<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2024:23436</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-04-28T12:54:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-04-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-11-21</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">SGR 24/8475</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:23436">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:23436</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-04-28T12:54:07</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-04-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2024:23436 Rechtbank Den Haag , 21-11-2024 / SGR 24/8475</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2024:23436:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Woningsluiting op grond van artikel 13b van de Opiumwet Verzoek om voorlopige voorziening toegewezen. De voorzieningenrechter vindt sluiting van de woning niet evenwichtig.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2024:23436:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: SGR 24/8475</para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 november 2024 in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [verzoeker 1] en [verzoeker 2] , uit [woonplaats] , verzoekers</title>
    <para>(gemachtigde: mr. S.G.H. Langeweg),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de burgemeester van Zoetermeer </title>
    <para>(gemachtigde: mr. N. Siderius).</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers tegen de sluiting van de woning van verzoekers aan het [adres] in [plaats] (de woning) voor de duur van zes maanden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening gevraagd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De burgemeester heeft een schriftelijke reactie op het verzoekschrift gegeven. Hij heeft de sluiting van de woning opgeschort totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Op 6 november 2024 hebben verzoekers nadere stukken ingediend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 7 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekers, hun dochter [naam 1] en zoon [naam 2] , de gemachtigde van verzoekers en F. Said als tolk, en de gemachtigde van de burgemeester.  </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de voorzieningenrechter</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Waar gaat deze zaak over?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Op 27 augustus 2024 heeft de burgemeester van de politie een bestuurlijke rapportage ontvangen met daarin de volgende bevindingen met betrekking tot de woning. Tot voor kort stond de zoon van verzoekers op het adres ingeschreven en woonde hij met zijn ouders in de woning. Op 15 juli 2024 is de zoon van verzoekers staande gehouden op verdenking van handel in verdovende middelen. Hij is gefouilleerd en de auto waarin hij is aangetroffen is doorzocht. Bij de fouillering is 53,4 gram harddrugs aangetroffen. Dezelfde dag vond onder leiding van een rechter-commissaris de doorzoeking plaats van de woning. In de slaapkamer van de zoon van verzoekers, zijn de volgende stoffen aangetroffen. Deze zijn indicatief getest en gewogen:</para>
      <para>- 2,5 gram crack/cocaine verdeeld over 2 ponypacks;</para>
      <para>- 0,8 gram amfetamine verdeeld over twee doorzichtige gripzakjes;</para>
      <para>- 1,9 gram amfetamine verdeeld over vijf blauwe gripzakjes;</para>
      <para>- 2,7 gram amfetamine verdeeld over vijf rode gripzakjes;</para>
      <para>- 0,9 gram amfetamine verdeeld over 2 wikkels.</para>
      <para>Ook zijn er nog 15 doorzichtige gripszakjes aangetroffen met witte brokken en/of wit poeder. Deze zijn niet gewogen en niet indicatief getest. Ook is in de slaapkamer van de zoon een geldbedrag aangetroffen van € 1.660,-, bestaande uit bankbiljetten in coupures van € 20,-, € 50,- en € 100,-.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>De burgemeester heeft naar aanleiding van de bestuurlijke rapportage besloten om de woning met ingang van 31 oktober 2024 te sluiten voor de duur van zes maanden. De burgemeester vindt een sluiting noodzakelijk en vindt het, gelet op de aangetroffen hoeveelheid harddrugs in de woning, het feit dat de zoon is aangehouden vanwege het handelen in drugs, het feit dat er eerder een grote hoeveelheid harddrugs in de woning is aangetroffen en dat meerdere burgemeesters uit verschillende gemeenten aan de zoon een last onder dwangsom hebben opgelegd vanwege het dealen in harddrugs, aannemelijk dat de aanwezigheid van de harddrugs in de woning een direct gevaar opleverde voor de veiligheid en de openbare orde in en om de woning. Volgens de burgemeester kan niet met een minder ingrijpende maatregel worden volstaan, omdat aan verzoekers in 2022 een bestuurlijke waarschuwing is afgegeven en aan hun zoon een last onder dwangsom is opgelegd. Deze last onder dwangsom hield in dat de zoon een bedrag van € 12.000,- verbeurt indien na het inwerkingtreden van de last wordt geconstateerd dat hij opnieuw artikel 2 van de Opiumwet in de woning overtreedt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Ook vindt verweerder (de duur) van de sluiting evenredig. Daarbij vindt de burgemeester het van belang dat er sprake is van verwijtbaarheid. Verzoekers worden als hoofbewoner verantwoordelijk geacht voor alles wat zich in de woning afspeelt. De burgemeester weegt mee dat al een keer eerder in de slaapkamer van de zoon een handelshoeveelheid harddrugs is aangetroffen en zij toen zijn gewaarschuwd dat verweerder bij herhaling kan besluiten de woning te sluiten. De burgemeester stelt zich op het standpunt dat er geen bijzondere omstandigheden zijn om van sluiting af te zien.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wat vinden verzoekers?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>Verzoekers zijn het niet eens met de sluiting. Zij stellen dat de hoeveelheid harddrugs (8,8 gram) die in de woning is aangetroffen, weliswaar meer is dan de toegestane gebruikershoeveelheid, maar in dit geval niet een sluiting van de woning rechtvaardigt en zeker niet een sluiting van de woning voor de duur van zes maanden. Het is inmiddels tweeëneenhalf jaar geleden dat de bestuurlijke waarschuwing is gegeven. Sinds de waarschuwing zijn verzoekers op hun hoede, maar zij hebben niet in de gaten gehad dat hun zoon zich nog steeds met drugs bezighield. De drugs lag verstopt in een jaszak en in dozen. De zoon heeft er alles aan gedaan om ervoor te zorgen dat zijn ouders geen weet hadden van de aanwezigheid van de drugs in zijn slaapkamer. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Verzoekers stellen dat er geen noodzaak is om de woning te sluiten. De woning is niet doorzocht naar aanleiding van meldingen van omstanders en buren, maar naar aanleiding van een onderzoek naar drugshandel op straat. De woning stond niet bekend als drugspand en er was ook geen sprake was van ‘een loop’ naar de woning. Er is geen sprake geweest van onrust en verstoring van de openbare orde. Er zijn geen verklaringen of meldingen van omwonenden waaruit blijkt dat sprake was van handel in of vanuit de woning. Verzoekers hebben verklaringen van omwonenden ingediend die dit ondersteunen. Volgens verzoekers heeft het afgeven van een signaal naar de buitenwereld pas effect als de buitenwereld ook heeft geweten dat er drugs in de woning waren en dat daardoor enige vorm van verstoring van de openbare orde heeft plaatsgevonden. Er is geen sprake van dat het woon- en leefklimaat in dit specifieke geval is aangetast of dat het directe dan wel indirecte gevoel van veiligheid van omwonenden is aangetast. Sluiting van de woning is hier geen passende maatregel.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Verder stellen verzoekers dat de sluiting van de woning niet voldoet aan de vereiste evenredigheid. Zij waren niet op de hoogte van de aanwezigheid van drugs in de woning. De drugs lagen niet in het zicht. Dat de zoon tweeëneenhalf jaar geleden een keer met drugs is gepakt, maakt niet dat verlangd kan worden dat zijn ouders hem dagelijks controleren. Zij dachten werkelijk dat hun zoon zijn leven had gebeterd en niet meer in aanraking kwam met drugs. Verzoekers wijzen op de verklaring van de zoon. Hij heeft daarin benadrukt dat hij zijn best heeft gedaan om alles goed te verstoppen zodat zijn ouders er niet achter zouden komen dat hij nog steeds bezig was met drugs. Daarnaast zijn zij financieel niet bij machte om vervangende woonruimte te regelen. Zij hebben ook geen familie bij wie zij terecht kunnen. Verzoekers hebben verklaringen van hun dochters overgelegd. Ook hebben zij medische klachten waarvoor zij worden behandeld. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Is verweerder bevoegd de woning te sluiten?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Niet is betwist dat, gelet op de aangetroffen hoeveelheid drugs en de vaste rechtspraak, de burgemeester op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, bevoegd is om tot sluiting van de woning over te gaan.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>De voorzieningenrechter ziet zich dan ook voor de vraag gesteld of de burgemeester in dit geval ook van die bevoegdheid gebruik heeft mogen maken. In dat verband moet aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding worden beoordeeld in hoeverre sluiting van de woning noodzakelijk is om het woon- en leefklimaat bij de woning te beschermen en het herstel van de openbare orde mogelijk te maken en in hoeverre deze sluiting ook evenredig is gelet op alle omstandigheden van het geval.</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Is de sluiting van de woning noodzakelijk?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Uit de rechtspraak van de hoogste bestuursrechter volgt<footnote-ref linkend="_f6cdbaf1-a5b5-4574-80a1-79fb1a03e3b9" /> dat als in een pand een handelshoeveelheid drugs wordt aangetroffen, als uitgangspunt geldt dat mag worden aangenomen dat dit pand een rol vervult binnen de keten van drugshandel. Dit levert op zichzelf al een belang op bij sluiting, ook als ter plaatse geen overlast of feitelijke drugshandel is geconstateerd. Met een sluiting wordt de bekendheid van een pand als drugspand weggenomen en wordt de ‘loop’ naar het pand eruit gehaald, waarmee het pand aan het drugscircuit wordt onttrokken. Als blijkt dat de aangetroffen drugs niet in of vanuit de woning werden verhandeld, kan echter in mindere mate sprake zijn van een ‘loop’ naar de woning, wat de noodzaak om te sluiten gelet op het beoogde herstellende karakter van de maatregel minder groot kan maken.<footnote-ref linkend="_8f947f90-ff07-4b87-b1f5-918a21bfd256" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>De voorzieningenrechter is van oordeel dat er gelet op de omstandigheid dat de politie in de woning van verzoekers een hoeveelheid harddrugs heeft aangetroffen die de toegestane hoeveelheid voor eigen gebruik ruimschoots overschrijdt in samenhang ook met de hoeveelheid drugs waarmee de zoon is aangehouden én sprake is van recidive een noodzaak om te sluiten bestaat, maar deze noodzaak relatief gezien beperkt is. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat van de recidivetermijn van drie jaren inmiddels twee en een half jaar zijn verstreken en in dit geval niet aannemelijk is dat in of vanuit de woning drugs werden verhandeld. Er zijn geen aanwijzingen dat de woning bekend stond in het drugscircuit en dat er overlast in de omgeving van de woning was. Ook blijkt niet dat in de woning andere attributen zijn aangetroffen die een aanwijzing zouden kunnen zijn voor drugshandel vanuit het pand. Hiermee is dus aannemelijk dat de drugs in de woning aanwezig waren om elders te worden verhandeld. Op de zitting heeft de zoon van verzoekers aangegeven dat hij de drugs overdag met zich meenam. Sluiting om de bekendheid van de woning als drugspand weg te nemen en de woning aan het drugscircuit te onttrekken om de openbare orde te herstellen, levert onder deze omstandigheden een verminderde noodzaak tot sluiting op. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Is de sluiting evenwichtig?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>Niet in geschil is dat de harddrugs uitsluitend zijn aangetroffen in de slaapkamer van de meerderjarige zoon van verzoekers. Uit de bestuurlijke rapportage volgt niet dat de harddrugs direct in het zicht lagen of dat verzoekers op enige wijze op de hoogte waren van de harddrugs in de slaapkamer van hun zoon. Verzoekers hebben op de zitting verklaard dat zij de kamer van hun zoon regelmatig hebben gecontroleerd op aanwezigheid van drugs. Hun zoon had werk en zij waren ervan overtuigd dat hij elke dag naar zijn werk ging en zich niet langer bezighield met drugs. De dochter van verzoekers heeft op de zitting verklaard dat zij en haar zusje iedere dag stiekem de kamer van haar broer hebben doorzocht. De zoon heeft verklaard dat hij begrijpt dat zijn ouders geen drugs in zijn kamer hebben gevonden omdat hij een kleine hoeveelheid in zijn slaapkamer achterliet als hij de woning verliet en hij die drugs dan goed verstopte en hij niet altijd drugs had. De voorzieningenrechter is van oordeel dat onder de hiervoor geschetste omstandigheden verzoekers slechts een marginaal verwijt kan worden gemaakt van de overtreding. Hierbij acht de voorzieningenrechter ook het tijdsverloop sinds de waarschuwing van 8 maart 2022 van belang. In dat verband kan niet zonder meer worden geoordeeld dat verzoekers, gelet op de eerdere overtreding, andere of aanvullende maatregelen hadden moeten nemen dan zij hebben gedaan om een overtreding te voorkomen, zoals de burgemeester heeft betoogd. De stelling van de burgemeester dat verzoekers ervoor hadden kunnen kiezen hun zoon het huis uit te zetten, zoals zij nu inmiddels hebben gedaan, kan in dit verband niet zonder meer worden gevolgd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <para>Nu de noodzaak tot sluiting van de woning beperkt is, terwijl verzoekers verwijtbaarheid van de overtreding marginaal is, de zoon van verzoekers uit de woning is vertrokken en de maatregel voor verzoekers ingrijpend is nu aannemelijk is dat het voor hen lastig zal zijn om vervangende woonruimte te vinden en de woningcorporatie bij sluiting waarschijnlijk tot buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst over zal gaan, acht de voorzieningenrechter de sluiting van de woning niet evenwichtig. Het bezwaar van verzoekers heeft dan ook een redelijke kans van slagen. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Dat betekent dat de burgemeester de woning niet mag sluiten tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <parablock>
        <para>De voorzieningenrechter zal de burgemeester veroordelen in de door verzoekers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.750,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 875,- en wegingsfactor 1). De burgemeester moet ook het griffierecht aan verzoekers vergoeden.</para>
        <para>
          <emphasis role="bold">Beslissing</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De voorzieningenrechter:</para>
      </parablock>
      <para>- schorst het bestreden besluit van 22 oktober 2024 tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;</para>
      <para>- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 187,- aan verzoekers moet vergoeden;</para>
      <para>- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.750,- aan proceskosten aan verzoekers.</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van Y.E. de Loos, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 november 2024.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <informaltable>
        <tgroup cols="2">
          <colspec colname="colA" />
          <colspec colname="colB" />
          <tbody>
            <row>
              <entry>
                <para>griffier</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>voorzieningenrechter</para>
              </entry>
            </row>
          </tbody>
        </tgroup>
      </informaltable>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <bridgehead>Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.</bridgehead>
  <footnote id="_f6cdbaf1-a5b5-4574-80a1-79fb1a03e3b9" label="1">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van </para>
    <para>3 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1333.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8f947f90-ff07-4b87-b1f5-918a21bfd256" label="2">
    <para> Zie de uitspraak van de Afdeling van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285, rechtsoverweging 9.2.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>