<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2024:23517</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-06-04T13:56:24</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-05-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-10-15</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">24/839</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:23517">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:23517</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-06-04T09:10:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-06-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2024:23517 Rechtbank Den Haag , 15-10-2024 / 24/839</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2024:23517:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Dwangsomverzoek. Verweerder heeft het besluit niet op de juiste wijze bekendgemaakt en is daarom een dwangsom verschuldigd. Beroep gegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2024:23517:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: SGR 24/839 </para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 oktober 2024 in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [eiser] , uit [woonplaats] , eiser</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Belastingdienst/Toeslagen, verweerder</title>
    <para>(gemachtigde: mr. H. Nieuwendijk).</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek om een dwangsom toe te kennen wegens het niet tijdig nemen van een besluit op zijn inzageverzoek.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Verweerder heeft dit besluit (het primaire besluit) op 18 augustus 2023 genomen. Met het bestreden besluit van 5 oktober 2023 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van het verzoek gebleven.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 17 september 2024 gelijktijdig met het beroep met kenmerk SGR 23/6704 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van verweerder, vergezeld door [naam] <emphasis role="italic">. </emphasis></para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Waar gaat deze zaak over?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. Eiser heeft verweerder op 22 september 2022 verzocht om inzage in zijn persoonsgegevens. Op 9 augustus 2023 heeft eiser een ingebrekestelling gestuurd omdat de termijn om te beslissen op dit verzoek was verstreken. Op 18 augustus 2023 heeft verweerder een beslissing genomen op de ingebrekestelling. Volgens verweerder is geen dwangsom verschuldigd, omdat op 18 augustus 2023 en dus binnen de termijn een besluit is genomen op het inzageverzoek van eiser.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Deze zaak gaat over de vraag of verweerder een dwangsom verschuldigd is aan eiser omdat niet op tijd is beslist op zijn inzageverzoek. De vraag die hierbij centraal staat, is wanneer het besluit op de ingebrekestelling aan eiser is bekendgemaakt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Eiser heeft verweerder bij brief van 8 september 2023 medegedeeld dat hij geen reactie op zijn ingebrekestelling heeft ontvangen. Bij e-mail van 15 september 2023 heeft verweerder eiser bericht dat zowel het besluit op de ingebrekestelling als het besluit op het inzageverzoek op 18 augustus 2023 per post aan eiser zijn verstuurd. Verweerder heeft daarop beide besluiten nogmaals per post en per e-mail naar eiser gestuurd. Het (nogmaals) per post toegezonden besluit heeft eiser op 16 september 2023 ontvangen. Bij e-mail van 22 september 2023 heeft eiser verweerder bericht dat hij de e-mail van 15 september 2023 beschouwt als het moment van bekendmaking van het primaire besluit. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <parablock>
        <para>Volgens verweerder heeft hij pas op 22 september 2023 ontdekt dat het originele besluit op het inzageverzoek van 18 augustus 2023 niet bij eiser is aangekomen. De postbezorger zag geen brievenbus bij de woning van eiser en daarop is de brief naar verweerder geretourneerd. Hoewel uit de dagstempel op de retourneerde brief blijkt dat deze op 25 augustus 2023 is ontvangen, is de brief niet direct bij de AVG-afdeling terechtgekomen. </para>
        <para>Volgens verweerder is het besluit op het inzageverzoek van eiser op de juiste wijze bekendgemaakt en is hij geen dwangsom verschuldigd. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wat vindt eiser in beroep?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>3. Verweerder is eiser een dwangsom verschuldigd, omdat niet op tijd is beslist op zijn inzageverzoek. Het is aan verweerder te wijten dat het originele besluit van 18 augustus 2023 eiser niet heeft bereikt. Eiser beschikt namelijk gewoon over maar liefst twee brievenbussen. Bovendien is door partijen steeds via de e-mail met elkaar gecorrespondeerd. Het lag dan ook op de weg van verweerder om het besluit ook meteen op deze wijze naar eiser te sturen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wat is het oordeel van de rechtbank?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het besluit van 18 augustus 2023 niet op de juiste wijze heeft bekendgemaakt. Verweerder is daarom een dwangsom verschuldigd aan eiser. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>De bekendmaking van een besluit dat tot een of meerdere belanghebbenden is gericht, gebeurt door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.<footnote-ref linkend="_44d77862-9a11-4172-acb4-c3e2d964ae2d" /> Toezending van het besluit hoeft niet aangetekend te gebeuren, maar als de ontvangst hiervan in dat geval wordt ontkend, is het in beginsel aan het bestuursorgaan om aannemelijk te maken dat het besluit wel op het adres van de geadresseerde is ontvangen.<footnote-ref linkend="_a329c14c-8823-4f25-9495-41ac8ecb4c93" /> Als niet aannemelijk wordt dat het besluit op het adres van de belanghebbende is ontvangen of aangeboden, en ook niet dat het besluit hem op een andere manier heeft bereikt, dan ligt het op de weg van het bestuursorgaan om aannemelijk te maken dat dit aan de belanghebbende is toe te rekenen.<footnote-ref linkend="_88effc3b-ee33-4251-9831-8ff1f0306720" /></para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Partijen zijn het erover eens dat het besluit op het inzageverzoek van eiser op 25 augustus 2023 aan verweerder is geretourneerd, omdat de postbezorger zegt dat hij geen brievenbus bij het woonadres van eiser zag. Daarmee staat vast dat eiser dit besluit niet heeft ontvangen. Verweerder heeft niet aannemelijk gemaakt dat het aan eiser kan worden toegerekend dat het besluit niet is bezorgd. De enkele verwijzing naar de sticker op geretourneerde brief waarop door de postbode een kruisje is aangevinkt met ‘geen brievenbus’ is daarvoor onvoldoende. Het had op de weg van verweerder gelegen om hier meer onderzoek naar te doen. Dit geldt te meer nu eiser heeft uitgelegd over twee brievenbussen te beschikken en verder nooit problemen te hebben met het ontvangen van fysieke post. De rechtbank weegt hierbij mee dat niet is gebleken dat fysieke post eiser op andere momenten niet bereikte. Zo heeft verweerder hem zonder problemen een herstelbrief van 15 september 2023 toegestuurd en ook in de beroepsprocedure met kenmerk SGR 23/6704 heeft fysieke post eiser gewoon bereikt. Dat eiser het besluit van 18 augustus 2023 niet heeft ontvangen, komt daarom voor rekening en risico van verweerder.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Het beroep is gegrond. De overige gronden van eiser hoeven daarom niet te worden besproken.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>5. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien door het primaire besluit te herroepen en te bepalen dat verweerder een dwangsom aan eiser moet betalen. De rechtbank bepaalt de ontvangstdatum van het besluit op het inzageverzoek van eiser op 15 september 2023, de datum waarop verweerder dit besluit per e-mail aan eiser heeft gestuurd. Verweerder heeft de ingebrekestelling van eiser ontvangen op 10 augustus 2023. Voor de berekening van de dwangsom moet daarom worden uitgegaan van de periode van 25 augustus 2023 tot 15 september 2023. De dwangsom die door verweerder aan eiser moet worden betaald bedraagt volgens deze berekening (14 x 23) + (7 x 35) = € 567,-.<footnote-ref linkend="_3758f537-cc29-4b25-917b-21ddfd0644a7" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>6. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd. De rechtbank voorziet zelf in de zaak door het primaire besluit te herroepen en te bepalen dat verweerder een dwangsom van € 567,- aan eiser moet toekennen. Verweerder moet ook het door eiser betaalde griffierecht te vergoeden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- verklaart het beroep gegrond;</para>
    <para>- vernietigt het bestreden besluit;</para>
    <para>- herroept het primaire besluit;</para>
    <para>- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit en stelt de door verweerder aan eiser te betalen dwangsom vast op € 567,-;</para>
    <para>- bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 187,- aan eiser vergoedt.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. E.K.S. Mollen, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.P. Lindhout, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. </para>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_44d77862-9a11-4172-acb4-c3e2d964ae2d" label="1">
    <para> Op grond van artikel 3:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a329c14c-8823-4f25-9495-41ac8ecb4c93" label="2">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (Raad) van 10 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3011.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_88effc3b-ee33-4251-9831-8ff1f0306720" label="3">
    <para> Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 15 december 2006, ECLI:HR:2006:AZ4416.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3758f537-cc29-4b25-917b-21ddfd0644a7" label="4">
    <para> Artikel 4:17, eerste, tweede en derde lid, van de Awb.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>