<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2024:23391</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-04-14T10:47:03</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-04-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-10-24</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">24/1559</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:23391">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:23391</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-04-14T10:46:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-04-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2024:23391 Rechtbank Den Haag , 24-10-2024 / 24/1559</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2024:23391:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Wet hersteloperatie toeslagen. Private schulden.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2024:23391:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: SGR 24/1559 </para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 oktober 2024 in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [eiseres], uit [woonplaats], eiseres</title>
    <para>(gemachtigde: mr. M.L.M. Klinkhamer),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de minister van Financiën, verweerder </title>
    <para>(gemachtigde: mr. [gemachtigde]).</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de weigering van verweerder om een private schuld van eiseres over te nemen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Met het primaire besluit van 1 juni 2023 heeft de Dienst Toeslagen<footnote-ref linkend="_204f8f73-0f6d-4c13-a3f8-cb1426161c74" /> geweigerd de schulden van eiseres over te nemen. Met het bestreden besluit van 18 januari 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder daarbij gebleven.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 26 september 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Waar gaat deze zaak over?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. Eiseres is aangemerkt als gedupeerde ouder ten gevolge van de toeslagenaffaire. Op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) komen gedupeerden in aanmerking voor compensatie of overname van hun private geldschulden als die voldoen aan de voorwaarden van de Wht. Het betalen van de (afgeloste) private geldschulden wordt uitgevoerd door de uitvoeringsorganisatie Sociale Banken Nederland (SBN).</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Eiseres heeft verzocht om overname van haar private schuld, inhoudende een privé lening bij [naam]. De Dienst Toeslagen heeft bepaald dat de schuld niet wordt overgenomen, omdat deze niet voldoet aan de voorwaarden van de Wht.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Verweerder heeft het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Volgens verweerder komt de schuld aan F. Tozak niet voor overname in aanmerking, omdat dit een informele schuld is die niet is vastgelegd in een notariële akte van voor 1 juni 2021.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wat vindt eiseres in beroep?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>3. Eiseres vindt de eis, dat informele schulden bij familie of vrienden die alleen zijn vastgelegd met een notariële akte slechts worden overgenomen of betaald, te streng, onrechtvaardig en niet realistisch. Er was geen geld om een notariële akte op te stellen en dat was ook niet nodig. De schuldovereenkomsten zijn duidelijk en aantoonbaar. Dit is voldoende bewijs. Hoewel het begrijpelijk is om bepaalde schulden uit te sluiten in het beleidsbesluit, is dat in dit geval niet redelijk. Als een betrokkene op een andere wijze de schuld aannemelijk kan maken ligt het in de rede deze wel te erkennen. Eiseres vindt dat zij de schuld voldoende heeft onderbouwd. Ook beroept zij zich op de hardheidsclausule. Ter onderbouwing van haar standpunt verwijst eiseres naar het amendement van leden Omtzigt en Leijten, een uitspraak van de rechtbank Amsterdam<footnote-ref linkend="_b60154ec-33ac-435f-a0ab-4e7731ae6428" />, een uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland<footnote-ref linkend="_7ba882a9-08dd-4acf-adb0-b2948e069468" /> en verschillende bankafschriften.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wat zijn de regels?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>4. Op grond van artikel 4.1, tweede lid, van de Wht neemt verweerder een geldschuld over als deze:</para>
      <para>- is ontstaan na 31 december 2005 (sub a);</para>
      <para>- vóór 1 juni 20213 opeisbaar is geworden (sub b); en</para>
      <para>- niet is voldaan op het moment dat de aanvraag wordt gedaan (sub c).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Verder volgt uit artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder b, van de Wht, dat schulden die niet zijn ontstaan door een in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf verrichte rechtshandeling (de zogenaamde informele/private schulden), alleen worden overgenomen als de schuld is vastgelegd in een notariële akte die is opgesteld in de periode tussen 1 januari 2006 en 1 juni 2021 of blijkt uit een rechterlijke uitspraak.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Schulden die in ieder geval niet worden overgenomen, zijn de resterende hoofdsommen van leningen, tenzij die vanwege betalingsachterstanden opeisbaar zijn geworden.<footnote-ref linkend="_be7438b2-d987-46ea-b40e-fd3d80fb6530" /></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wat is het oordeel van de rechtbank?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>5. Naar het oordeel van de rechtbank moet de privé lening bij [naam] als een privéschuld/informele schuld worden aangemerkt, omdat deze in de privésfeer is ontstaan en niet is ontstaan door een in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf verrichte rechtshandeling van de schuldeiser. Uit de ongedateerde overeenkomst blijkt dat [naam] geld aan eiseres heeft geleend. Dit betekent dat de schuld valt onder de reikwijdte van artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder b, van de Wht.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>Om voor overname van een informele schuld in aanmerking te komen moet deze op grond van artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder b, van de Wht in een notariële akte of een rechterlijke uitspraak zijn vastgelegd. Niet in geschil is dat de schuld van eiseres niet in een notariële akte is vastgelegd. Daarnaast kunnen de documenten verstrekt door de deurwaarder uit Turkije niet worden gekwalificeerd als een rechtelijke uitspraak, omdat die niet vergezeld gaan met een executoriale titel. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat uit de stukken van de deurwaarder blijkt dat pas indien eiseres niet binnen de voorgeschreven termijn van zeven dagen overgaat tot betaling van zowel de hoofdsom als de daaruit voortvloeiende kosten, en ook geen schriftelijk of mondeling bezwaar indient binnen de gestelde termijn, er een verzoek tot executie bij de rechtbank zal worden ingediend door de schuldeiser. De schuld van eiseres voldoet daarmee niet aan het vereiste van artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder b, van de Wht. Nu eiseres niet aan de voorwaarde inzake de notariële akte heeft voldaan, komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van de vraag of sprake is van een opeisbare schuld als bedoeld in artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wht. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>Dat de eis om de schuld vast te leggen in een notariële akte te streng, onrechtvaardig en niet realistisch is, volgt de rechtbank niet. Zoals blijkt uit uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling)<footnote-ref linkend="_8e271d3e-7f65-432b-9eee-77ce2a82e401" /> heeft de wetgever bewust gekozen voor het stellen van de eis van de notariële akte als bewijs van het bestaan van een informele schuld en van betalingsafspraken, om zoveel mogelijk zeker te stellen dat alleen daadwerkelijk bestaande én opeisbare achterstanden worden overgenomen. De Afdeling heeft echter wel overwogen dat er zich bijzondere situaties kunnen voordoen waarin het vasthouden van de eis van een notariële akte als bewijs voor het bestaan van een informele schuld en daarover gemaakte betalingsafspraken zodanig onbillijk is dat de hardheidsclausule kan worden toegepast, bijvoorbeeld in het geval dat aan het bestaan van een informele schuld gelet op andere authentieke documenten redelijkerwijs niet valt te twijfelen. Eiseres heeft in onderhavige zaak, op het stuk van 1 september 2017 na, echter geen aanvullende (authentieke) documenten overgelegd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiseres het bestaan van de schulden onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt, waardoor de eis van de notariële akte aan haar kon worden tegengeworpen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <parablock>
        <para>De verwijzing van eiseres naar de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van </para>
        <para>5 februari 2024<footnote-ref linkend="_130e717e-c13f-4dc3-9a0b-8c7c00ad9053" /> leidt niet tot een ander oordeel, nu geen sprake is van een vergelijkbare zaak. In die uitspraak had de gedupeerde aan de hand van diverse officiële en objectieve bewijsstukken het bestaan van de schulden en de afbetaling daarvan voldoende onderbouwd, waardoor het vereiste van een notariële akte volgens de rechtbank niet aan haar mocht worden tegengeworpen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>Het beroep van eiseres op de hardheidsclausule gaat eveneens niet op. De wetgever heeft de hardheidsclausule bedoeld voor bijzondere situaties die niet zijn voorzien en waarin toepassing van de wettelijke bepaling zou leiden tot een zeer onbillijke uitkomst en schrijnende gevallen.<footnote-ref linkend="_b49ed080-d72f-4926-9407-6871b387c6c8" /> Eiseres heeft in het kader van de hardheidsclausule enkel verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland. <footnote-ref linkend="_c2875695-ddf5-43c6-b9df-e0ff0d92b4bc" /> Deze enkele verwijzing is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende. Zo heeft eiseres niet aangegeven wat maakt dat zij in een zodanig problematische of schrijnende situatie verkeert die de wetgever niet heeft voorzien. Dat sprake is van een gelijk geval als in de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken. In wat eiseres heeft aangevoerd, hoefde verweerder dus geen aanleiding te zien om de hardheidsclausule toe te passen. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. E.H. Maas, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.  </para>
  </section>
  <footnote id="_204f8f73-0f6d-4c13-a3f8-cb1426161c74" label="1">
    <para> Voorheen de Belastingdienst/Toeslagen.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b60154ec-33ac-435f-a0ab-4e7731ae6428" label="2">
    <para> ECLI:NL:RBAMS:2024:494.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7ba882a9-08dd-4acf-adb0-b2948e069468" label="3">
    <para> ECLI:NL:RBNNE:2024:3247.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_be7438b2-d987-46ea-b40e-fd3d80fb6530" label="4">
    <para> Dit geldt ten aanzien van andere dan hypothecaire leningen, zie artikel 4.1, vierde lid, aanhef en onder b, van de Wht.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8e271d3e-7f65-432b-9eee-77ce2a82e401" label="5">
    <para> De uitspraken van de Afdeling van 15 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2040 en ECLI:NL:RVS:2024:2045.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_130e717e-c13f-4dc3-9a0b-8c7c00ad9053" label="6">
    <para> ECLI:NL:RBAMS:2024:494.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b49ed080-d72f-4926-9407-6871b387c6c8" label="7">
    <para> Kamerstukken II 2021/22, 36 151, nr. 3, p. 162.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c2875695-ddf5-43c6-b9df-e0ff0d92b4bc" label="8">
    <para> ECLI:NL:RBNNE:2024:3247.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>