgewezen. De dividendreserve is geen onderdeel van de tussen [eiseres] en [naam 1] bestaande gemeenschap van de nalatenschap van [naam 4] , maar behoort tot het vermogen van de vennootschap. De dividendreserve komt als zodanig dan ook niet voor verdeling in aanmerking. De bijbehorende vordering tot veroordeling van [naam 1] als deelgenote in aandeelhouder A, aandeelhouder B, aandeelhouder C, [bedrijf] , [naam 3] , commissaris [naam 2] en commissaris [naam 1] tot medewerking aan de effectuering van de verdeling is daarmee ook niet toewijsbaar. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>V. Vergoeding kosten </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.33.</nr>
      <para>
        [eiseres] baseert haar vordering tot vergoeding van de door haar gemaakte kosten primair op een afspraak tussen partijen. Het bestaan van die afspraak heeft [eiseres] gelet op de betwisting daarvan door gedaagden onvoldoende onderbouwd. Gedaagden hebben erop gewezen dat tijdens gesprekken met Asian Food Group over de overname van de aandelen van [bedrijf] is overeengekomen dat Asian Food Group bij totstandkoming van een overnameovereenkomst de advieskosten van [eiseres] zou voldoen tot een bedrag van € 250.000. Dat bedrag zou aan [bedrijf] worden betaald, waarna [bedrijf] dit bedrag zou doorbetalen aan [eiseres] . [eiseres] heeft niet toegelicht waarom zij naleving van die afspraak van [bedrijf] kan verlangen, ondanks dat er geen overnameovereenkomst met Asian Food Group tot stand is gekomen. Voor zover [eiseres] zich op een andere afspraak beroept, heeft zij geen feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit het bestaan van die afspraak kan worden afgeleid. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.34.</nr>
      <para>De rechtbank ziet ook in het bepaalde in artikel 2:8 lid 1 BW geen grond voor toewijzing van de vordering van [eiseres] . Zelfs als het zo is dat [bedrijf] de kosten van deze procedure van de andere gedaagden voor haar rekening neemt en [eiseres] daar indirect (door de afname van de winst en daarmee de afname van het door haar te ontvangen dividend) aan meebetaalt, betekent dat niet dat de redelijkheid en billijkheid vergen dat [bedrijf] ook de kosten van [eiseres] draagt. Daarbij acht de rechtbank van belang dat [eiseres] degene is die deze procedure is gestart en [bedrijf] de daaruit voortvloeiende kosten hoe dan ook zou moeten maken. Alle vorderingen zijn immers gericht tegen [bedrijf] , althans hebben, bij toewijzing daarvan, (ook) gevolgen voor de vennootschap. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.35.</nr>
      <para>Meer subsidiair stelt [eiseres] zich op het standpunt dat gedaagden op grond van een toerekenbaar tekortschieten in de nakoming van de afspraken uit de vaststellingsovereenkomst de door haar gemaakte kosten, als zijnde de door haar geleden schade, moeten betalen. Hiervoor heeft de rechtbank al geoordeeld dat [eiseres] onvoldoende heeft onderbouwd dat gedaagden afspraken uit de vaststellingsovereenkomst hebben geschonden. Voor veroordeling van gedaagden tot betaling van een schadevergoeding bestaat dan ook geen grond. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.36.</nr>
      <parablock>
        <para>Dit betekent dat de vordering onder V. zal worden afgewezen.</para>
        <para>
          <emphasis role="bold underline">VI. Proceskosten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.37.</nr>
      <para>Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">5.	De beslissing</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank:</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>verklaart voor recht dat het besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders van 13 augustus 2020 tot wijziging van artikel 16 van de statuten van [bedrijf] nietig is;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>verklaart voor recht dat het besluit van de RvC van 23 juli 2021 tot uitgifte van aandelen B aan F.A.M. Holding nietig is;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>veroordeelt [bedrijf] tot ongedaanmaking van de uitgifte van de in 5.2. bedoelde aandelen B en dienovereenkomstige aanpassing van het aandeelhoudersregister op straffe van een dwangsom van € 500 per dag dat [bedrijf] niet aan deze veroordeling voldoet, met een maximum van € 50.000;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>wijst het meer of anders gevorderde af;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5.</nr>
      <para>compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, zodat iedere partij de eigen kosten draagt,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.6.</nr>
      <para>verklaart de onderdelen 5.3 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Bordes en in het openbaar uitgesproken op 25 september 2024.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>