<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2024:23522</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-06-04T14:01:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-05-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-11-04</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">24/5505</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:23522">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:23522</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-06-04T11:31:25</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-06-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2024:23522 Rechtbank Den Haag , 04-11-2024 / 24/5505</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2024:23522:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verweerder mocht de paspoortaanvraag van eiser buiten behandeling stellen. Beroep ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2024:23522:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: SGR 24/5505 </para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 november 2024 in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [eiser] , uit [woonplaats] , eiser</title>
    <para>(gemachtigde: mr. C.F. Wassenaar),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder</title>
    <para>(gemachtigde: mr. I.S. IJserinkhuijsen).</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag om een Nederlands paspoort.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Verweerder heeft dit besluit (het primaire besluit) genomen op 1 december 2023. Met het bestreden besluit van 16 mei 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder daarbij gebleven.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 7 oktober 2024 op zitting behandeld. Beide gemachtigden hebben hieraan deelgenomen. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Waar gaat deze zaak over?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Eiser is op [datum] 1962 in Suriname geboren. Bij zijn geboorte verkreeg hij de Surinaamse nationaliteit. Eiser is bij beschikking van 13 december 1984 genaturaliseerd tot Nederlander en verloor daardoor van rechtswege de Surinaamse nationaliteit. Eiser herkreeg de Surinaamse nationaliteit vervolgens op 3 maart 2005 en was vanaf dat moment in het bezit van twee nationaliteiten.<footnote-ref linkend="_1689eca1-3bcb-4aa5-88ee-8a7568f11030" /> Zijn aanvraag om een Nederlands paspoort van 24 augustus 2023 is door verweerder niet in behandeling genomen, omdat hij de Nederlandse nationaliteit op 18 augustus 2016 heeft verloren.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat zijn de regels?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat vindt eiser in beroep?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Verweerder had de paspoortaanvraag in behandeling moeten nemen. In de eerste plaats omdat eiser het Nederlanderschap op grond van het evenredigheidsbeginsel<footnote-ref linkend="_4c929419-df63-4a12-a43f-f2ebfa334c29" /> heeft behouden. Zo heeft hij op 23 mei 2017 een uitnodiging ontvangen van de gemeente Den Haag om zich te laten registreren als kiezer woonachtig buiten Nederland. Hierin is ook vermeld dat eiser volgens de Basisregistratie Personen (BRP) de Nederlandse nationaliteit heeft. Hoewel deze brief strikt genomen geen verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap is,<footnote-ref linkend="_3d257049-dc7e-48eb-b3d0-d97c7607432d" /> brengt het evenredigheidsbeginsel<footnote-ref linkend="_4061868b-4469-45d0-8884-5a3f32abd957" /> met zich dat artikel 61, eerste lid, van het BVVN ruimer moet worden uitgelegd zodat de uitnodigingsbrief wel een verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap is, die de verliestermijn van het Nederlanderschap heeft gestuit. Verder vindt eiser dat zijn Nederlandse paspoort in het verleden ten onrechte is ingetrokken vanwege het bezit van twee nationaliteiten.<footnote-ref linkend="_131c4b86-7362-4448-be6e-4bf381d52b00" /></para>
    <para>In de tweede plaats heeft eiser het Nederlanderschap behouden op grond van het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel. Eiser wijst op dezelfde uitnodigingsbrief van de gemeente Den Haag en de onterechte intrekking van zijn Nederlandse paspoort. Hoewel een Unierechtelijke evenredigheidstoets in het geval van eiser alleen kan worden uitgevoerd bij een optieprocedure en eiser van plan is om ook deze procedure te starten, meent hij dat de rechtbank hierover toch in deze procedure kan oordelen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat is het oordeel van de rechtbank?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de paspoortaanvraag van eiser buiten behandeling mocht stellen. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>Elke Nederlander heeft recht op een nationaal paspoort.<footnote-ref linkend="_3c609282-f3a2-4734-a07f-78387afd6480" /> Een meerderjarige Nederlander die ook een andere nationaliteit bezit, verliest van rechtswege het Nederlanderschap als hij gedurende een ononderbroken periode van tien jaar hoofdverblijf heeft buiten het Koninkrijk en de EU.<footnote-ref linkend="_ffb3d6fd-97eb-4d47-b8da-217a562f99f6" /> Deze periode kan worden gestuit door de verstrekking van een Nederlands reisdocument of een verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap.<footnote-ref linkend="_e7f17f38-a922-4558-a0fd-fa677cd5ee70" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>Partijen zijn het erover eens dat aan eiser voor het laatst op 18 augustus 2006 een Nederlands paspoort is verstrekt en dat hij sindsdien een ononderbroken periode van tien jaar hoofdverblijf heeft gehad buiten het Koninkrijk en de EU. Het is de rechtbank niet gebleken dat aan eiser in deze periode een Nederlands reisdocument of een verklaring omtrent bezit van het Nederlanderschap is verstrekt waardoor de verliestermijn is gestuit. Dit betekent dat eiser op 18 augustus 2016 op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, van de RWN, het Nederlanderschap van rechtswege heeft verloren.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>Het betoog van eiser dat hij het Nederlanderschap vanwege de brief van de gemeente Den Haag van 23 mei 2017 en de eerdere onrechtmatige intrekking van zijn Nederlandse paspoort op grond van het evenredigheidsbeginsel zou hebben behouden, slaagt niet. Uit vaste rechtspraak volgt namelijk dat het Nederlanderschap niet kan worden verkregen en ook niet kan worden behouden door de werking van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.<footnote-ref linkend="_f2e594b3-08d9-44a1-a562-d4c1ba937c2d" /> Ook de recente jurisprudentie over de ruimere uitleg van het evenredigheidsbeginsel kan dit uitgangspunt niet opzij zetten. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>Ook het betoog van eiser dat het verlies van zijn Nederlanderschap in strijd is met het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel, slaagt niet. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat geen Unierechtelijke evenredigheidstoets meer wordt uitgevoerd bij paspoortaanvragen die zijn ingediend na 1 april 2022. Op die datum is namelijk het optierecht in het RWN opgenomen.<footnote-ref linkend="_c4e9d452-a054-4650-aec9-b1893fccee77" /> Daarmee is exclusief voorzien in een grondslag om in concrete gevallen aan het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel te toetsen. Het Nederlanderschap kan met terugwerkende kracht worden herkregen. De vraag of het verlies van het Nederlanderschap van eiser in strijd is met het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel kan in dit beroep daarom niet aan de orde komen.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>6.	Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder de paspoortaanvraag van eiser buiten behandeling mocht stellen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. E.K.S. Mollen, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.P. Lindhout, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 november 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. </para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>BIJLAGE</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Paspoortwet</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Artikel 9</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.  Iedere Nederlander heeft binnen de grenzen bij deze wet bepaald, recht op een nationaal paspoort, geldig voor tien jaren en voor alle landen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>(…)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Rijkswet op het Nederlanderschap</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Artikel 6 (in werking getreden op 1 april 2022)</title>
    <para />
    <para>1. Na het afleggen van een daartoe strekkende schriftelijke verklaring verkrijgt door een bevestiging als bedoeld in het derde lid het Nederlanderschap:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>(…)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>p.  de vreemdeling die het Nederlanderschap van rechtswege heeft verloren, indien met dat verlies het Unieburgerschap verloren ging en op dat moment redelijkerwijs voorzienbaar was dat dit tot onevenredige gevolgen uit het oogpunt van het Unierecht zou leiden. De herkrijging geschiedt met terugwerkende kracht tot en met het moment waarop het Nederlanderschap verloren ging. Het tweede lid is niet van toepassing;</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>(…)</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Artikel 15</title>
    <para />
    <para>1. Het Nederlanderschap gaat voor een meerderjarige verloren:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>(…)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>c.  indien hij tevens een vreemde nationaliteit bezit en tijdens zijn meerderjarigheid gedurende een ononderbroken periode van tien jaar in het bezit van beide nationaliteiten zijn hoofdverblijf heeft buiten Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten, en buiten de gebieden waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie van toepassing is, anders dan in een dienstverband met Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten dan wel met een internationaal orgaan waarin het Koninkrijk is vertegenwoordigd, of als echtgenoot van of als ongehuwde in een duurzame relatie samenlevend met een persoon in een zodanig dienstverband;</para>
    <para />
    <para>3. De periode bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt geacht niet te zijn onderbroken indien de betrokkene gedurende een periode korter dan één jaar zijn hoofdverblijf in Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten heeft, dan wel in de gebieden waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie van toepassing is.</para>
    <para />
    <para>4. De periode, bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt gestuit door de verstrekking van een verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap dan wel van een reisdocument, Nederlandse identiteitskaart of vervangende Nederlandse identiteitskaart in de zin van de Paspoortwet. Vanaf de dag der verstrekking begint een nieuwe periode van dertien jaren te lopen. Indien het Nederlanderschap is herkregen op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder p, begint de periode te lopen op de dag dat de optie is bevestigd.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>(…)</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Artikel 61</title>
    <para />
    <para>1. Als verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap, bedoeld in artikel 15, vierde lid van de Rijkswet en in artikel V, tweede lid van de Rijkswet van 21 december 2000, Stb. 618, tot wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap met betrekking tot de verkrijging, de verlening en het verlies van het Nederlanderschap, geldt:</para>
    <para />
    <para>a.  de onherroepelijke rechterlijke beschikking waarbij het Nederlanderschap is vastgesteld;</para>
    <para>b.  een uittreksel uit de basisadministratie, waaruit blijkt dat de betrokkene als Nederlander is aangemerkt; of</para>
    <para>c.  een verklaring afgegeven door Onze Minister van Buitenlandse Zaken, waaruit blijkt dat de betrokkene Nederlander is.</para>
    <para />
    <para>2. Een verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap wordt alleen op aanvraag van de betrokken persoon verstrekt.</para>
    <para />
    <para>3. De documenten genoemd onder b en c van het eerste lid dienen de woorden te bevatten: Verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap, en van een datum van verstrekking en een dienststempel te zijn voorzien.</para>
    <para />
    <para>4. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald welke andere documenten als verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap kunnen dienen.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_1689eca1-3bcb-4aa5-88ee-8a7568f11030" label="1">
    <para> Arrest van de Hoge Raad van 26 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1749.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4c929419-df63-4a12-a43f-f2ebfa334c29" label="2">
    <para> In de zin van artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3d257049-dc7e-48eb-b3d0-d97c7607432d" label="3">
    <para> Als bedoeld in artikel 61, eerste lid, van het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap (BVVN).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4061868b-4469-45d0-8884-5a3f32abd957" label="4">
    <para> Eiser wijst daarbij op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:852. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_131c4b86-7362-4448-be6e-4bf381d52b00" label="5">
    <para> Eiser verwijst in dit verband naar de annotatie van mr. H. de Boer bij het arrest van de Hoge Raad van 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:593.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3c609282-f3a2-4734-a07f-78387afd6480" label="6">
    <para> Artikel 9 van de Paspoortwet.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ffb3d6fd-97eb-4d47-b8da-217a562f99f6" label="7">
    <para> Op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN), zoals dat gold vanaf 1 april 2003.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e7f17f38-a922-4558-a0fd-fa677cd5ee70" label="8">
    <para> Op grond van artikel 15, vierde lid, van de RWN.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f2e594b3-08d9-44a1-a562-d4c1ba937c2d" label="9">
    <para> Arrest van de Hoge Raad van 25 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:331 in samenhang bezien met het arrest van de Hoge Raad van 27 maart 2015, ECLI:HR:2015:761.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c4e9d452-a054-4650-aec9-b1893fccee77" label="10">
    <para> Stcrt. 2022, 3503.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>