<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2024:20425</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-12-20T09:25:29</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-12-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-12-06</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL24.45477</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:20425">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:20425</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-12-09T12:37:58</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-12-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2024:20425 Rechtbank Den Haag , 06-12-2024 / NL24.45477</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2024:20425:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bewaring - artikel 6</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2024:20425:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL24.45477</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. M.R. Verdoner),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de Minister van Asiel en Migratie, verweerder,</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. J. van Dam).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 28 oktober 2024 (het bestreden besluit) is aan eiseres met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen hebben toestemming verleend de zaak schriftelijk te behandelen. De gemachtigde van eiseres heeft op 25 november 2024 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft hier op 28 november 2024 op gereageerd. De rechtbank heeft op 29 november 2024 het onderzoek gesloten.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.</para>
    <para />
    <para>2. Op grond van artikel 5.1a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.<?linebreak?></para>
    <para>3. Eiseres voert aan dat verweerder ten onrechte geen lichter middel heeft opgelegd. Daarnaast zijn haar individuele feiten en omstandigheden in strijd met artikel 5 en artikel 8 van het EVRM.<footnote-ref linkend="_f925c7bb-54cf-4adf-9f3f-ba8bf7215eec" /> niet in de besluitvorming meegenomen. Eiseres is kwetsbaar en detentie kan leiden tot ernstige psychische schade. Dit is in strijd met het Istanbulprotocol en artikel 3 van het EVRM. Verweerder heeft ook ten onrechte gebruik gemaakt van een tolk Frans. Eiseres heeft grote moeite gehad met het begrijpen van deze tolk. Volgens eiseres heeft verweerder de informatieplicht geschonden. Verder zijn er structurele tekortkomingen in de grensprocedure als gevolg van de hoge druk op de bewaringscapaciteit. </para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Verder verzoekt eiseres om ook het asiel- terugkeerbesluit te betrekken bij toetsing van de bewaringsmaatregel. Daarover voert eiseres – kort samengevat - aan dat zij vreest voor uithuwelijking en genitale verminking. Daarnaast heeft eiseres niet tijdig rechtsbijstand ontvangen voorafgaand aan de gehoren en is het besluit in strijd met het beginsel van non-refoulement. Ook is de aanvraag van eiseres ten onrechte afgedaan als kennelijk ongegrond.</para>
      <para />
      <para>4. De rechtbank overweegt als volgt.</para>
      <para />
      <para>5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De stress die eiseres ervaart, maakt niet dat verweerder een lichter middel moet opleggen en daarmee het grensbewakingsbelang moet prijsgeven. Eiseres kan zich wenden tot de medische dienst in het detentiecentrum en niet is gesteld of gebleken dat de stress die eiseres ervaart dusdanig ernstig is dat zij niet meer detentie kan verblijven. In de stelling dat eiseres kwetsbaar is, heeft verweerder evenmin aanleiding hoeven zien een lichter middel op te leggen. Verder oordeelt de rechtbank dat uit paragraaf C1/2.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 volgt dat verweerder gedurende de behandeling van het asielverzoek in de grensprocedure voortdurend dient af te wegen of het asielverzoek zich nog steeds leent voor afdoening in de grensprocedure. Niet is gebleken dat verweerder deze afweging niet maakt. Van strijd met het EVRM of het Istanbulprotocol is dan ook niet gebleken.</para>
      <para />
      <para>6. Ten aanzien van hetgeen is aangevoerd over de tolk Frans, stelt de rechtbank vast dat op bladzijde 3 van de beschikking van 28 oktober 2024 staat dat de strekking en inhoud van het besluit aan eiseres is medegedeeld en dat eiseres dit begreep. Ook uit het proces-verbaal van gehoor en het proces-verbaal van bevindingen bij aanvraag asiel blijkt niet dat eiseres de tolk Frans niet begreep. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat de communicatie niet effectief was of dat eiseres onvoldoende is geïnformeerd. </para>
      <para />
      <para>7. Over de omstandigheden in het detentiecentrum overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank kan zich voorstellen dat mogelijk sprake is van verslechterde omstandigheden in het detentiecentrum op Schiphol door het plotselinge verblijf van een groot aantal vreemdelingen daar. De rechtbank kan echter niet oordelen over de wijze waarop feitelijk uitvoering wordt gegeven aan het regime binnen het detentiecentrum waar eiseres in bewaring is gesteld. Volgens vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter staat hier namelijk een andere rechtsgang voor open. </para>
      <para />
      <para>8. Daarnaast kunnen de gronden die zich richten tegen het asielbesluit en het daarmee gepaard gaande terugkeerbesluit niet in deze procedure aan de orde komen. De rechtbank wijst in dat verband op de uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 22 december 2021.<footnote-ref linkend="_f06c7e57-19d2-4010-931a-2226276cd4ce" /></para>
      <para />
      <para>9. Nu ook anderszins niet is gebleken dat de maatregel van bewaring onrechtmatig moet worden geacht, is het beroep ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.</para>
      <para />
      <para>10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para>- verklaart het beroep ongegrond;</para>
    <para>- wijst het verzoek om schadevergoeding af.<?linebreak?></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_f925c7bb-54cf-4adf-9f3f-ba8bf7215eec" label="1">
    <para> Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f06c7e57-19d2-4010-931a-2226276cd4ce" label="2">
    <para> Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 december 2021. ECLI:NL:RVS:2021:2870.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>