<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2024:23549</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-06-05T11:00:32</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-05-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-09-19</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">SGR 24/2026</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:23549">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:23549</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-06-05T10:00:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-06-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2024:23549 Rechtbank Den Haag , 19-09-2024 / SGR 24/2026</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2024:23549:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>proceskosten en griffierecht - kennelijk ongegrond - geen aanleiding voor een schadevergoeding - immateriële schadevergoeding - artikel 8:90 , tweede lid van de Awb - verzoek doorgezonden</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2024:23549:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: SGR 24/2026 </para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 september 2024 in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [eiser] , uit [woonplaats] , eiseres</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand, verweerder</title>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	Eiseres heeft tegen de beslissing op bezwaar van verweerder van 20 augustus 2015 (het bestreden besluit) beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Eiseres heeft op 17 juli 2024 per e-mail, het beroep ingetrokken en verzocht om vergoeding van de proceskosten en schadevergoeding. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, in samenhang met artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Proceskosten en griffierecht</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>2. Ingevolge artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb kan, in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 in de kosten worden veroordeeld.</para>
    <para />
    <para>3. Ingevolge het bepaalde in artikel 8:41, zevende lid, van de Awb wordt het door de indiener betaalde griffierecht aan hem vergoed door het bestuursorgaan indien het beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen.</para>
    <para />
    <para>4. De rechtbank overweegt het volgende. </para>
    <para />
    <para>5. De rechtbank stelt vast dat eiseres het beroep heeft ingetrokken omdat verweerder aan eiseres is tegemoetgekomen door de intrekking van de toevoegingen weer ongedaan te maken.  </para>
    <para />
    <para>6. Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt als kennelijk ongegrond afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding nu eiseres zelf het beroepschrift heeft ingediend en ook zelf de vervolgcorrespondentie met de rechtbank heeft uitgevoerd. Het is de rechtbank niet gebleken dat proceshandelingen zijn verricht door een derde, die beroepsmatig rechtsbijstand heeft verleend.<footnote-ref linkend="_c053b08a-08d4-44d0-87ab-b27ec60d4637" /> De rechtbank is ook niet gebleken van overige voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten die eiseres zelf heeft gemaakt.</para>
    <para />
    <para>7. De rechtbank wijst er op dat het in deze zaak betaalde griffierecht ten bedrage van </para>
    <para>€ 51,00 op de voet van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb door verweerder aan eiseres moet worden vergoed.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Schadevergoeding </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>8. Eiseres heeft verder verzocht om schadevergoeding. Voor een schadevergoeding ziet de rechtbank geen aanleiding. De rechtbank stelt voorop dat de bestuursrechter bevoegd is om op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade als gevolg van een onrechtmatig besluit. Echter, de door eiseres gestelde schade betreft proceskosten die zij heeft moeten maken. Het is niet mogelijk om via artikel 8:88 Awb aanvullende proceskosten vergoed te krijgen, omdat artikel 8:75 Awb een exclusief en limitatief kader biedt voor de vergoeding van proceskosten.</para>
    <para />
    <para>9. Voorzover het verzoek om schadevergoeding moet worden aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding vanwege geleden immateriële schade, overweegt de rechtbank dat het schadevergoedingsverzoek pas is ingediend nadat het beroep was ingetrokken. Van een verzoek dat is gedaan gedurende het beroep in de zin van artikel 8:91, eerste lid, van de Awb is dus geen sprake. Reeds om die reden zal het schadevergoedingsverzoek worden afgewezen. Gelet op het bepaalde in artikel 8:90, tweede lid, van de Awb zal dit verzoek worden doorgezonden naar verweerder.<footnote-ref linkend="_a676b60a-aaad-46de-8bd2-898437e6d20a" /></para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank bepaalt dat verweerder het in beroep betaalde griffierecht van € 51,- vergoedt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. R.S. Ouertani, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 september 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>Rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.  </para>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_c053b08a-08d4-44d0-87ab-b27ec60d4637" label="1">
    <para> Zie artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_a676b60a-aaad-46de-8bd2-898437e6d20a" label="2">
    <para> Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 9 januari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:84.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>