<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2024:23441</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-04-30T15:20:24</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-04-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-12-19</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/09/676499 KG ZA 24-1112</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#kortGeding">Kort geding</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_burgerlijkProcesrecht">Civiel recht; Burgerlijk procesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:23441">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:23441</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-04-30T15:20:03</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-04-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2024:23441 Rechtbank Den Haag , 19-12-2024 / C/09/676499 KG ZA 24-1112</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2024:23441:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Kort geding. Echtelieden. Huwelijkse voorwaarden. Opheffing conservatoir beslag. Man heeft conservatoir beslag ten laste van de vrouw gelegd, in verband met een schuld van de Belastingdienst op de man, die volgens de man bij de verrekening van de vermogens van partijen op basis van de huwelijkse voorwaarden moet worden betrokken. Vordering tot opheffing beslag toegewezen. Onzekere toekomstige vordering en onvoldoende aannemelijk dat vrouw niet aan vordering tot verrekening zal voldoen – als deze komst vast te staan – of dat zij daarvoor in de toekomst geen verhaal zal bieden.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2024:23441:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">Rechtbank den haag</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team handel - voorzieningenrechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaak- / rolnummer: C/09/676499 / KG ZA 24-1112</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis in kort geding van 19 december 2024</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiseres] </emphasis>te [woonplaats] ,</para>
      <para>eiseres,</para>
      <para>advocaat mr. M.P.J. Frederiks te Den Haag,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde] </emphasis>woonplaats gekozen ten kantore van zijn advocaat,</para>
      <para>gedaagde,</para>
      <para>advocaat mr. H.S. van Keeken te Den Haag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de vrouw’ en ‘de man’.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <para>- de dagvaarding met producties 1 tot en met 7;</para>
      <para>- de door de vrouw overgelegde productie 8;</para>
      <para>- de conclusie van antwoord van de man, met producties A tot en met E. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Op 12 december 2024 is de mondelinge behandeling gehouden. Door eiseres zijn hierbij pleitnotities overgelegd. Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De feiten</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Partijen zijn met elkaar getrouwd sinds [datum] 2004, na het opmaken van huwelijkse voorwaarden. Zij hebben een dochter van 17 jaar oud en een zoon van 20 jaar oud. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>In de notariële akte huwelijksvoorwaarden van 26 mei 2004 zijn partijen voor zover relevant het volgende overeengekomen:</para>
      <parablock>
        <para>­ tussen hen zal geen enkele gemeenschap van goederen bestaan; </para>
        <para>­ schulden die tijdens het bestaan van het huwelijk ten laste van een van partijen komen blijven ten laste komen van degene die de schuld is aangegaan;</para>
        <para>­ de kosten van de huishouding komen ten laste van beide partijen, naar rato van hun netto inkomsten;</para>
        <para>­ bij echtscheiding geldt een finaal verrekenbeding (verrekening alsof sprake was van gemeenschap van goederen), met dien verstande dat als het vermogen van één van de echtgenoten negatief is, door de andere echtgenoot wordt uitgekeerd een som of waarde ter grootte van de helft van zijn of haar voor verrekening in aanmerking komende (positieve) vermogen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Partijen zijn feitelijk uit elkaar en tussen hen is een echtscheidingsprocedure aanhangig. De stand in de echtscheidingsprocedure is dat (na twee schriftelijke rondes) een zittingsdatum moet worden gepland. Onderdeel van de echtscheidingsprocedure is ook de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Partijen zijn gezamenlijk, ieder voor de onverdeelde helft, eigenaar van de woning gelegen aan de [adres 1] te [plaats] . Dit betreft een benedenwoning. De bijbehorende bovenwoning ( [adres 2] te [plaats] ) is blijkens de kadastrale informatie eigendom van de vrouw. Deze woningen tezamen vormen de echtelijke woning. De man heeft de echtelijke woning verlaten en de vrouw woont daar nu met de dochter van partijen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>In de echtscheidingsprocedure neemt de man het standpunt in dat de woning aan de [adres 2] weliswaar op naam van de vrouw staat, maar dat partijen gezamenlijk economisch eigenaar zijn. De vrouw betwist dat. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>Partijen waren tot voor kort gezamenlijk, ieder voor de onverdeelde helft, eigenaar van de woning gelegen aan de [straatnaam] te [plaats] (hierna de woning aan de [straatnaam] ). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>De man heeft een schuld aan de Belastingdienst. De omvang van deze schuld was op 26 maart 2024 € 210.918,00. In verband met deze schuld heeft de Belastingdienst executoriaal beslag gelegd op het aandeel van de man in de woning aan de [adres 1] en op zijn aandeel in de woning aan de [straatnaam] . </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8.</nr>
      <para>De woning aan de [straatnaam] is verkocht en is op 15 november 2024 geleverd aan de kopers. De Belastingdienst heeft ten behoeve van deze levering het beslag op de woning opgeheven, onder de voorwaarde dat het aandeel van de man in de overwaarde van de woning aan de fiscus zou worden voldaan als aflossing op de belastingschuld. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.9.</nr>
      <para>Voorafgaand aan de levering van de woning aan de [straatnaam] heeft de man aan de voorzieningenrechter van deze rechtbank verlof gevraagd om onder de notaris ten overstaan van wie de levering van de woning aan de [straatnaam] zou plaatsvinden conservatoir beslag te mogen leggen op het aandeel van de vrouw in de overwaarde van die woning. In het beslagrekest van 8 november 2024 heeft de man ter onderbouwing van dit verzoek gesteld dat de schuld aan de Belastingdienst is ontstaan doordat partijen op te grote voet hebben geleefd. Zij hebben niet hun  netto-inkomen conform de huwelijkse voorwaarden beschikbaar gesteld, maar hun bruto-inkomen. De belastingschuld maakt daarom volgens de man nog deel uit van de kosten van de huishouding en op grond van een redelijke uitleg van de huwelijkse voorwaarden moet de belastingschuld volgens de man in de finale verrekening worden betrokken. De man stelt in het beslagrekest dat de schuld uiteindelijk door beiden partijen ieder voor de helft moet worden gedragen en dat hij daarom een vordering op de vrouw heeft van € 105.489,=, te vermeerderen met rente en kosten. Bij beschikking van 11 november 2024 is het gevraagde verlof verleend, met begroting van de vordering ter zekerheid waarvan het beslag mocht worden gelegd op € 137.096,= (hoofdsom van € 105.489,=, met een opslag van 30% voor rente en kosten).  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.10.</nr>
      <para>Het beslag onder de notaris op het aandeel van de vrouw in de overwaarde van de woning aan de [straatnaam] (hierna ook: het beslag) is op 15 november 2024 gelegd. Het heeft doel getroffen voor een bedrag van € 100.750,87.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Het geschil</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>De vrouw vordert – zakelijk weergegeven – om het beslag geheel of gedeeltelijk op te heffen, met veroordeling van de man in de kosten van dit geding. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Daartoe voert de vrouw – samengevat – het volgende aan. Uit de huwelijkse voorwaarden van partijen blijkt dat de vordering waarvoor de man beslag heeft gelegd summierlijk ondeugdelijk is. Er bestaat immers tussen partijen geen enkele gemeenschap van goederen en schulden blijven ten laste komen van degene die de betreffende schuld is aangegaan. Een belastingschuld is volgens de vrouw bovendien geen uitgave of schuld ten behoeve van de gewone gang van de huishouding (Hoge Raad 21 mei 2010), en in de huwelijkse voorwaarden is ook bepaald dat tot de kosten van de huishouding niet behoren de belastingen over inkomen en vermogen – die komen ten laste van de echtgenoot op wiens inkomen en vermogen zij betrekking hebben. De man heeft dan ook geen vordering op de vrouw ter zake van de belastingschuld. De vrouw stelt verder dat het beslag ook onnodig is. Zij beschikt nog over twee andere woningen, die (deels) op haar naam staan en zij biedt dus voldoende, voor haar minder belastende, verhaalsmogelijkheden. Tot slot moet ook uit hoofde van een belangenafweging het beslag worden opgeheven. De vrouw heeft de overwaarde nodig om in door toedoen van de man ontstane tekorten te voorzien en de eindjes financieel aan elkaar te kunnen blijven knopen. Als gevolg van het beslag ondervindt de vrouw ernstige financiële moeilijkheden, waardoor zij haar advocaatkosten niet langer kan voldoen. De vrouw wordt ernstig in haar positie en rechtsgang benadeeld als haar advocaat haar als gevolg van het beslag niet meer kan bijstaan, aldus nog steeds de vrouw. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>De man voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling van het geschil</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Op grond van artikel 705 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) wordt een gelegd conservatoir beslag onder meer opgeheven als summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag blijkt. Volgens vaste rechtspraak ligt het op de weg van degene die opheffing van het conservatoire beslag vordert om, met inachtneming van de beperkingen van een kort geding, aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk is of dat het voortduren van het beslag om andere redenen niet kan worden gerechtvaardigd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>De man heeft op dit moment nog geen opeisbare vordering op de vrouw, maar heeft beslag gelegd voor een mogelijke, toekomstige vordering. Waar de man in het beslagrekest er nog op wijst dat de vrouw voor de helft draagplichtig is voor wat betreft de vordering van de Belastingdienst, heeft hij tijdens de mondelinge behandeling bij monde van zijn advocaat gezegd dat het gaat om een toekomstige vordering uit hoofde van de verrekening van hun vermogens op basis van de huwelijkse voorwaarden. Voor toekomstige vorderingen kan in beginsel alleen beslag worden gelegd als sprake is van bijzondere omstandigheden, waarbij ook een rol speelt hoe zeker of onzeker de toekomstige vordering is en hoe aannemelijk is dat de beslagene niet aan zijn toekomstige verbintenis zal voldoen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>De toekomstige vordering ter zekerheid waarvan de man het beslag heeft laten leggen vindt zijn oorsprong in zijn schuld aan de Belastingdienst. Partijen hebben over en weer uitgebreide stellingen ingenomen, maar in de kern komt het erop neer dat de man meent dat zijn schuld aan de Belastingdienst in de verrekening moet worden betrokken, omdat die schuld is ontstaan doordat partijen tijdens het huwelijk op te grote voet hebben geleefd. Uit de verklaringen van de man ter zitting begrijpt de voorzieningenrechter dat hij stelt dat partijen hebben geleefd van privé-onttrekkingen uit de vennootschap van de man, waardoor de rekening-courant verhouding van de man met die vennootschap opliep. De Belastingdienst heeft nadien geconcludeerd dat die privé-onttrekkingen als inkomen moesten worden aangemerkt, waardoor alsnog naheffingsaanslagen voor de inkomstenbelasting zijn opgelegd. Volgens de man vloeit uit de uitleg van de huwelijkse voorwaarden, de wijze waarop partijen daar invulling aan hebben gegeven en de redelijkheid en billijkheid voort dat de vrouw mede-draagplichtig is voor de belastingschulden. De vrouw betwist deze stellingen van de man, onder verwijzing naar de inhoud van de huwelijkse voorwaarden. Zij betwist ook dat de belastingschuld is ontstaan door de levensstijl van partijen tijdens het huwelijk. Zij stelt zelf altijd inkomstenbelasting te hebben betaald.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>De voorzieningenrechter kan niet uitsluiten dat de bodemrechter de man zal volgen in zijn betoog en zal oordelen dat (een deel van) de belastingschuld van de man voor verrekening in aanmerking komt. Of dit daadwerkelijk het geval zal zijn en of de man of de vrouw op dit punt het gelijk aan zijn of haar zijde zal krijgen, zal echter onderdeel moeten zijn van de bodemprocedure. Dat vergt nader onderzoek, waarvoor een kort geding zich niet leent. De door partijen tot nu toe ingenomen stellingen bieden onvoldoende handvatten om vooruit te kunnen lopen op dat oordeel in de bodemprocedure.  Er is dus sprake van een toekomstige vordering die nog onzeker is. De man heeft ook nog gesteld dat zijn vermogen negatief is waardoor hij sowieso een vordering uit verrekening zal hebben op de vrouw, maar deze vordering heeft hij niet aan het beslag ten grondslag gelegd. Bovendien geldt ook ten aanzien van deze vordering dat daarover in de bodemprocedure zal worden geoordeeld.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>Daar komt bij dat ook onvoldoende aannemelijk is dat de vrouw niet aan de vordering tot verrekening zal voldoen – als deze komt vast te staan – of dat zij daarvoor in de toekomst geen verhaal zal bieden. De vrouw heeft gesteld dat de woningen aan de [adres 1] en [adres 2] voldoende verhaalsmogelijkheden bieden. De man heeft weliswaar betwist dat deze woningen voldoende zekerheid bieden, maar voert ter onderbouwing van die betwisting alleen aan dat de vrouw de echtelijke woning toebedeeld wil krijgen en dat zij dus niet wil dat de woning verkocht wordt. Die betwisting volstaat niet. De vrouw heeft inderdaad in de echtscheidingsprocedure verzocht om toedeling van de echtelijke woning aan haar, maar aan dat verzoek heeft zij zelf al de opschortende voorwaarde verbonden dat zij binnen drie maanden nadat de echtscheidingsbeschikking in kracht van gewijsde is gegaan in staat is de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid jegens de bank te laten ontslaan, onder betaling van een overbedelingsvergoeding. De door de vrouw gewenste toedeling van de woning aan haar heeft dus geen voorrang op de betaling van een overbedelingsvergoeding aan de man en staat dus niet in de weg aan verkoop van die woning, mocht dat nodig zijn om een vordering aan de man te voldoen. Overigens ook als de vrouw dit anders zou zien, staat de wens van de vrouw om de echtelijke woning toebedeeld te krijgen niet aan het verhaal van de man op die woning in de weg. Zodra de man over een executoriale titel beschikt, kan hij zich verhalen op het vermogen van de vrouw en dus ook op (haar aandeel in) de woningen aan de [adres 1] en [adres 2] . </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <para>De voorzieningenrechter merkt op dat geen van beide partijen zich heeft uitgelaten over de (over)waarde van de echtelijke woning. Nu de betwisting van de man ten aanzien van de stelling van de vrouw dat de echtelijke woning voldoende zekerheid biedt alleen betrekking heeft op de omstandigheid dat de vrouw de echtelijke woning niet wil verkopen, houdt de voorzieningenrechter het ervoor dat ook de man ervan uitgaat dat de woningen aan de [adres 1] en [adres 2] daadwerkelijk voldoende overwaarde hebben om de vrouw in staat te stellen een verrekenvordering aan de man te voldoen. Voor zover dat anders ligt had het in de gegeven omstandigheden op de weg van de man gelegen – die immers beslag wil leggen voor een onzekere toekomstige vordering – om te stellen dat de woning onvoldoende overwaarde heeft. Dat heeft hij niet gedaan.   </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7.</nr>
      <para>Slotsom is dat de man beslag heeft gelegd voor een onzekere toekomstige vordering, terwijl bovendien niet aannemelijk is dat de vrouw de vordering – mocht deze vast komen te staan – niet zal voldoen of daarvoor geen verhaal biedt. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter aanleiding de vordering van de vrouw toe te wijzen. Een belangenafweging leidt niet tot een ander oordeel. In de gegeven omstandigheden moet het belang van de vrouw om te kunnen beschikken over het aan haar toekomende deel in de overwaarde van de woning aan de [straatnaam] zwaarder wegen dan het belang van de man om zich op dat geldbedrag te kunnen verhalen voor het geval dat zijn vordering op de vrouw op enig moment vast komt te staan. Dit wordt ook niet anders door de stelling van de man dat de Belastingdienst een voorrangspositie heeft als crediteur en dat partijen er niet bij gebaat zijn als de Belastingdienst de woning aan de Nieuwe Parklaan executoriaal gaat verkopen. Uit niets blijkt dat de Belastingdienst van oordeel is dat hij zich op het vermogen van de vrouw zou kunnen verhalen (de Belastingdienst heeft ook geen beslag gelegd op de [adres 2] , waarvan volgens de kadastrale informatie alleen de vrouw eigenaar is) of voornemens is om over te gaan tot executie van het aandeel van de man in de [adres 1] .  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8.</nr>
      <para>In de omstandigheid dat partijen met elkaar getrouwd zijn, wordt aanleiding gevonden te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt. De voorzieningenrechter ziet in de stellingen van partijen hieromtrent geen aanleiding om – anders dan het uitgangspunt is in zaken tussen (ex-)echtelieden) – een van beide partijen in de proceskosten te veroordelen, zoals partijen over en weer hebben gevorderd. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter:</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>heft op het op 15 november 2024 in opdracht van de man ten laste van de vrouw gelegde conservatoir derdenbeslag onder notaris mr. M.J.J.R. Lentze te Den Haag; </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>wijst af het meer of anders gevorderde.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Bordes en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2024. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">idt</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>