<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2024:22835</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-01-27T13:46:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-01-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-03-28</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">EOB-1-2023046 l 69</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#raadkamer">Raadkamer</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:22835">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:22835</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-01-27T13:09:16</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-01-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2024:22835 Rechtbank Den Haag , 28-03-2024 / EOB-1-2023046 l 69</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2024:22835:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>EOB beklag ex art 552a jo 5.4.10 Sv niet ontvankelijk</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2024:22835:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>beslissing</para>
    <mediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="bd1f7440-d2bc-4ec0-a553-1ef48b466ad0" depth="2" width="526" format="image/png" />
      </imageobject>
    </mediaobject>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Strafrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Diasnummer: EOB-1-2023046 l 69 Raadkamernummer: 24-006223</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Beslissing van de rechtbank Den Haag, enkelvoudige raadkamer in strafzaken, op het beklag ex artikel 552a juncto artikel 5.4.10 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [klager] ,</emphasis>
      </para>
      <para>voor deze zaak woonplaats kiezende op het kantoor van zijn raadslieden mr. P.J. Draijer en mr. L.E.F. Pietersen,</para>
      <para>De Lairessestraat 153 l 075 HK Amsterdam</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna: klager.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Inleiding</title>
    <para>Naar aanleiding van een Europees Onderzoeksbevel (hierna: EOB) van de Duitse autoriteiten, is in het kader van een strafrechtelijk onderzoek op l l januari 2024 beslag gelegd op een iPhone 15 Pro.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Klager heeft op 8 maart 2024 bij deze rechtbank een beklag ex artikel 552a Sv ingediend, strekkende tot teruggave van voormelde goederen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De procedure in raadkamer</title>
    <para>De rechtbank heeft dit beklag op 14 maart 2024 in raadkamer behandeld en heeft kennis genomen van het dossier met bovengenoemd diasnummer.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Klager is niet verschenen. Aanwezig waren zijn raadslieden, mrs. P.J. Draijer en L.E.F. Pietersen,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie, mr. S. van Brakel, is gehoord.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Het standpunt van klager</title>
    <para>De raadslieden van klager hebben zich op het standpunt gesteld dat het klaagschrift ontvankelijk en gegrond moet worden verklaard. Klager heeft geen kennisgeving van inbeslagname ontvangen en had daarom geen kennis van zijn beklagrecht. Uit de stukken die de raadslieden ontvingen op 28 februari 2024 bleek dat de telefoon van klager in beslag was genomen.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Het standpunt van de officier van justitie</title>
    <para>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het beklag ongegrond moet worden verklaard. De officier van justitie voert aan dat de telefoon niet is uitgelezen en op 12 januari 2024 is geretourneerd aan klager.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Het oordeel van de rechtbank</title>
    <paragroup>
      <nr>5.1</nr>
      <parablock>
        <para>De bevoegdheid van de rechtbank</para>
        <para>De bevoegdheid van de rechtbank tot kennisneming van het beklag voorwerpen vloeit voort uit artikel 5.4.10, derde lid,juncto artikel 552a, vierde lid, Sv. Nu het gaat om beslag ter uitvoering van een EOB, is het arrondissement van inbeslagneming leidend voor de bevoegdheid van de rechtbank.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2</nr>
      <parablock>
        <para>De ontvankelijkheid van klager</para>
        <para>Ingevolge artikel 5.4.10 Sv moet een beklag tegen inbeslagname naar aanleiding van een EOB binnen veertien dagen na kennisgeving van het rechtsmiddel worden ingediend bij de rechtbank.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Indien zich de omstandigheid voortdoet dat het Openbaar Ministerie geen kennisgeving aan een belanghebbende heeft gedaan, maar die persoon langs andere weg op de hoogte is geraakt van de uitvoering van een inbeslagname naar aanleiding van een EOB, dient een klaagschrift te worden ingediend binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de belanghebbende met de uitvoering van het EOB bekend is geworden (vgl. <emphasis role="bold">HR </emphasis>6 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:177).</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Na de beslaglegging op 11 januari 2024 in het bijzijn van klager, is de iPhone op 12 januari 2024 na overleg met klager geretourneerd aan [naam] . Op 19 januari 2024 is de beslaglijst verstrekt door een ontvangstbewijs middels PostNL op het adres van klager.</para>
        <para>Hieruit volgt dat zich meerdere omstandigheden hebben voorgedaan waaruit voortvloeit dat klager langs andere weg dan via een kennisgeving door het Openbaar Ministerie op de hoogte is geraakt van de uitvoering van de inbeslagname naar aanleiding van het EOB.</para>
        <para>Klager heeft vervolgens pas op 8 maart 2024 en mitsdien ruim buiten de termijn van veertien dagen zijn klaagschrift ingediend bij de rechtbank, zodat hij niet kan worden ontvangen in zijn beklag.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>Beslissing</title>
    <para>De rechtbank verklaart de klager niet-ontvankelijk in zijn beklag.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gedaan te Den Haag door mr. E.A.G.M. van Rens, rechter, in tegenwoordigheid van mr. D.G. Lammerts van Bueren, en B.M. Boxma, griffiers, en uitgesproken ter openbare zitting van 28 maart 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is ondertekend door de rechter en de griffiers.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>