<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2024:20452</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-12-20T00:07:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-12-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-12-06</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">SGR 24/7740</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:20452">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:20452</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-12-09T15:38:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-12-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2024:20452 Rechtbank Den Haag , 06-12-2024 / SGR 24/7740</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2024:20452:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Pkv-uitspraak na intrekking beroep. Kennelijk gegrond. Verweerder heeft de rechtbank verzocht om een wegingsfactor 0,25 toe te kennen. De rechtbank stelt vast dat uit vaste rechtspraak volgt dat bij het uitspreken van een proceskostenveroordeling een wegingsfactor licht (factor 0,5) wordt toegepast als het beroepschrift is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit en het beroep van eenvoudige aard is. Een beroep is in ieder geval van eenvoudige aard als alleen de niet-tijdigheid van het beslissen moet worden beoordeeld. De rechtbank is van oordeel dat daar in dit geval sprake van is. Uit de door verweerder aangehaalde uitspraak volgt niet waarom de rechtbank Midden-Nederland een wegingsfactor 0,25 toepast. De rechtbank zal in dit geval dan ook een wegingsfactor 0,5 toepassen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2024:20452:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: SGR 24/7740 </para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 december 2024 in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker</title>
    <para>(gemachtigde: S. Foullani),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen</emphasis>, verweerder </para>
      <para>(gemachtigde: C. Schravesande).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoeker om een veroordeling van verweerder in de proceskosten. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Verzoeker heeft op 22 april 2024 bezwaar gemaakt tegen de beslissing van verweerder van 11 april 2024 waarin de uitkering die eiser op grond van de Ziektewet ontving, is beëindigd. Op 25 juli 2024 heeft verzoeker verweerder in gebreke gesteld in verband met het niet tijdig beslissen op het bezwaar. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>De rechtbank heeft partijen uitgenodigd op de zitting van 21 november 2024. Deze zitting is niet doorgegaan omdat verzoeker op 18 november 2024 het beroep heeft ingetrokken. Verweerder heeft namelijk op 14 november 2024 alsnog een beslissing genomen op het bezwaar. Verzoeker heeft verzocht om verweerder te veroordelen in de proceskosten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <para>De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. Verweerder heeft de rechtbank meegedeeld zich niet te verzetten tegen een veroordeling in de proceskosten conform het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Verweerder heeft daarnaast verzocht om een wegingsfactor toe te passen van 0,25.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.6.</nr>
      <para>De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.<footnote-ref linkend="_dc38f069-98f1-49ec-9876-9a992c3a08e5" /></para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <para>2. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>3. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.<footnote-ref linkend="_2f9a1b73-42e0-43e5-83dc-51bf068f3e80" /></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Is verweerder aan verzoeker tegemoetgekomen?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>4. De rechtbank moet dus beoordelen of verweerder geheel of gedeeltelijk aan verzoeker is tegemoetgekomen. Omdat verweerder op 14 november 2024 alsnog een beslissing heeft genomen op het bezwaar van verzoeker, stelt de rechtbank vast dat verweerder geheel tegemoet is gekomen aan het beroeps van verzoeker tegen het niet tijdig nemen van een besluit.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Welk bedrag aan proceskosten moet verweerder aan verzoeker vergoeden?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>5. De rechtbank wijst het verzoek als kennelijk gegrond toe. Verzoeker krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. </para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>Verweerder heeft de rechtbank verzocht om een wegingsfactor van 0,25 toe te passen, omdat de zaak uitsluitend gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden en dat al uit de ingebrekestelling blijkt dat verweerder niet tijdig heeft beslist en er een dwangsom wordt verbeurd. De werkzaamheden van een gemachtigde kunnen volgens verweerder in dit soort zaken zeer beperkt blijven. Dit blijkt volgens verweerder ook uit het beroepschrift dat in feite niet meer bevat dan een opsomming van de relevante data en de constatering dat er nog geen beslissing op het bezwaar is genomen. Verweerder verwijst naar een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 17 mei 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:5380.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>De rechtbank stelt vast dat uit vaste rechtspraak volgt dat bij het uitspreken van een proceskostenveroordeling een wegingsfactor licht (factor 0,5) wordt toegepast als het beroepschrift is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit en het beroep van eenvoudige aard is. Een beroep is in ieder geval van eenvoudige aard als alleen de niet-tijdigheid van het beslissen moet worden beoordeeld. De rechtbank is van oordeel dat daar in dit geval sprake van is. Uit de door verweerder aangehaalde uitspraak volgt niet waarom de rechtbank Midden-Nederland een wegingsfactor 0,25 toepast. De rechtbank zal in dit geval dan ook een wegingsfactor 0,5 toepassen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>De gemaakte proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 437,50 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 0,5).</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Krijgt verzoeker een vergoeding van het griffierecht?</emphasis>
        </para>
        <para>6. De rechtbank wijst erop dat verweerder verplicht is het door verzoeker betaalde griffierecht van € 51,- te vergoeden.<footnote-ref linkend="_2dd404a3-f690-4823-881a-0927ac69a8a6" />Verzoeker moet zich hiervoor dan ook tot verweerder wenden.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 437,50 aan proceskosten aan verzoeker.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Klaus, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 6 december 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over verzet</title>
    <para>Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. </para>
  </section>
  <footnote id="_dc38f069-98f1-49ec-9876-9a992c3a08e5" label="1">
    <para> Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2f9a1b73-42e0-43e5-83dc-51bf068f3e80" label="2">
    <para> Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2dd404a3-f690-4823-881a-0927ac69a8a6" label="3">
    <para> Dit volgt uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>