<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2024:23737</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-12T12:20:35</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-09-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL24.29716 (beroep) en NL24.29717 (voorlopige voorziening)</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:23737">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:23737</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-12T12:20:16</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-08-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2024:23737 Rechtbank Den Haag , 26-09-2024 / NL24.29716 (beroep) en NL24.29717 (voorlopige voorziening)</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2024:23737:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Beroep en voorlopige voorziening: ongegrond en afgewezen. Verweerder had geen medisch onderzoek hoeven laten verrichten en mocht de aanvraag buiten behandeling stellen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2024:23737:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummers: NL24.29716 (beroep) en NL24.29717 (voorlopige voorziening)</para>
    <para>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)</title>
    <para>(gemachtigde: mr. J.I.T. Sopacua),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de minister van Asiel en Migratie</emphasis>
        <footnote-ref linkend="_d163fb47-0124-47e2-8795-3c7654437cd2" />, verweerder</para>
      <para>(gemachtigde: mr. J. van Dam).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het buiten behandeling stellen van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Eiser heeft op 9 mei 2024 een opvolgende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 19 juli 2024 deze aanvraag in de algemene procedure buiten behandeling gesteld. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>2. De rechtbank heeft de beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 12 september 2024 op zitting behandeld. Gemachtigde van eiser en verweerder hebben aan deze zitting deelgenomen. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="italic">Waar gaat deze zaak over?</emphasis>
    </para>
    <para />
    <para>3. Eiser stelt de Marokkaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 2005. Bij het bestreden besluit heeft verweerder zijn opvolgende asielaanvraag buiten behandeling gesteld op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser zou tijdens de gehoren van 11 juli 2024 (eerste gehoor) en 15 juli 2024 (tweede gehoor) zijn gevraagd om nadere informatie te verstrekken over zijn asielmotief, maar eiser heeft niet op deze verzoeken geantwoord. Dat eiser vanwege psychische problematiek niet kan meewerken aan het verschaffen van meer informatie volgt verweerder niet, nu niet is gebleken dat er sprake is van psychische problematiek die de normale procedure voor het afnemen van een gehoor belemmert. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat vindt eiser in beroep?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Eiser herhaalt allereerst wat hij in de zienswijze heeft aangevoerd. Hij stelt dat hij eerst medisch had moeten worden onderzocht alvorens er een gehoor werd afgenomen.<footnote-ref linkend="_451135f9-1f9a-4e37-8310-068bcffff541" /> Hij wijst hierbij op passages uit het VN-Handboek.<footnote-ref linkend="_2b790a5a-1667-4231-bcc7-2bd41390062c" /> Ook wijst eiser op EU-regelgeving, waaruit volgt dat verweerder bij twijfel of eiser gehoord kan worden, een medisch beroepsoefenaar dient te raadplegen.<footnote-ref linkend="_b2efc5ce-95ce-4daf-aaa4-90d50ea56061" /> Eiser verwijst in dit kader ook naar verweerders werkinstructie over medische problematiek en horen en beslissen in de asielprocedure.<footnote-ref linkend="_2e30e432-38bd-4020-ab36-801ed6579adf" /> Verweerder heeft tot twee keer toe niets gedaan met de verklaringen van eiser over zijn medische problematiek. Gelet op het voorgaande mocht verweerder daarom geen toepassing geven aan artikel 3.45b van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV). </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat is het oordeel van de rechtbank?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. De rechtbank beoordeelt of verweerder eisers asielaanvraag buiten behandeling kon stellen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe en waarom zij tot deze conclusie is gekomen.</para>
    <para />
    <para>6. Uit het in algemene zin herhalen en inlassen van wat eiser eerder in de zienswijze naar voren heeft gebracht, kan de rechtbank niet afleiden waarom eiser van mening is dat het bestreden besluit onjuist is. Daarom ziet de rechtbank hierin geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen.</para>
    <para>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="underline">Wettelijk kader</emphasis>
    </para>
    <para>7. De rechtbank stelt vast dat verweerder eiser heeft aangemerkt als overlastgevende asielzoeker en hem in een Handhaving- en Toezichtlocatie (HTL) heeft geplaatst. In beginsel wordt de vreemdeling een rust- en voorbereidingstermijn gegeven van tenminste zes dagen.<footnote-ref linkend="_5d929e9d-8ebb-4946-b176-b66116b2d6a6" /> De vreemdeling wordt in dat kader een medisch onderzoek aangeboden.<footnote-ref linkend="_5f1ecf2c-273f-4b0d-ad56-e1c25e96d227" /> Er wordt geen rust- en voorbereidingstermijn gegeven als de vreemdeling overlast veroorzaakt in een opvangvoorziening of in de omgeving daarvan.<footnote-ref linkend="_4121329b-12fd-4606-8c53-db7245aed0da" /> Wanneer daartoe naar het oordeel van verweerder aanleiding bestaat, kan zij ook een medisch advies aanbieden in die gevallen waarin de rust- en voorbereidingstermijn wordt onthouden op grond van artikel 3.109, zesde lid, van het Vb. Dit kan bijvoorbeeld wanneer uit het aanmeldgehoor of uit andere relevante informatie blijkt dat sprake is van dusdanige (medische) problematiek dat een medisch advies noodzakelijk wordt geacht voordat het nader gehoor wordt afgenomen.<footnote-ref linkend="_0bef30ed-cba7-4d84-9905-281570500491" /> Ook bij opvolgende aanvragen in spoor 1 of 2 kan er te allen tijde aanleiding zijn om een medisch advies aan te bieden.<footnote-ref linkend="_266d4cb0-760f-4d8c-9ac3-3f5fd0d277d2" /> De hoogste bestuursrechter heeft overwogen dat uit artikel 24 van de Procedurerichtlijn en artikel 3.108b van het Vb niet de verplichting volgt om vreemdelingen standaard een medisch onderzoek aan te bieden. Deze bepalingen verplichten verweerder om te beoordelen of een vreemdeling bijzondere procedurele waarborgen nodig heeft, maar schrijven niet voor op welke wijze verweerder dat moet beoordelen. Artikel 3.108b van het Vb geldt echter onverkort, wat betekent dat de medewerkers van de IND er dus steeds alert op moeten zijn of de vreemdeling bijzondere procedurele waarborgen nodig heeft. Als informatie over de vreemdeling of het gedrag of uitlatingen van de vreemdeling voorafgaand of tijdens het gehoor daar aanleiding toe geven, moet alsnog een medisch advies worden gevraagd.<footnote-ref linkend="_4cf8d70e-a52f-431c-abff-c932153be95e" /> Als die aanleiding er niet is, dan geldt dit als vaststelling dat de vreemdeling geen bijzondere procedurele waarborgen nodig heeft. Ook dan moet verweerder tijdens de behandeling van de asielaanvraag steeds in de gaten blijven houden of de vreemdeling toch behoefte heeft aan bijzondere procedurele waarborgen.<footnote-ref linkend="_b32a7813-e469-44c6-88c8-784eefc1dc63" /></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Aanbieden medisch advies</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder geen medisch onderzoek heeft hoeven laten verrichten alvorens eiser het nader gehoor af te nemen. Verweerder mocht zich op het standpunt stellen dat niet is gebleken van dusdanige medische problematiek dat deze een normaal onderzoek van eisers zaak belemmeren en dat een medisch advies dus niet noodzakelijk is. Uit het dossier blijkt dat eiser tijdens twee ingeplande gehoren op 11 en 15 juli 2024 heeft aangegeven dat hij niet klaar is voor dit gehoor omdat hij psychische problemen heeft en medicijnen neemt, dat hij zich niet kan concentreren en dat hij eerst met zijn arts wil praten. Ook heeft hij verklaard een e-mail van een GGZ-medewerker te hebben, waarin zijn medische omstandigheden worden toegelicht. Verweerder heeft deze e-mail vervolgens opgevraagd bij de gemachtigde van eiser. Het gaat om een e-mail van 4 juli 2024 van de praktijkondersteuner GGZ met wie eiser gesprekken heeft op de HTL in Hoogeveen, waar hij verblijft. Verweerder heeft erop kunnen wijzen dat uit deze email niet blijkt welke mentale problemen eiser heeft, hoe ernstig deze zijn, welke eventuele procedurele waarborgen er nodig zijn en of er daadwerkelijk behandeling bij de gespecialiseerde GGZ is geïndiceerd of opgestart. Ter zitting heeft gemachtigde hier ook geen informatie over kunnen verstrekken. Verweerder heeft gelet hierop het standpunt kunnen innemen dat niet gebleken is dat eiser daadwerkelijk een medische belemmering heeft om te verklaren tijdens een nader gehoor en dus procedurele waarborgen nodig zijn. Verweerder mocht in dit kader ook betrekken dat eiser tijdens de gesprekken op 11 en 15 juli 2024 in staat was uitgebreide en samenhangende antwoorden te geven op vragen van de gehoorambtenaar en dat eiser deze vragen ook begreep. Dat verweerder in strijd heeft gehandeld met bepalingen uit het VN-Handboek volgt de rechtbank dan ook niet. In paragrafen 207 en 208 van dat Handboek staat dat verweerder een medisch advies zou moeten aanbieden als zij wordt geconfronteerd met een verzoeker die mentale of emotionele problemen heeft die een normale behandeling van zijn zaak belemmeren. Verweerder mocht gelet op het voorgaande in redelijkheid vinden dat daar niet van is gebleken. </para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>8.1.</nr>
      <para>Eisers verwijzing naar artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de Procedurerichtlijn gaat niet op, nu er op goede gronden niet is afgezien van een persoonlijk onderhoud. Er zijn twee gehoormomenten afgenomen en eiser heeft in beide gehoren niet geprobeerd om iets te vertellen over zijn asielmotief, terwijl uit wat hiervoor is overwogen volgt dat niet gebleken is dat hij daartoe niet in staat was of bijzondere procedurele waarborgen nodig had. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>8.2.</nr>
      <para>Tot slot overweegt de rechtbank in dit kader dat verweerder in het bestreden besluit, anders dan eiser stelt, wel degelijk is ingegaan op haar internationale en Europeesrechtelijke verplichtingen. Zoals hiervoor is overwogen heeft verweerder echter niet in strijd met deze verplichtingen gehandeld door eiser geen medisch onderzoek aan te bieden alvorens hem te horen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Buiten behandeling stellen van de aanvraag</emphasis>
        </para>
        <para>9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de aanvraag buiten behandeling mocht stellen. Uit artikel 30c, eerste lid, onder a, van de Vw en artikel 3.45b van het VV volgt dat verweerder kan overgaan tot een buiten behandeling stelling als de vreemdeling twee keer heeft nagelaten te antwoorden op verzoeken om informatie over de elementen ter staving van zijn asielaanvraag. Daar is in dit geval sprake van. Dat – zoals eiser ter zitting heeft gesteld – verweerder in strijd met artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft gehandeld door tussen de twee gehoren geen redelijke termijn voor herstelverzuim te bieden, volgt de rechtbank niet. Regels uit specifieke wet- en regelgeving, zoals in dit geval de Vw en het Vb, gaan voor op de algemene regels in de Awb. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <para>10. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder mocht afzien van het aanbieden van een medisch advies en de aanvraag van eiser op goede gronden buiten behandeling heeft gesteld. Daarmee is het beroep ongegrond en blijft het bestreden besluit in stand. </para>
    <para />
    <para>11. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.</para>
    <para />
    <para>12. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Robio, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Informatie over hoger beroep</emphasis>
      </para>
      <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.</para>
      <para />
      <para>Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_d163fb47-0124-47e2-8795-3c7654437cd2" label="1">
    <para> Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als verweerder.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_451135f9-1f9a-4e37-8310-068bcffff541" label="2">
    <para> Op grond van artikel 3.109, vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) en paragraaf C1/2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2b790a5a-1667-4231-bcc7-2bd41390062c" label="3">
    <para> ‘<emphasis role="italic">Handbook on Procedures and Criteria for Determining Refugee Status under the 1951 Convention and the 1967 Protocol relating to the Status of Refugees</emphasis>, UNHCR 1979, paragraaf 206-208 (VN-Handboek). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_b2efc5ce-95ce-4daf-aaa4-90d50ea56061" label="4">
    <para> Op grond van artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (de Procedurerichtlijn). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_2e30e432-38bd-4020-ab36-801ed6579adf" label="5">
    <para> WI 2021/12 Medische problematiek en horen en beslissen in de asielprocedure. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_5d929e9d-8ebb-4946-b176-b66116b2d6a6" label="6">
    <para> Artikel 3.109, eerste lid, van het Vb. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_5f1ecf2c-273f-4b0d-ad56-e1c25e96d227" label="7">
    <para> Artikel 3.109, vijfde lid, van het Vb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4121329b-12fd-4606-8c53-db7245aed0da" label="8">
    <para> Artikel 3.109, zesde lid, aanhef en onder b, van het Vb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0bef30ed-cba7-4d84-9905-281570500491" label="9">
    <para> Paragraaf C1/2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_266d4cb0-760f-4d8c-9ac3-3f5fd0d277d2" label="10">
    <para> WI 2021/12 Medische problematiek en horen en beslissen in de asielprocedure.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4cf8d70e-a52f-431c-abff-c932153be95e" label="11">
    <para> Zie artikel 24, vierde lid, van de Procedurerichtlijn.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b32a7813-e469-44c6-88c8-784eefc1dc63" label="12">
    <para> Zie de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 7 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1584. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>