<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2024:23557</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-06-05T14:17:07</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-05-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-10-01</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL23.38062</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:23557">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:23557</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-06-05T13:49:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-06-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2024:23557 Rechtbank Den Haag , 01-10-2024 / NL23.38062</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2024:23557:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>spoedeisend belang - voorlopige voorziening - afgewezen -</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2024:23557:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: NL23.38062 </para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [verzoeker] , V-nummer: [v-nummer] , verzoeker</title>
    <para>(gemachtigde: mr. A.M.V. Bandhoe),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de minister van Asiel en Migratie</emphasis>, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder</para>
      <para>(gemachtigde: mr. M. Latul).</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Bij het bestreden besluit van 29 november 2023 heeft verweerder het verblijfsrecht van eiser op grond van het Unierecht beëindigd en hem ongewenst verklaard. Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>2.	De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 5 september 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de voorzieningenrechter</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Waar gaat de zaak over? </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Eiser heeft de Poolse nationaliteit en is daarmee Unieburger. Verweerder heeft zijn verblijfsrecht beëindigd en hem ongewenst verklaard, omdat hij op 30 november 2021 is veroordeeld door de meervoudige strafkamer Den Haag tot een ISD-maatregel<footnote-ref linkend="_67c09b84-f11d-48cf-93d6-84ea1684647f" /> van 2 jaar voor een winkeldiefstal. Op 6 april 2023 heeft de meervoudige van het Gerechtshof Arnhem beslist om de ISD-maategel voort te zeten. Gelet hierop vormt zijn gedrag volgens verweerder een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor de samenleving. Er is bij verzoeker geen sprake van een positieve gedragsverandering. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat vindt verzoeker? </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Verzoeker is het niet eens met het bestreden besluit. Nu verweerde niet vanaf het begin van de ISD-maatregel verzoeker ongewenst heeft verklaard heeft verzoeker vaardigheden opgebouwd om terug te keren in de samenleving. Er kan niet worden gesteld dat verzoeker nog een actuele dreiging is. Verder wenst verzoeker in Nederland werk en een vaste woon- en verblijfsplaats te zoeken. Ook heeft verzoeker nog tijd nodig om zijn zaken te regelen indien hij Nederland definitief moet verlaten. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat is het oordeel van de rechtbank?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Is er een spoedeisend belang?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>5. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist. </para>
    <para />
    <para>6. De voorzieningenrechter volgt verweerder niet in zijn standpunt dat geen sprake is van een spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening. In het primaire besluit is uiteengezet dat verzoeker geen verblijfsrecht heeft en dat dit betekent dat hij niet in Nederland mag zijn. Dit rechtsgevolg wordt niet opgeschort als verzoeker bezwaar maakt tegen het besluit. Verzoeker heeft daarom de voorzieningenrechter gevraagd de rechtsgevolgen van het primaire besluit gedurende de bezwaarschriftprocedure op te schorten, zodat hij de uitkomst van deze procedure in Nederland mag afwachten. Het is immers onzeker of en wanneer verweerder concrete uitzettingshandelingen gaat verrichten. De omstandigheid dat er op dit moment geen concrete uitzettingshandelingen zijn verricht, leidt niet tot rechtmatig verblijf en doet er niet aan af dat verweerder op elk moment toch over kan gaan tot uitzetting. Dat betekent dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij zijn verzoek.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Heeft het bezwaar een redelijke kans van slagen?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>7. De voorzieningenrechter overweegt dat verweerder het rechtmatig verblijf kan beëindigen om redenen van openbare orde of openbare veiligheid, indien het persoonlijke gedrag van een vreemdeling een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving.<footnote-ref linkend="_518c8916-6dbd-4ea6-8431-5e3e5d962a89" /> Uit het beleid van verweerder volgt dat het rechtmatig verblijf van een vreemdeling ook kan worden beëindigd op grond van veelvuldig gepleegde lichte strafbare feiten, waarbij elk strafbaar feit op zich niet tot beëindiging zou kunnen leiden. Er wordt in dat geval rekening gehouden met de aard van de strafbare feiten, het aantal strafbare feiten en de veroorzaakte schade voor de samenleving.<footnote-ref linkend="_f417793d-443a-4008-8009-54cb91cce23e" /></para>
    <para />
    <para>8. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder aan verzoeker kunnen tegenwerpen dat zijn persoonlijke gedrag een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. </para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>8.1.</nr>
      <para>Verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat verzoeker een actuele en werkelijke en ernstige bedreiging vormt. Daarbij heeft verweerder mogen betrekken dat verzoeker sinds 2018 veelvuldig is veroordeeld voor strafbare feiten. Verzoeker is in totaal voor 13 misdrijven onherroepelijk veroordeeld, waarbij hij in totaal 10 maanden gevangenisstraf en een ISD-maatregel opgelegd heeft gekregen. Op 6 april 2023 heeft de meervoudige kamer van het Gerechtshof Arnhem beslist om de ISD-maategel voort te zetten, zodat eiser ten tijde van het bestreden besluit nog in de ISD-maatregel liep. Dit gegeven in combinatie met de hoogte en de aard van de straffen en het feit dat er sprake is van een groot aantal misdrijven maken er sprake is van een actuele dreiging van de openbare orde. Verzoekers stelling dat de ISD-maatregel primair bedoeld is om gedragsverandering bij eiser te bewerkstelligen, leidt niet tot een andere conclusie. Uit artikel 38m, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht volgt dat de ISD-maatregel strekt tot beveiliging van de maatschappij en de beëindiging van de recidive van de verdachte. Bovendien is niet gebleken van een positieve gedragsverandering bij verzoeker. Ook volgt uit vaste jurisprudentie dat als de vreemdeling geen negatief gedrag heeft vertoond in de penitentiaire inrichting dit niet betekent dat het in de vrije maatschappij ook zo zal zijn.<footnote-ref linkend="_8f7dbca2-9bd5-4365-a153-ba926e92a7be" /> Verder heeft verweerder in de persoonlijke omstandigheden van eiser geen aanleiding hoeven zien om het verblijf van verzoeker niet te beëindigen of hem niet ongewenst te verklaren. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat verzoeker geen vaste woon- en verblijfsplaats, geen familieleden en geen vaste werkkring heeft. De stelling van eiser dat hij in Nederland werk en een vaste woonplaats zoekt, maakt het voorgaande niet anders. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <para>9. In licht van het vorenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het bezwaar van verzoeker geen redelijke kans van slagen heeft. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom af.</para>
    <para />
    <para>10. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R.S. Ouertani, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_67c09b84-f11d-48cf-93d6-84ea1684647f" label="1">
    <para> Inrichting voor stelselmatige daders.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_518c8916-6dbd-4ea6-8431-5e3e5d962a89" label="2">
    <para> Artikel 8.22, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f417793d-443a-4008-8009-54cb91cce23e" label="3">
    <para> Paragraaf B10/2.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8f7dbca2-9bd5-4365-a153-ba926e92a7be" label="4">
    <para> Zie de uitspraak van de Afdeling van 14 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4591.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>