<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2024:23741</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-12T16:11:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-10-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL24.34126</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:23741">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:23741</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-12T16:10:51</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-08-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2024:23741 Rechtbank Den Haag , 03-10-2024 / NL24.34126</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2024:23741:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Voorlopige voorziening: toegewezen. Beroep tegen oplegging heeft redelijke kans van slagen, nu uit proces-verbaal gehoor niet blijkt dat verzoekster is gehoord door een beëdigd tolk of vertaler. Dat verbalisent en verzoekster beide Engels konden praten is niet relevant. Strijd met Wet beëdigde tolken en vertalers (Wbtv).</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2024:23741:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: NL24.34126 </para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de voorzieningenrechter van in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [verzoekster] , V-nummer: [v-nummer] , verzoekster</title>
    <para>(gemachtigde: mr. M.J.A. Bakker),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de minister van Asiel en Migratie</emphasis>
        <footnote-ref linkend="_bc867a1d-ffae-414a-be8d-909fc328e084" />, verweerder</para>
      <para>(gemachtigde: mr. M. van Bohemen)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen het opleggen van een terugkeerbesluit. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Verweerder heeft met het bestreden besluit van 6 juli 2024 aan verzoekster een terugkeerbesluit opgelegd.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. Verzoekster heeft hierop een reactie gegeven. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>2. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 26 september 2024 op zitting behandeld. Gemachtigde van verweerder en van verzoekster hebben aan deze zitting deelgenomen. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de voorzieningenrechter</title>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Waar gaat deze zaak over?</title>
    <para />
    <para>3. Verzoekster is geboren op [geboortedag] 1992 en heeft de Rwandese nationaliteit. Verweerder heeft aan verzoekster een terugkeerbesluit opgelegd. Omdat zij volgens verweerder de vrije termijn als bedoeld in artikel 3.3 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) met meer dan drie dagen heeft overschreden, heeft verweerder op grond van artikel 66a van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) ook aan haar een inreisverbod opgelegd. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat vindt verzoekster in de voorzieningenprocedure?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Verzoekster voert – kort gezegd – het volgende aan. Zij heeft spoedeisend belang bij haar verzoek, nu zij door het terugkeerbesluit geen inreisvisum kan krijgen voor Polen en daardoor niet tijdig kan inreizen voor de aanvang van haar studie. Haar beroep tegen de oplegging van het terugkeerbesluit heeft redelijke kans van slagen nu deze onzorgvuldig tot stand is gekomen. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter? </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. Indien tegen een besluit beroep is ingesteld dan wel voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank tegen een besluit bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Als hieraan wordt voldaan, toets de voorzieningenrechter of het beroep een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Om dit te beoordelen beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoekster. </para>
    <para />
    <para>6. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.</para>
    <para />
    <para>7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe. Hieronder legt de voorzieningenrechter uit hoe en waarom zij tot dit oordeel is gekomen. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Spoedeisend belang</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>8. Verzoekster stelt dat zij in oktober 2024 met haar studie in Polen zal beginnen en daarom een spoedeisend belang heeft bij haar verzoek. Verweerder heeft dit niet betwist. De voorzieningenrechter volgt het standpunt van verzoekster en stelt vast dat verzoekster een spoedeisend belang heeft bij haar verzoek.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Beroep redelijke kans van slagen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>9. Uit jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) en de hoogste Nederlandse bestuursrechter volgt dat een terugkeerbesluit zorgvuldig dient te worden voorbereid en dat de vreemdeling – voordat tegen hem een terugkeerbesluit wordt opgelegd – dient te worden gehoord over zijn verblijfstatus in Nederland of een andere lidstaat van de Europese Unie, de vraag of hij onder de uitzonderingen genoemd in artikel 6, vierde en vijfde lid, van de Terugkeerrichtlijn valt, zijn persoonlijke omstandigheden in het kader van artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn en de modaliteiten van zijn terugkeer, te weten de vertrektermijn en de vrijwillige of gedwongen aard van het vertrek.<footnote-ref linkend="_8f556458-e06d-4227-8431-48f758b8c27b" /><footnote-ref linkend="_82a1ec0e-85d5-4eb4-b8ce-2a08ffd03e56" /></para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>9.1.</nr>
      <para>Op grond van artikel 28, eerste lid, van de Wet beëdigde tolken en vertalers (Wbtv) maakt verweerder uitsluitend gebruik van beëdigde tolken of vertalers. Op grond van het derde lid van dat artikel kan in afwijking van het eerste lid gebruik worden gemaakt van een tolk die geen beëdigde tolk is indien wegens de vereiste spoed een ingeschrevene in het register niet tijdig beschikbaar is of indien het register voor de desbetreffende bron- of doeltaal dan wel bron- of doeltalen geen ingeschrevene bevat. Als van het gebruik van een beëdigde tolk wordt afgezien, dan moet dit op grond van het vierde lid met redenen omkleed schriftelijk worden vastgesteld. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>9.2.</nr>
      <para>De voorzieningenrechter is van oordeel dat uit het proces-verbaal van gehoor niet blijkt dat verzoekster is gehoord door een beëdigd tolk of vertaler. Waarom hiervan geen gebruik is gemaakt, is niet met redenen omkleed. Ook volgt niet uit het proces-verbaal in welke taal het gehoor heeft plaatsgevonden. Dat, zoals verweerder ter zitting heeft gesteld, de verbalisant en verzoekster beide voldoende de Engelse taal beheersen is dan ook niet relevant. Bovendien blijkt dit standpunt evenmin uit het dossier. De uitspraak van de Afdeling<footnote-ref linkend="_91d24156-3dd2-4406-b9a4-86a3695a3107" /> waar verweerder ter zitting naar heeft verwezen gaat dan ook niet op. Gelet op voorgaande heeft verweerder in strijd gehandeld met artikel 28 van de Wbtv. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>9.3.</nr>
      <para>De rechtbank ziet geen aanleiding om de schending van artikel 28 van de Wbtv met toepassing van 6:22 van de Awb te passeren, voor zover verweerder stelt dat verzoekster niet in haar belangen is geschaad. Daartoe acht de rechtbank van belang dat verzoekster wordt tegengeworpen geen verklaringen te hebben afgelegd over het door haar gestelde rechtmatig verblijf in Polen. Tijdens een gehoor had zij de mogelijkheid gehad hier nader over te verklaren. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>9.4.</nr>
      <para>Gelet op voorgaande overweegt de voorzieningenrechter dan ook dat het beroep van verzoekster een redelijke kans van slagen heeft. <?linebreak?></para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <para>10. De voorzieningenrechter komt tot de conclusie dat verzoekster een spoedeisend belang heeft bij haar verzoek en dat haar beroep een redelijke kans van slagen heeft. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening daarom toe.</para>
    <para />
    <para>11. Verweerder moet de proceskosten van verzoekster vergoeden. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter vast op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op een totaal van tot een bedrag van € 1.750,-.<footnote-ref linkend="_475d2a24-fac8-4957-a4a9-541a6c7575a1" /></para>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter;</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit worden geschorst totdat er uitspraak is gedaan op het beroep van verzoekster (zaaknummer: NL24.29733);</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 1.750,-. </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. Y. Robio, griffier.</para>
      <para>De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_bc867a1d-ffae-414a-be8d-909fc328e084" label="1">
    <para> Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als verweerder.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8f556458-e06d-4227-8431-48f758b8c27b" label="2">
    <para> Arrest van het Hof van 11 december 2014 (<emphasis role="italic">Khaled Boudjlida</emphasis>), ECLI:EU:C:2014:2431.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_82a1ec0e-85d5-4eb4-b8ce-2a08ffd03e56" label="3">
    <para> Uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 20 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3579. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_91d24156-3dd2-4406-b9a4-86a3695a3107" label="4">
    <para> Uitspraak van de Afdeling van 17 oktober 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2963.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_475d2a24-fac8-4957-a4a9-541a6c7575a1" label="5">
    <para> 1 punt voor het indienen van een verzoekschrift met een waarde van €875,- met een wegingsfactor 1 en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde van €875,- met een wegingsfactor 1. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>