<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2024:2213</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-02-28T18:00:08</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-02-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-02-14</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">23/2659</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:2213">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:2213</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-02-22T11:43:59</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-02-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2024:2213 Rechtbank Den Haag , 14-02-2024 / 23/2659</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2024:2213:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bezwaar te laat ingediend. Terecht niet-ontvankelijk verklaard.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2024:2213:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: SGR 23/2659 </para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 februari 2024 in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [eiser] , uit [woonplaats] , eiser</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder</title>
    <para>(gemachtigde: mr. [naam] ).</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. De rechtbank beoordeelt eisers beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen de vaststelling van zijn OV-schuld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Bij besluit van 10 april 2020 heeft verweerder een OV-schuld vastgesteld voor de periode van 1 april 2019 tot en met maart 2020; vervolgens is bij besluit van 10 mei 2020 een OV-schuld vastgesteld voor april 2020 (“de primaire besluiten”). Met het bestreden besluit van 15 maart 2023 is het bezwaar tegen de primaire besluiten niet-ontvankelijk verklaard.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 17 januari 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en de gemachtigde van verweerder deelgenomen. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Waar gaat deze zaak over?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Van januari 2019 tot en met april 2020 heeft eiser studiefinanciering ontvangen, in de vorm van een basisbeurs en een reisvoorziening.</para>
    <para />
    <para>3. Over de periode van april 2019 tot en met maart 2020 is een OV-schuld vastgesteld, omdat eiser in die periode gebruik heeft gemaakt van de reisvoorziening, terwijl hij daar volgens verweerder geen recht meer op had. Omdat ook in april 2020 met de reisvoorziening is gereisd, is voor die maand eveneens een OV-schuld vastgesteld. </para>
    <para />
    <para>4. De primaire besluiten zijn op 10 april en 10 mei 2020 geplaatst op mijn.duo.nl (“Mijn DUO”).  </para>
    <para />
    <para>5. Op 11 oktober 2020 is op verzoek van eiser een betalingsregeling toegekend. </para>
    <para />
    <para>6. Eiser heeft op 28 februari 2023 bezwaar gemaakt tegen de primaire besluiten, ruim nadat de bezwaartermijnen waren verstreken. Verweerder heeft eiser niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaar niet tijdig is ingediend. </para>
    <para />
    <para>7. Eiser wil dat de oplegging van de OV-schuld alsnog inhoudelijk wordt beoordeeld. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat stelt eiser in beroep?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>8. Ter zitting heeft eiser verklaard dat hij de op Mijn DUO geplaatste besluiten heeft geopend. Vanwege moeilijkheden en een gebrek aan structuur in de persoonlijke sfeer, heeft hij de OV-schuld geaccepteerd zonder erbij na te denken. Vervolgens is hij de schuld gaan afbetalen. Toen op enig moment een deurwaarder bij zijn ouders langskwam, heeft zijn vader hem gevraagd waarom hij die schuld afbetaalde. Eiser heeft zich daarna pas gerealiseerd dat de terugbetalingen ten onrechte zijn gedaan, omdat er een fout is gemaakt bij het stopzetten van de reisvoorziening.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat oordeelt de rechtbank?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>9. De rechtbank moet beoordelen of het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Dat is het geval. Daarbij is het volgende van belang. </para>
    <para />
    <para>10. Een bezwaarschrift moet worden ingediend binnen zes weken, met ingang van de dag na die waarop een besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.<footnote-ref linkend="_0a8c9b94-6d96-4635-9d30-402d53a902c5" /> Onder bekendmaking wordt ook elektronische bekendmaking begrepen, als de geadresseerde heeft aangegeven langs die weg bereikbaar te zijn.<footnote-ref linkend="_3c84525c-986a-414c-9be4-070d6faac05f" /> Elektronische bekendmakingen van besluiten over studiefinanciering kunnen worden gedaan door plaatsing op Mijn DUO. Daarbij geldt de datum van plaatsing op deze website als het moment van bekendmaking. <footnote-ref linkend="_e96d18f5-f8cd-4b1e-8258-821007db2c33" /></para>
    <para />
    <para>11. Eiser heeft niet bestreden, dat hij ervoor heeft gekozen de berichten van DUO elektronisch te ontvangen. Ook heeft hij erkend de berichten in de digitale omgeving van Mijn DUO te hebben geopend. Uit de dossierstukken blijkt verder, dat eiser het elektronische bestand met het besluit van 10 april 2020 op diezelfde dag om 22:08 uur heeft geopend. Daarnaast blijkt uit de dossierstukken dat eiser het elektronische bestand met het besluit van 10 mei 2020, op diezelfde dag heeft geopend om 17:26 uur. Eiser was dus in de gelegenheid om tijdig bezwaar te maken tegen de primaire besluiten. </para>
    <para />
    <para>12. Gelet op zijn leeftijd en leefsituatie in de bewuste periode, is het begrijpelijk dat eiser misschien het overzicht niet heeft gehad en zich onvoldoende heeft gerealiseerd dat hij tijdig bezwaar moest maken. Het is echter wel de verantwoordelijkheid van eiser om tijdig bewaar in te dienen en de door hem aangedragen omstandigheden zijn niet dusdanig bijzonder dat de overschrijding van de bezwaartermijn niet voor zijn risico zou moeten komen.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>13. Het bezwaar is te laat ingediend en terecht niet-ontvankelijk verklaard. Daarmee is het beroep dus ongegrond. Het bestreden besluit blijft in stand. Voor een proceskostenvergoeding is geen aanleiding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. van der Waals, rechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>mr. D.C. van Genderen, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op </para>
      <para>14 februari 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.  </para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_0a8c9b94-6d96-4635-9d30-402d53a902c5" label="1">
    <para> Artikel 6:7 en 6:8 eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_3c84525c-986a-414c-9be4-070d6faac05f" label="2">
    <para> Artikel 2:14 van de Algemene wet bestuursrecht. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_e96d18f5-f8cd-4b1e-8258-821007db2c33" label="3">
    <para> Centrale Raad van Beroep, 7 augustus 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1216.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>