<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2024:23501</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-06-03T12:57:35</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-05-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-08-09</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">24/2472</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_ambtenarenrecht">Bestuursrecht; Ambtenarenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:23501">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:23501</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-06-03T10:57:59</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-06-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2024:23501 Rechtbank Den Haag , 09-08-2024 / 24/2472</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2024:23501:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verweerder mocht eiser ontslaan vanwege wangedrag. Beroep ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2024:23501:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: SGR 24/2472 </para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 augustus 2024 in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [eiser] , uit [woonplaats] , eiser</title>
    <para>(gemachtigde: mr. M.P.K. Ruperti),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de staatssecretaris van Defensie, verweerder </title>
    <para>(gemachtigde: mr. Z.E.M. van der Maas).</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van verweerder om hem te ontslaan wegens wangedrag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Verweerder heeft dit besluit op 5 juni 2023 (het primaire besluit) genomen. Met het bestreden besluit van 21 februari 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij dat besluit gebleven.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Eiser kan zich met het bestreden besluit niet verenigen en heeft hiertegen beroep ingesteld. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 29 juli 2024 op zitting behandeld. Partijen hebben te kennen gegeven hierbij niet aanwezig te zijn.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Waar gaat deze zaak over?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Eiser was bij besluit van 31 oktober 2017 per 23 oktober 2017 aangesteld als militair ambtenaar bij het beroepspersoneel van de krijgsmacht en bij besluit van 10 september 2021 geplaatst als Schutter Anti-Tank bij de D-compagnie van 17 Pantserinfanteriebataljon, onderdeel van de 13e Lichte Brigade van de Koninklijke Landmacht. Hij heeft deelgenomen aan de oefening Interflex in Engeland (hierna: de oefening), waarbij de krijgsmacht een actieve bijdrage leverde aan het versterken van de Oekraïense strijdkrachten om het eigen grondgebied te verdedigen. Op de avond van 22 mei 2023, tijdens de mid term break van deze oefening, heeft de wachtmeester van eiser gezien dat een directe collega van eiser in het bezit was van een zakje met harddrugs. De wachtmeester heeft toen iedereen uit het peloton van eiser opgeroepen om zich bij hem te melden indien diegene ook drugs had gebruikt. Eiser heeft zich toen vrijwillig bij zijn wachtmeester gemeld en is daarop direct gerepatrieerd naar Nederland. Omdat binnen Defensie sprake is van een zero-tolerance beleid ten aanzien van het gebruik van (hard)drugs heeft verweerder de gedraging van eiser gekwalificeerd als wangedrag en hem bij besluit van 1 juni 2023 met ingang van 25 mei 2023 geschorst. Uiteindelijk heeft verweerder eiser bij besluit van 5 juni 2023 per 12 juni 2023 ontslagen wegens wangedrag.<footnote-ref linkend="_12d8389f-c655-4aba-b32c-b6e21de45a5b" /></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat zijn de regels?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. De toepasselijke wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat vindt eiser in beroep?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Eiser kan zich niet verenigen met het ontslagbesluit. Zo staat het volgens hem niet vast dat hij die bewuste avond drugs heeft gebruikt. Hij stelt zelf ook zich niet meer te kunnen herinneren dat de substantie die hem werd opgedrongen daadwerkelijk cocaïne betrof, nu hij die avond onder invloed was alcohol. Bovendien is de strafzaak tegen eiser die betrekking heeft op hetzelfde feitencomplex door het Openbaar Ministerie (OM) geseponeerd wegens onvoldoende bewijs. Verweerder heeft door eiser op basis van diezelfde feiten te ontslaan gehandeld in strijd met de onschuldpresumptie. Verder wijst eiser erop dat door zijn wachtmeester de toezegging is gedaan dat een vrijwillige melding geen rechtspositionele maatregelen tot gevolg zou hebben. Dit blijkt eveneens uit Signal-berichten tussen de wachtmeester en zijn collega die op heterdaad is betrapt. Verweerder heeft dan ook in strijd met het vertrouwensbeginsel gehandeld door eiser alsnog te ontslaan. Daarbij is het binnen de eenheid van andere pelotons bekend dat daartoe behorende militairen die bewuste avond eveneens drugs hebben gebruikt. Desondanks wordt tegen deze militairen niet (rechtspositioneel) opgetreden. Verweerder heeft ten onrechte nagelaten hier een nader onderzoek naar in te stellen. Gelet daarop heeft verweerder in strijd gehandeld met het gelijkheidsbeginsel. Verder stelt eiser dat hij ten tijde van het incident relatief jong was, hij verder een uitstekende staat van dienst heeft en het gaat om een eenmalige overtreding van het drugsbeleid. Bovendien is dit drugsbeleid achterhaald en wordt momenteel door Defensie gewerkt aan een versoepeling hiervan. Voorts heeft verweerder niet kunnen uitleggen waarom in dit geval niet met een minder vergaande maatregel dan ontslag kon worden volstaan. Verweerder heeft zich onvoldoende rekenschap gegeven van deze omstandigheden en daarmee gehandeld in strijd met het evenredigheidsbeginsel.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat is het oordeel van de rechtbank?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat de hoogste bestuursrechter ten aanzien van disciplinaire straffen als toetsingsmaatstaf hanteert dat de bestuursrechter in ambtenarenzaken, die een besluit tot oplegging van een disciplinaire straf moet beoordelen, dient vast te stellen of de betrokken ambtenaar zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. De overtuiging dat sprake is van plichtsverzuim zal de rechter moeten toetsen aan deugdelijk vastgestelde gegevens die het bestuursorgaan ter beschikking hebben gestaan bij het nemen van het strafbesluit.<footnote-ref linkend="_adcfaf57-0c7d-4b4b-bccd-ffcbff02f5a7" /> Ook dient het plichtsverzuim de ambtenaar zijn toe te rekenen en dient de opgelegde straf evenredig te zijn aan de ernst van het gepleegde plichtsverzuim. Het voorgaande geldt niet alleen voor plichtsverzuim maar ook voor wangedrag.<footnote-ref linkend="_891a269c-83ac-48d1-aafd-16d63f3d4c28" /> Een ontslag op grond van wangedrag met alle gevolgen van dien is een zodanig zware maatregel dat daartoe slechts kan worden overgegaan, als de feiten, die aan het ontslag ten grondslag worden gelegd, niet voor gerede twijfel vatbaar zijn.<footnote-ref linkend="_f6c23c37-8e46-4500-8465-83b75d5b4bd1" /> Bij de vraag of het wangedrag is aan te merken als toerekenbaar wangedrag is volgens vaste rechtspraak van belang of de ambtenaar de ontoelaatbaarheid van het verweten gedrag heeft kunnen inzien en overeenkomstig dat inzicht heeft kunnen handelen.<footnote-ref linkend="_5c7bd695-8e6a-426d-b028-a2ca3875a70e" /> Het ligt op de weg van de ambtenaar om aannemelijk te maken dat het wangedrag hem niet kan worden toegerekend.<footnote-ref linkend="_c2f3ca82-a7ee-4d44-9b41-b6bab2c8ff02" /></para>
    <para />
    <para>6. Defensie voert een zero-tolerance beleid met betrekking tot (hard)drugs. Dat zeer stringente beleid in neergelegd in de Aanwijzing A/925 van 28 maart 2007, waarmee het beleid zoals eerder verwoord in de brief van de staatssecretaris van 16 april 1997 is neergelegd om harmonisering van de uitvoeringspraktijk ten goede te komen. In dat beleid staat dat het gebruik of aanwezig hebben van drugs, om welke reden dan ook, door militairen niet wordt getolereerd. Als hoofdregel geldt dan ook dat de militair die zich op enigerlei wijze inlaat met (hard)drugs, voor ontslag wordt voorgedragen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Is er sprake van wangedrag?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>7. Verweerder heeft aan de verweten gedraging de eigen verklaringen van eiser ten grondslag gelegd. Zo heeft eiser zich vrijwillig bij zijn wachtmeester gemeld en daarbij toegegeven drugs te hebben gebruikt. Hij heeft daarbij verklaard dat hij de drugs in zijn lichaam heeft gehad. Verder heeft na zijn repatriëring naar Nederland op 25 mei 2023 in het kader van een feitenonderzoek een hoorzitting plaatsgevonden waarbij de commandant van eiser aanwezig was. Blijkens het verslag van deze hoorzitting heeft eiser verklaard dat hij in een stomdronken toestand op het toilet van een horecagelegenheid van een Engelsman een substantie via een puntje van een sleutel kreeg aangeboden. Eiser heeft dat vervolgens gepakt en ingenomen omdat hij dacht dat het zou helpen met nuchter worden. Voordat hij er goed over had nagedacht zat de betreffende substantie al in zijn neus en ervaarde hij daarbij een branderig gevoel. Eiser had daarna vreselijke spijt en heeft nog geprobeerd om de substantie uit te snuiten. Toen de commandant vervolgens vroeg wat voor drugs het betrof, antwoordde eiser dat het waarschijnlijk om cocaïne ging. Omdat hij nog nooit eerder drugs had gebruikt wist hij het niet zeker, maar hij heeft wel gesteld dat in ieder geval ervan kan worden uitgegaan dat het drugs betrof. Eiser heeft aangegeven zich vrijwillig bij het kader te hebben gemeld omdat het drugsgebruik anders bij een test naar voren zou komen. Eiser heeft te kennen gegeven bekend te zijn met het zero-tolerance beleid van Defensie met betrekking tot (hard)drugs, dat hij een dure fout heeft gemaakt en hij daar nu voor op de blaren moet gaan zitten. Verder heeft hij tijdens de hoorzitting aangegeven dat hij ‘niet schijnheilig in Engeland wilde blijven zitten en andere gasten de klappen op te laten vangen’.</para>
    <para />
    <para>8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder uit het voorgaande mogen afleiden dat buiten gerede twijfel is komen vast te staan dat eiser zich op de avond van 22 mei 2023 schuldig heeft gemaakt aan het gebruik van harddrugs. Verweerder heeft in dat verband terecht gesteld dat in het bestuursrecht een lichtere bewijsmaatstaf geldt dan in het strafrecht en, zoals onder rechtsoverweging 4 al is gesteld, daarvoor voldoende is dat de betreffende gedraging is gebaseerd op deugdelijk vastgestelde gegevens. Aan het betoog van eiser dat het niet vast staat dat hij die avond drugs heeft gebruikt, hoefde verweerder daarom geen betekenis toe te kennen. Ditzelfde geldt voor de omstandigheid dat het OM de strafrechtelijke procedure tegen eiser wegens onvoldoende bewijs heeft geseponeerd. Daar komt nog bij dat eiser de sepotbeslissing van het OM niet heeft overlegd en daardoor onduidelijk is op grond van welke verdenking deze is gebaseerd. Gelet daarop is door eiser niet aannemelijk gemaakt dat verweerder in strijd heeft gehandeld met de onschuldpresumptie door eiser op basis van dezelfde feiten te ontslaan. Dat eiser door zijn dronken toestand die avond niet meer weet of hij daadwerkelijk drugs heeft gebruikt, dient voor zijn eigen rekening te komen. Afgezien daarvan is deze verklaring niet in overeenstemming met zijn eerdere (bekennende) verklaringen aan zijn wachtmeester en commandant. Deze verklaringen zijn steeds consistent geweest en door eiser wordt ook niet betwist dat hij deze heeft afgelegd. Verweerder heeft dan ook geen aanleiding hoeven zien om aan zijn gewijzigde standpunt een groter gewicht toe te kennen dan aan zijn eerdere verklaringen op dit punt. De stelling van eiser dat de substantie hem opgedrongen zou zijn heeft verweerder evenmin geloofwaardig hoeven achten, nu hij in een verklaring tijdens de hoorzitting voorafgaand aan zijn ontslag nog heeft gesteld dat hij dacht dat de substantie hem zou helpen om nuchter te worden en hij achteraf spijt had dat hij dit had gedaan. </para>
    <para />
    <para>9. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat militairen een bijzondere positie vervullen en moeten voldoen aan zeer hoge eisen wat betreft verantwoordelijkheid, professioneel gedrag en het geven van het goede voorbeeld. Daarbij staat in de Gedragsregels van Defensie duidelijk dat het zowel in privé- als onder werktijd niet is toegestaan om drugs te gebruiken, in bezit te hebben of te verhandelen. Het is een feit van algemene bekendheid dat het gebruik, het bezit en de handel in drugs nauw samenhangen met vormen van georganiseerde criminaliteit. Bovendien wordt met het zero-tolerance beleid eveneens de veiligheid van andere collega’s binnen Defensie gewaarborgd. Eiser heeft deze uitgangspunten met zijn gedraging terzijde geschoven en daarmee het vertrouwen in hem ernstig beschaamd. Gelet hierop heeft verweerder deze gedraging van eiser terecht aangemerkt als wangedrag.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Toerekenbaarheid</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>10. Door eiser zijn geen bijzondere omstandigheden naar voren gebracht die maken dat hij de ontoelaatbaarheid van het verweten gedrag niet heeft kunnen inzien en overeenkomstig dat inzicht heeft kunnen handelen. Net als verweerder gaat de rechtbank er dan ook vanuit dat de gedraging toerekenbaar is aan eiser.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Vertrouwensbeginsel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>11. Ten aanzien van het beroep van eiser op het vertrouwensbeginsel overweegt de rechtbank als volgt. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is volgens vaste rechtspraak vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van het bestuursorgaan toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of, en zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen.<footnote-ref linkend="_c8482675-a03e-41fc-bcd8-c2f2b54c9234" /></para>
    <para />
    <para>12. Naar het oordeel van de rechtbank kan eiser in dit geval geen geslaagd beroep doen op het vertrouwensbeginsel. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat aan eiser nooit de expliciete toezegging is gedaan dat er geen rechtspositionele maatregelen jegens hem zouden worden genomen. De oproep van de wachtmeester aan de militairen binnen het peloton van eiser om een vrijwillige melding te doen omdat anders consequenties zouden volgen, kan niet als zodanig worden gekwalificeerd. Dit sluit immers niet uit dat ook ten aanzien van degenen die zich op basis van die oproep vrijwillig bij de wachtmeester hebben gemeld, maatregelen zouden kunnen worden getroffen. De door eiser ingebrachte chatberichten op Signal kunnen evenmin worden gezien als een expliciete toezegging. Hieruit blijkt dat de wachtmeester aan de collega van eiser die op de bewuste avond op heterdaad betrapt is, heeft gezegd dat het voorval mogelijk discreet binnen het peloton of grootschalig kon worden opgelost. Zoals verweerder terecht heeft gesteld is dat bericht op meerdere wijzen te interpreteren en kan hieruit niet worden afgeleid dat jegens eiser geen rechtspositionele maatregelen zouden worden getroffen<emphasis role="italic">.</emphasis></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Gelijkheidsbeginsel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>13. Ten aanzien van het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel overweegt de rechtbank als volgt. Het gelijkheidsbeginsel verlangt volgens vaste jurisprudentie dat vergelijkbare situaties niet verschillend en verschillende situaties niet gelijk worden behandeld, tenzij een dergelijke behandeling objectief gerechtvaardigd is.<footnote-ref linkend="_97e5b016-b773-4060-a5cb-f477cfd33769" /></para>
    <para />
    <para>14. Naar het oordeel van de rechtbank kan het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel in dit geval niet slagen. Zo heeft verweerder erop gewezen dat de compagniescommandant destijds wel degelijk aangifte heeft gedaan van het drugsgebruik onder militairen op de avond van het voorval, maar dat zowel de KMar als het OM om redenen van opportuniteit hebben besloten om geen verder onderzoek in te stellen. Verder heeft verweerder gesteld dat de waarnemend compagniescommandant die op de oefening aanwezig was zelf ook een onderzoek naar het voorval heeft verricht, maar dat hier geen verdere informatie is uitgekomen. Voorts heeft verweerder nog toegelicht onderzoek te hebben gedaan naar aanleiding van de verklaring van eiser tijdens de hoorzitting in de bezwaarfase dat de commandant van het verkennerspeloton zijn ondergeschikten in bescherming zou hebben genomen, maar dat navraag hiernaar bij deze commandant niets concreets heeft opgeleverd. Het voorgaande wordt door eiser niet betwist. De rechtbank stelt dan ook vast dat wel degelijk een onderzoek is verricht naar het drugsgebruik van militairen binnen andere pelotons en in zoverre dan ook geen sprake is van gelijke gevallen die ongelijk zijn behandeld. Daarbij heeft eiser er zelf voor gekozen om geen namen te noemen van militairen die ook drugs hebben gebruikt, hetgeen de mogelijkheden voor het verrichten van nader onderzoek door verweerder heeft beperkt. Daar komt bij dat eiser in zoverre van andere militairen verschilt dat hij bekend heeft drugs te hebben gebruikt. Verweerder heeft ook andere militairen ontslagen die zich vrijwillig bij de wachtmeester hebben gemeld en geeft daarmee blijk van een consistente handelswijze. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Evenredigheidsbeginsel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>15. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, gelet op de aard en de ernst van het verweten gedrag, het ontslag niet onevenredig hoeven achten ten opzichte van de voor eiser nadelige gevolgen daarvan. Verweerder heeft groot gewicht kunnen toekennen aan de omstandigheid dat eiser met zijn handelswijze het vertrouwen dat verweerder in hem als integere en betrouwbare militair moet kunnen stellen in ernstige mate heeft geschaad. De rechtbank volgt verweerder in de redenering dat het gebruik en bezit van drugs door een militair vanuit het oogpunt van veiligheid volstrekt ontoelaatbaar is en eveneens negatieve effecten heeft op de geloofwaardigheid en integriteit van de krijgsmacht als geheel. Zoals onder rechtsoverweging 6 al is gesteld, heeft verweerder eveneens mogen meewegen dat het een feit is van algemene bekendheid dat het gebruik, het bezit en de handel in drugs nauw samenhangen met vormen van georganiseerde criminaliteit en eveneens schadelijk kan zijn voor de veiligheid van collega’s binnen Defensie. Verder heeft verweerder een zwaarwegend belang mogen toekennen aan het feit dat het voorval plaatsvond ten tijde van een oefening in internationaal verband om de Oekraïense strijdkrachten te versterken. Met een minder vergaande maatregel als het instellen van een ambtsbericht had gelet op het voorgaande niet kunnen worden volstaan. Dat eiser ten tijde van het incident relatief jong was, hij verder een uitstekende staat van dienst heeft en het gaat om een eenmalige overtreding van het drugsbeleid heeft verweerder niet zwaarder hoeven laten wegen dan het organisatiebelang van Defensie. Verder heeft verweerder ten aanzien van het drugsbeleid aangegeven dat deze inderdaad wordt geëvalueerd maar het niet de verwachting is dat dit zal leiden tot een andere benadering ten opzichte van harddrugs. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de juistheid hiervan te twijfelen. </para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>16.	Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het ontslag in stand blijft. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.P. Lindhout, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 augustus 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.  </para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>BIJLAGE</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Algemeen militair ambtenarenreglement</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>(…)</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Artikel 39</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>(…)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Aan de militair kan verder uitsluitend ontslag worden verleend:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>(…)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>l.  wegens wangedrag in de dienst, dan wel buiten de dienst voor zover dit gedrag schadelijk is of kan zijn voor zijn dienstvervulling of niet in overeenstemming is met het aanzien van zijn ambt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>(…)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_12d8389f-c655-4aba-b32c-b6e21de45a5b" label="1">
    <para> Op grond van artikel 39, twee lid en onder l, van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_adcfaf57-0c7d-4b4b-bccd-ffcbff02f5a7" label="2">
    <para> Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (Raad) van 15 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT1997.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_891a269c-83ac-48d1-aafd-16d63f3d4c28" label="3">
    <para> Zie de uitspraak van de Raad van 29 april 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM6967.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f6c23c37-8e46-4500-8465-83b75d5b4bd1" label="4">
    <para> Zie de uitspraak van de Raad van 22 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:921.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5c7bd695-8e6a-426d-b028-a2ca3875a70e" label="5">
    <para> Zie de uitspraak van de Raad van 20 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:389.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c2f3ca82-a7ee-4d44-9b41-b6bab2c8ff02" label="6">
    <para> Zie de uitspraak van de Raad van 3 december 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:3053.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c8482675-a03e-41fc-bcd8-c2f2b54c9234" label="7">
    <para> Zie onder meer de uitspraak van de Raad van 29 november 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2255.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_97e5b016-b773-4060-a5cb-f477cfd33769" label="8">
    <para> Zie onder meer de uitspraak van het College van beroep voor het bedrijfsleven van 13 september 2012, ECLI:NL:CBB:20212:BY0430.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>