<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2024:23481</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-06-02T10:26:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-05-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-09-06</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">24/1026</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_ambtenarenrecht">Bestuursrecht; Ambtenarenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:23481">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:23481</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-06-02T10:18:59</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-06-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2024:23481 Rechtbank Den Haag , 06-09-2024 / 24/1026</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2024:23481:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verweerder heeft op goede gronden besloten om de ingangsdatum van de bijzondere invaliditeitsverhoging op 1 januari 2023 vast te stellen. Beroep ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2024:23481:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: SGR 24/1026 </para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 september 2024 in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [eiser] , uit [woonplaats] , eiser</title>
    <para>(gemachtigde: mr. P. de Casparis),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de staatssecretaris van Defensie, verweerder </title>
    <para>(gemachtigde: mr. H.A.L. Knoben).</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de vaststelling van de ingangsdatum van zijn bijzondere invaliditeitsverhoging.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Op 6 april 2023 heeft verweerder eiser met ingang van 1 januari 2023 zowel een militair invaliditeitspensioen als een bijzondere invaliditeitsverhoging toegekend (het primaire besluit). Met het bestreden besluit van 19 december 2023 heeft verweerder het tegen dat primaire besluit gerichte bezwaar van eiser gedeeltelijk gegrond verklaard en zowel het militair invaliditeitspensioen als de bijzondere invaliditeitsverhoging vastgesteld op een hoger bedrag.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Eiser kan zich niet verenigen met de ingangsdatum van de bijzondere invaliditeitsverhoging en heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft hierop gereageerd met een verweerschrift. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 6 mei 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder<emphasis role="italic">. </emphasis></para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Waar gaat deze zaak over?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.	Eiser, sergeant der eerste klasse, is aangesteld geweest als militair bij het beroepspersoneel (FPS fase 2) van het Commando Landstrijdkrachten van 16 september 2002 tot 1 januari 2023. Hij is onder meer in 2009 uitgezonden geweest naar Afghanistan. Hij is daar bij een raketinslag in Uruzgan op 6 april 2009 gewond geraakt aan zijn buik en gezicht. Op 10 februari 2010 is omtrent eiser een rapportage ten behoeve van de arbodienst uitgebracht.<footnote-ref linkend="_7dacbae7-54d7-42ca-be37-b8340752a6e6" /> Eiser is geneeskundig onderzocht in verband met de vraag of hij nog als dienstgeschikt is te beschouwen. De bedrijfsarts heeft geconcludeerd dat eiser voldoet aan de militaire medische basiseisen en geschikt is voor alle conform rang en ervaring in aanmerking komende functies. Bij besluit van 17 februari 2020 is dit incident aangemerkt als dienstongeval. In het kader van eisers aanvraag om toekenning van een militair invaliditeitspensioen heeft een militair geneeskundig onderzoek (MGO) plaatsgevonden waarvan op 18 januari 2023 een rapport is uitgebracht. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Bij het primaire besluit heeft verweerder eiser een militair invaliditeitspensioen toegekend met ingang van 1 januari 2023, berekend naar een mate van invaliditeit van in totaal 45%. Dit in verband met vijf aandoeningen, waarvoor oorzakelijk dienstverband wordt aangenomen. Er is sprake van een medische eindtoestand. Eiser heeft recht op een bijzondere invaliditeitsverhoging van 10%.<footnote-ref linkend="_c5f418cc-9696-4575-871c-57efd6473224" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Bij het bestreden besluit is de totale mate van invaliditeit nader vastgesteld op 55% en de bijzondere invaliditeitsverhoging op 15%. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wat zijn de regels?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>3. De toepasselijke regels zijn opgenomen in de bijlage bij de uitspraak.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wat vindt eiser in beroep?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>4. Eiser kan zich niet verenigen met de vaststelling van de ingangsdatum van de bijzondere invaliditeitsverhoging. Als gevolg van het dienstongeval is de milt van eiser verwijderd en volgens het Militair keuringsreglement betreft dat een gebrek dat leidt tot ongeschiktheid voor de militaire dienst.<footnote-ref linkend="_7242d8fe-bd75-4bf1-aac2-880bf4807c14" /> De conclusie van het MGO van 2010 dat eiser als medisch geschikt voor de militaire dienst moest worden beschouwd, is dan ook onjuist. Eiser is desondanks militair gebleven en is daarmee feitelijk als zodanig gehandhaafd nu eiser op dat moment ontslagen had kunnen worden omdat hij niet meer inzetbaar was als militair.<footnote-ref linkend="_07895fd2-24f6-4b13-8e7d-245876aeb515" /> Volgens eiser moet de ingangsdatum van de bijzondere invaliditeitsverhoging daarom worden vastgesteld op 6 april 2011. Dit is exact twee jaar na het plaatsvinden van het dienstongeval en daarmee het moment dat hij wegens ziekte had kunnen worden ontslagen. Verder is er volgens eiser sprake van een bijzonder geval omdat hij door de onjuiste conclusie uit het geneeskundig rapport op het verkeerde been is gezet. Daarbij wijst eiser erop dat het doel van de bijzondere invaliditeitsverhoging erin is gelegen om te voorzien in vergoeding van de immateriële schade.<footnote-ref linkend="_51da3541-7e52-410f-8eb3-97228dc9a415" /> Deze schade is bij eiser ontstaan direct na het plaatsvinden van het dienstongeval. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wat is het oordeel van de rechtbank?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>5. In beroep staan de bij het bestreden besluit vastgestelde mate van invaliditeit en de bijzondere invaliditeitsverhoging niet meer ter discussie, eiser is het daarmee eens. In beroep gaat het om de vraag of verweerder de ingangsdatum van de bijzondere invaliditeitsverhoging heeft kunnen vaststellen op 1 januari 2023.</para>
      <para />
      <para>6. Bij de beoordeling van deze vraag stelt de rechtbank voorop dat uit artikel 15, tweede lid, van het Besluit AO/IV volgt dat pensioenen, pensioenverhogingen en toelagen ingaan op de dag waarop het recht daarop ontstaat. Eiser is met ingang van 1 januari 2023 ontslagen uit militaire dienst en had dus in beginsel vanaf dat moment recht op een militair invaliditeitspensioen en de bijzondere invaliditeitsverhoging.<footnote-ref linkend="_357c132b-bf40-42de-8978-db4a707f9557" /></para>
      <para />
      <para>7. De rechtbank ziet in het geval van eiser geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken en de ingangsdatum van de bijzondere invaliditeitsverhoging vast te stellen op </para>
      <para>6 april 2011. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat uit de conclusies van het MGO van 10 februari 2010 blijkt dat eiser destijds geschikt is bevonden voor de militaire dienst. Het betoog van eiser dat deze conclusie door het gemis van zijn milt evident onjuist is, wordt door de rechtbank niet gevolgd. Zoals verweerder terecht heeft gesteld wordt een militair ongeschikt geacht als hij niet aan bijzondere eisen voldoet, tenzij moet worden verwacht, dat het niet voldoen aan die eisen, hem niet zal verhinderen die dienst naar behoren te verrichten zonder zijn gezondheid of die van anderen te schaden<footnote-ref linkend="_c6efee01-5d0c-4cd9-a8d4-a2e838dab108" />. Gelet op het MGO moet er van uit worden gegaan dat eiser ondanks het gemis van zijn milt wel in staat was de dienst naar behoren te verrichten. Er is dan ook niet gebleken dat eiser twee jaar na zijn eerste ziektedag wegens ziekte had kunnen worden ontslagen. Gelet hierop kan ook van een de facto handhaving van eiser als militair geen sprake zijn.</para>
      <para />
      <para>8. Indien eiser het niet eens was met de conclusie uit het geneeskundig rapport, had het op zijn weg gelegen om deze tijdig te betwisten. Zoals verweerder stelt was het gelet op artikel 104, eerste lid, van het AMAR  voor eiser mogelijk om na het uitbrengen van het geneeskundig rapport zijn bedenkingen hierover kenbaar te maken. De aangevoerde bedenkingen hadden er dan eventueel toe kunnen leiden dat een hernieuwd onderzoek zou worden ingesteld. Eiser heeft dit echter nagelaten en daarmee moet op dit moment worden uitgegaan van de conclusie uit het MGO dat hij destijds geschikt is bevonden voor de militaire dienst. </para>
      <para />
      <para>9. Bijzondere feiten of omstandigheden op grond waarvan verweerder de hardheidsclausule had moeten toepassen, zijn niet door eiser gesteld. Dat hij door de door het rapport van 10 februari 2010 op het verkeerde been zou zijn gezet kan, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen onder rechtsoverweging 7, niet als zodanig worden gekwalificeerd. Ditzelfde geldt voor de stelling dat het doel van de bijzondere invaliditeitsverhoging met name zou zijn gelegen in het compenseren van geleden immateriële schade.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>10.	Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Beslissing</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. van der Waals, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.P. Lindhout, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 september 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.  </para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>BIJLAGE</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Algemeen militair ambtenarenreglement</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Artikel 99</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De militair in werkelijke dienst, van wie door zijn commandant op goede gronden wordt verondersteld dat zijn lichamelijke of geestelijke gesteldheid een beletsel vormt om naar behoren dienst te verrichten, kan, op verzoek van zijn commandant, worden onderworpen aan een geneeskundig of tandheelkundig onderzoek door of vanwege de voor hem aangewezen militair geneeskundige dienst.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Artikel 104</title>
    <para />
    <para>1. De militair die zich niet kan verenigen met de in artikel 103 bedoelde uitslag, kan, indien het een onderzoek als bedoeld in artikel 93, tweede lid, of artikel 95, betreft, binnen drie maal vierentwintig uren en, zo het een onderzoek als bedoeld in de artikelen 97, 98 en 99 betreft, binnen zes weken, nadat de uitslag te zijner kennis is gebracht, schriftelijk onder opgave van de redenen daartegen zijn bedenkingen kenbaar maken bij de commandant operationeel commando. Het indienen van de bedenkingen heeft geen schorsende werking.</para>
    <para />
    <para>2. Behalve indien de commandant operationeel commando, na overleg met de betrokken militair geneeskundige dienst, de bedenkingen van de militair reeds aanstonds voldoende gegrond acht, wordt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes weken na ontvangst van het bezwaarschrift, een hernieuwd geneeskundig of tandheelkundig onderzoek ingesteld.</para>
    <para />
    <para>3. Het hernieuwd onderzoek geschiedt door een (of meer) daartoe door de inspecteur van de betrokken militair geneeskundige dienst aangewezen deskundige(n) die niet aan het voorafgaande onderzoek heeft (hebben) deelgenomen. De uitslag van het hernieuwd onderzoek wordt de militair zo spoedig mogelijk schriftelijk ter kennis gebracht.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Besluit aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorzieningen militairen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Artikel 1</title>
    <parablock>
      <para>(…)</para>
      <para>3.     Voor de toepassing van dit besluit wordt onder invaliditeit met dienstverband verstaan: een invaliditeit van tenminste 10% tengevolge van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>a:     verwonding, ziekten of gebreken, welke zijn veroorzaakt door de uitoefening van de militaire dienst in geval van buitengewone of daarmee vergelijkbare omstandigheden;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>b:     ziekten of gebreken, welke het gevolg zijn van verrichtingen of vermoeienissen aan de uitoefening van de militaire dienst in geval van buitengewone of daarmee vergelijkbare omstandigheden verbonden, dan wel welke tot uiting zijn gekomen onder overwegende invloed van die verrichtingen of vermoeienissen; of</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>c:     ziekten of gebreken, welke zijn ontstaan, tot uiting zijn gekomen of verergerd mede door inwerking van bijzondere, zeer nadelige invloeden, waaraan de beroepsmilitair in verband met de uitoefening van de militaire dienst in geval van buitengewone of daarmee vergelijkbare omstandigheden is blootgesteld geweest;</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Artikel 7</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.    De beroepsmilitair bij wie een bepaalde mate van invaliditeit met dienstverband is vastgesteld heeft uit hoofde van zijn ontslag uit de militaire betrekking waarin die invaliditeit is ontstaan recht op een invaliditeitspensioen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Artikel 8</title>
    <para />
    <para>1. De beroepsmilitair met een recht op invaliditeitspensioen wiens ontslag heeft plaatsgevonden op of na 1 juli 2007 heeft recht op een bijzondere invaliditeitsverhoging van:</para>
    <para>(…)</para>
    <para>f.    15 procent van die berekeningsgrondslag indien de mate van invaliditeit ten minste 50 maar minder dan 60 procent bedraagt,</para>
    <para />
    <para>g.   10 procent van die berekeningsgrondslag indien de mate van invaliditeit ten minste 40 maar minder dan 50 procent bedraagt,</para>
    <para>(…)</para>
    <para>6. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de beroepsmilitair die ondanks ongeschiktheid in militaire dienst wordt gehandhaafd. De bijzondere invaliditeitsverhoging wordt in dat geval, vanaf het moment dat tot handhaving wordt besloten, vastgesteld aan de hand van het pensioengevend inkomen dat over enige betalingstermijn wordt genoten.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Artikel 15</title>
    <para />
    <para>1. De pensioenen, pensioenverhogingen en toelagen worden toegekend op aanvraag van de belanghebbende en worden op een jaarbedrag vastgesteld.</para>
    <para />
    <para>2. De pensioenen, pensioenverhogingen en toelagen gaan in op de dag waarop het recht daarop ontstaat.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Artikel 22</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Onze Minister is bevoegd om in bijzondere gevallen, waarin de toepassing van dit besluit tot een naar zijn oordeel onredelijke uitkomst leidt, ten gunste van de belanghebbende een beslissing te nemen die met de strekking van dit besluit overeenkomt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Militair keuringsreglement</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Artikel 1</title>
    <para />
    <para>1. De geschiktheid of ongeschiktheid voor de militaire dienst in verband met ziekten of gebreken wordt onderzocht en beoordeeld naar de bepalingen van dit besluit.</para>
    <para />
    <para>2. Zij, die bij het geneeskundige onderzoek niet ongeschikt worden bevonden, worden geacht geschikt te zijn.</para>
    <para />
    <para>3. Zij, die de vereiste geschiktheid missen, doch te wier aanzien een heelkundige kunstbewerking uitzicht zou geven op het verkrijgen of herkrijgen van de geschiktheid, worden ongeschikt geacht, indien zij er niet in toestemmen die kunstbewerking te ondergaan.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Artikel 3</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.     Voor de toepassing van dit besluit worden de te onderzoeken personen onderscheiden in twee groepen, te weten:</para>
      <para>groep A: ingeschrevenen voor de dienstplicht en dienstplichtigen;</para>
      <para>groep B: zij, die krachtens een vrijwillige verbintenis of een benoeming bij de krijgsmacht dienen of wensen te dienen, daaronder begrepen zij, die een verbintenis hebben aangegaan als bedoeld in artikel 3, vierde lid, van de Dienstplichtwet, en zij, die een zodanige verbintenis wensen aan te gaan.</para>
      <para>….</para>
    </parablock>
  </section>
  <section>
    <title>Artikel 8</title>
    <parablock>
      <para>1.     Personen van groep B, wier dienstverband tot doorlopende werkelijke dienst verplicht, worden, ongeacht of zij al of niet reeds in werkelijke dienst zijn of zijn geweest, ongeschikt geacht voor de dienst bij het korps, het wapen, de dienstgroep, het dienstvak - of onderdeel daarvan - of dergelijke, waarvoor zij zich hebben verbonden of waarbij zij zijn benoemd, indien zij een afwijking hebben, welke moet worden geoordeeld ongeneeslijk te zijn of waarvan de genezing vruchteloos is beproefd, onderscheidenlijk indien zij, ook na geneeskundige behandeling, niet meer voldoen aan de bijzondere eisen, bedoeld in artikel 5, eerste lid onder <emphasis role="italic">c</emphasis>, tenzij moet worden verwacht, dat die afwijking, onderscheidenlijk het niet voldoen aan die eisen, hen niet zal verhinderen die dienst naar behoren te verrichten zonder hun gezondheid of die van anderen te schaden.</para>
      <para>….</para>
      <para>
        <emphasis role="underline">Bijlage van het Militair keuringsreglement</emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>(Lijst MKR) Lijst van aandoeningen en gebreken, leidend tot ongeschiktheid</title>
    <paragroup>
      <nr>10.16.</nr>
      <para>Chronische aandoeningen van de milt of het gemis van de milt;</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_7dacbae7-54d7-42ca-be37-b8340752a6e6" label="1">
    <para>Artikel 99 van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR)</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c5f418cc-9696-4575-871c-57efd6473224" label="2">
    <para>Met toepassing van artikel 13, eerste lid, van het Besluit geneeskundig onderzoek blijvende dienstongeschiktheid en pensioenkeuring militairen en de War Pensions Committee Scale (de WPC-schaal), die is opgenomen als bijlage bij dat Besluit, en het Besluit aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorzieningen militairen (Besluit AO/IV) en de Richtlijn medische eindtoestand/duurzame functionele invaliditeit (Stcrt 2012, 3183)</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7242d8fe-bd75-4bf1-aac2-880bf4807c14" label="3">
    <para>Zie in dit verband 10.16 van de Bijlage van de Militair keuringsreglement.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_07895fd2-24f6-4b13-8e7d-245876aeb515" label="4">
    <para>Overeenkomstig artikel 8, zesde lid, van het Besluit AO/IV</para>
  </footnote>
  <footnote id="_51da3541-7e52-410f-8eb3-97228dc9a415" label="5">
    <para> Eiser verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 28 juni 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA9032.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_357c132b-bf40-42de-8978-db4a707f9557" label="6">
    <para> Zie in dat verband artikel 7, eerste lid, van het Besluit AO/IV.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c6efee01-5d0c-4cd9-a8d4-a2e838dab108" label="7">
    <para> Artikel 8 van het Militair keuringsreglement.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>