<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2024:23396</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-04-14T12:36:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-04-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-11-05</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">23/8123</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:23396">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:23396</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-04-14T12:35:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-04-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2024:23396 Rechtbank Den Haag , 05-11-2024 / 23/8123</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2024:23396:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Dienst Toeslagen. Zorgtoeslag. Kindgebonden budget.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2024:23396:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: SGR 23/8123 </para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 november 2024 in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [eiser] , uit [woonplaats] , eiser</title>
    <para>(gemachtigde: mr. J.P.C.M. van Es),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de Dienst Toeslagen, verweerder </title>
    <para>(gemachtigde: mr. [naam 1] ).</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de definitieve berekening van de zorgtoeslag en het kindgebonden budget over de jaren 2018 en 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Bij afzonderlijke besluiten van 6 mei 2023 (de primaire besluiten) heeft verweerder de zorgtoeslag en het kindgebonden budget over de jaren 2018 en 2019 berekend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Met het bestreden besluit van 24 oktober 2023 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 8 oktober 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Waar gaat deze zaak over?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Deze zaak gaat over de vraag of verweerder bij de herziene berekening zorgtoeslag en kindgebonden budget over de jaren 2018 en 2019 mevrouw [naam 2] (mevrouw [naam 2] ) terecht heeft aangemerkt als toeslagpartner van eiser.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat vindt eiser in beroep?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Eiser vindt dat mevrouw [naam 2] onterecht wordt aangemerkt als zijn toeslagenpartner voor de zorgtoeslag en het kindgebonden budget. Verweerder gaat ten onrechte over tot terugvordering. Mevrouw [naam 2] woont sinds mei 2016 niet meer op hetzelfde adres als eiser, waardoor geen sprake is van een gezamenlijke huishouding in de jaren 2018 en 2019. Ook was mevrouw [naam 2] ten tijde van het bestreden besluit niet meer ingeschreven op het adres van eiser. Het bestreden besluit is in strijd met de geldende wet- en regelgeving. Ook is het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel geschonden. Eiser heeft verschillende documenten overgelegd om zijn standpunten te onderbouwen. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat is het oordeel van de rechtbank?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser geen procesbelang heeft, omdat er geen sprake is van een terugvordering. De rechtbank is anders dan verweerder van oordeel dat eiser wel procesbelang heeft bij deze procedure ondanks dat geen sprake is van een terugvordering. Omdat eiser meent recht te hebben op een hogere zorgtoeslag en kindgebonden budget, kan hij middels deze procedure in een betere rechtspositie komen. Gelet hierop acht de rechtbank dat eiser procesbelang heeft en is het beroep ontvankelijk. </para>
    <para />
    <para>5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder mevrouw [naam 2] terecht als toeslagpartner van eiser heeft aangemerkt. Zij zal dit oordeel hierna uitleggen.</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>Het partnerbegrip voor de inkomensafhankelijke regelingen is gedefinieerd in artikel 3 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir). Onder partner voor toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen, en voor zover hier van belang, wordt mede verstaan degene die als ingezetene op hetzelfde woonadres is ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP) als de belanghebbende en uit wiens relatie met de belanghebbende een kind is geboren.<footnote-ref linkend="_22273f9a-aee6-4463-b613-5d46505353c8" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat uit de BRP blijkt dat eiser en mevrouw [naam 2] de gehele jaren 2018 en 2019 (met hun kinderen) op hetzelfde woonadres stonden ingeschreven, namelijk de [adres 1] te [plaats] . Vaste rechtspraak<footnote-ref linkend="_1967e023-964f-4569-9cc6-deb8040e277f" /> is dat verweerder van de juistheid van de gegevens in de BRP mag uitgaan, tenzij er een aantekening van onjuistheid is geplaatst bij deze gegevens. Hiervan is echter niet gebleken. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>Hoewel verweerder in beginsel niet bevoegd is om af te wijken van de inschrijving van de BRP, is dit wel mogelijk indien blijkt dat sprake is van een onjuiste inschrijving in de BRP voor de periode tot aan de datum van adreswijziging.<footnote-ref linkend="_1182688d-ec60-4785-81e8-6cece07b60f0" /> Het is bovendien alleen mogelijk om aan de inschrijving op een adres terugwerkende kracht toe te kennen, als sprake is van een inmiddels juiste BRP-inschrijving. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>Omdat mevrouw [naam 2] zich nooit in de BRP heeft ingeschreven op het adres [adres 2] te [plaats] , kan geen toepassing worden gegeven aan deze bepaling. <?linebreak?>Eiseres stond in 2018 en 2019 in de BRP ingeschreven op het hetzelfde adres als eiser. Ook is niet gebleken van een aantekening van onjuistheid. De stukken die eiser in beroep heeft overgelegd met betrekking tot het adres [adres 2] , maken dit niet anders, omdat mevrouw [naam 2] zich nooit heeft ingeschreven op dit adres. Bovendien blijkt uit de stukken ook niet dat mevrouw [naam 2] in de periode van belang, namelijk in 2018 en 2019 feitelijk op dit adres woonde. Gesteld noch gebleken is dat eiser een beroep doet op deze bepaling in het kader van de BRP inschrijving op het adres [adres 3] te [plaats] .</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5.</nr>
      <para>Gelet op artikel 3, tweede lid, van de Awir, is verweerder bij de vraag of mevrouw [naam 2] als toeslagpartner van eiser moest worden aangemerkt, terecht uitgegaan van de gegevens die zijn opgenomen in de BRP. Zoals volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling <footnote-ref linkend="_e5d1d745-2b47-4d64-ac01-1da7b56f21c0" /> wordt de uitleg van verweerder van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder c, van de Uitvoeringsregeling, gelet op de tekst van de toelichting op die bepaling, niet onjuist geacht. De Awir en de Uitvoeringsregeling bieden in dit geval geen mogelijkheid om van inschrijving in de BRP af te wijken. Dit betekent dat de rechtbank van oordeel is dat verweerder mevrouw [naam 2] terecht als toeslagenpartner van eiser voor de jaren 2018 en 2019 heeft aangemerkt.<footnote-ref linkend="_3ec326be-69f6-4318-8b5e-984b2c41b6ae" /> Nu mevrouw [naam 2] de gehele berekeningsjaren 2018 en 2019 als toeslagenpartner van eiser moet worden aangemerkt, is verweerder bij de berekening van de zorgtoeslag en het kindgebonden budget over 2018 en 2019 terecht uitgegaan van het gezamenlijke toetsingsinkomen van eiser en mevrouw [naam 2] . </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.6.</nr>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet in strijd heeft gehandeld met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. Verweerder is dus van de juiste berekening uitgegaan. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. E.H. Maas, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 5 november 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. </para>
  </section>
  <footnote id="_22273f9a-aee6-4463-b613-5d46505353c8" label="1">
    <para> Artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Awir.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1967e023-964f-4569-9cc6-deb8040e277f" label="2">
    <para> Bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 18 januari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV1205 en 21 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:720.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1182688d-ec60-4785-81e8-6cece07b60f0" label="3">
    <para> Artikel 3, tweede lid, aanhef en onder c, van de Uitvoeringsregeling Awir (de Uitvoeringsregeling).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e5d1d745-2b47-4d64-ac01-1da7b56f21c0" label="4">
    <para> Bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 28 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3897.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3ec326be-69f6-4318-8b5e-984b2c41b6ae" label="5">
    <para> Op grond van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Awir.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>