<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2024:2310</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-03-01T10:01:25</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-02-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-02-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL24.3539 en NL24.3540</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorzieningbodemzaak">Voorlopige voorziening+bodemzaak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:2310">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:2310</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-02-27T09:13:08</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-03-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2024:2310 Rechtbank Den Haag , 23-02-2024 / NL24.3539 en NL24.3540</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2024:2310:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Dublin Duitsland ogg</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2024:2310:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummers: NL24.3539 en NL24.3540 </para>
    <para>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [eiser/verzoeker], V-nummer: [v-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser)</title>
    <para>(gemachtigde: mr. F. Lavell),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.</title>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 24 januari 2024 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Geen zitting</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond.<footnote-ref linkend="_098c47f7-62b2-43fb-920c-75ce58f59095" /> Hieronder legt de rechtbank dit uit.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Waar gaat deze zaak over?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Eiser stelt de Syrische nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedag] 2001. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat vindt eiser in beroep?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Eiser meent dat verweerder er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat eiser de vrijheid moet hebben om zelfstandig naar Duitsland te reizen en om zich daar te melden bij de autoriteiten. Er zijn momenteel geen omstandigheden die rechtvaardigen dat eiser zijn vrijheid wordt beperkt. Dit maakt dat de begeleide overdracht disproportioneel is. Verweerder heeft ten onrechte volstaan met de overweging dat hij kan klagen bij de Duitse autoriteiten. Verder wordt verzocht om eiser de mogelijkheid te geven om gedurende de behandeling van de Dublinprocedure in Nederland te verblijven en gebruik te mogen maken van de gebruikelijke voorzieningen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat is het oordeel van de rechtbank?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5.  Met betrekking tot de stelling van eiser dat de begeleide overdracht disproportioneel is, wordt overwogen dat verweerder bij samenwerking met de Duitse autoriteiten afhankelijk is van hun werkwijze. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling van 10 augustus 2017<footnote-ref linkend="_50781822-9e85-4e46-ac4e-f8b1ef07cf93" />, waarin het volgende is overwogen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Artikel 7, eerste lid, van de Uitvoeringsverordening bepaalt dat de overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat gebeurt op een van de drie wijzen die in dat artikel zijn genoemd. Uit de Uitvoeringsverordening volgt niet dat de wijzen van overdracht in een bepaalde rangorde tot elkaar staan. De staatssecretaris is aldus niet verplicht een vreemdeling altijd de gelegenheid te bieden voor een overdracht op eigen initiatief. Deze verplichting kan evenmin worden afgeleid uit punt 24 van de considerans van de Dublinverordening. De Uitvoeringsverordening gaat uit van de samenwerking tussen de lidstaten met het oog op de overdracht. Nu de staatssecretaris bij de samenwerking met de Duitse autoriteiten afhankelijk is van hun werkwijze, heeft de rechtbank niet onderkend dat de staatssecretaris naar aanleiding van de mededeling van de Duitse autoriteiten de vreemdeling terecht de mogelijkheid heeft onthouden zelf verantwoordelijkheid te nemen voor zijn overdracht. De staatssecretaris betoogt voorts terecht dat het besluit geen gedwongen overdracht inhoudt, maar een gecontroleerd vertrek als bedoeld in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Uitvoeringsverordening. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft eiser daarom terecht de mogelijkheid onthouden zelf verantwoordelijkheid te nemen voor zijn overdracht. Indien eiser meent dat deze werkwijze van de Duitse autoriteiten een ongerechtvaardigde inbreuk op zijn vrijheid is, ligt het op zijn weg om bij de Duitse autoriteiten of eventueel bij het EHRM<footnote-ref linkend="_a0a336ee-7f9e-400c-9e42-500c2b6f25d9" /> hierover te klagen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <para>6. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond. </para>
    <para />
    <para>7. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit<footnote-ref linkend="_59c126c3-359b-4b39-9baf-1b70ef2b8d14" />, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.</para>
    <para />
    <para>8. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van B.C.N. van Slingerland, griffier.</para>
      <para>De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Bent u het niet eens met deze uitspraak?</emphasis>
      </para>
      <para />
      <para>Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.</para>
      <para />
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_098c47f7-62b2-43fb-920c-75ce58f59095" label="1">
    <para> Zie artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_50781822-9e85-4e46-ac4e-f8b1ef07cf93" label="2">
    <para>ECLI:NL:RVS:2017:2162</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a0a336ee-7f9e-400c-9e42-500c2b6f25d9" label="3">
    <para> het Europees Hof voor de Rechten van de Mens</para>
  </footnote>
  <footnote id="_59c126c3-359b-4b39-9baf-1b70ef2b8d14" label="4">
    <para> Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Awb.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>