<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2024:20016</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-02-13T13:29:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-12-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-12-02</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL24.38825</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RVS:2025:356" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#niet ontvankelijk">Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2025:356, Niet ontvankelijk</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:20016">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:20016</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-12-03T09:17:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-12-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2024:20016 Rechtbank Den Haag , 02-12-2024 / NL24.38825</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2024:20016:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Dublin Zwitserland - Voornemen niet voldoende op persoonlijke omstandigheden ingegaan - artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening - vraag wat onder 'verlopen' wordt verstaan - onduidelijke manier van toetsing tussen interstatelijk vertrouwensbeginsel en bijzondere, individuele omstandigheden - artikel 17, eerste lid, Dublinverordening – beroep ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2024:20016:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Middelburg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL24.38825</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , eiser,  V-nummer: [V-nummer] ,</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. R. Deniz),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de minister van Asiel en Migratie</emphasis>, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder</para>
      <para>(gemachtigde: mr. C.W.M. van Breda).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 1 oktober 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.<footnote-ref linkend="_e69a0f53-e07c-4d76-aa6e-583318018516" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 21 november 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is aanwezig [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <para>1. Eiser is geboren op [datum] 1990 en heeft de Jemenitische nationaliteit. Hij heeft op 16 april 2024 asiel aangevraagd in Nederland. </para>
    <para />
    <para>2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen. Uit eisers paspoort en onderzoek in EU-Vis is gebleken dat eiser door de buitenlandse vertegenwoordiging van Zwitserland in het bezit is gesteld van een visum, dat geldig was van 18 september 2023 tot 29 oktober 2023. Op grond van artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening<footnote-ref linkend="_67f2728e-b6eb-481f-89ac-269f2b322c5b" /> heeft Nederland aan Zwitserland een verzoek om overname gedaan. Op 20 juni 2024 hebben de Zwitserse autoriteiten het verzoek aanvaard, waarmee de verantwoordelijkheid van Zwitserland vaststaat.</para>
    <para>3. Eiser kan zich niet met het bestreden besluit verenigen en voert daartoe het volgende aan. Verweerder heeft ten onrechte overwogen dat eisers visum minder dan zes maanden was verlopen op het moment dat hij zijn asielaanvraag indiende in Nederland. Ten onrechte is Zwitserland op grond van artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening verantwoordelijk geacht voor de behandeling van eisers asielaanvraag. De geldigheid van zijn visum verliep namelijk op 7 oktober 2023, zeven dagen nadat hij Zwitserland is ingereisd. Verder zijn niet alle persoonlijke omstandigheden van eiser betrokken in het voornemen. In dit kader verwijst eiser naar de uitspraak van de Afdeling<footnote-ref linkend="_f234dac1-6a5a-420b-b221-737cd1db370f" /> van 23 november 2023.<footnote-ref linkend="_b4299bb9-2c9c-4184-90c2-2bc7e86fdf5c" /> Ook is onduidelijk op welke wijze verweerder heeft getoetst aan artikel 17 van de Dublinverordening. De toets of eiser kan worden overgedragen op grond van artikel 4 van het Handvest staat los van de beoordeling op basis van artikel 17 van de Dublinverordening. Eiser verwijst in dit kader naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 12 juli 2024.<footnote-ref linkend="_718283e0-18f8-4150-8dea-9be9e680eae3" /> Daarnaast maakt overdracht aan Zwitserland dat de situatie van eiser meer onzeker wordt, met name omdat zijn gezin gevaar loopt in Jemen. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank oordeelt als volgt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Eiser wordt niet gevolgd in zijn standpunt dat het visum meer dan zes maanden was verlopen ten tijde van zijn asielaanvraag in Nederland. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 23 juli 2019<footnote-ref linkend="_51aeb60b-8682-4b8b-8ddb-64564222057e" /> overwogen dat voor de term ‘verlopen’ uit artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening, gezien de context en het doel van die bepaling, moet worden aangesloten bij de geldigheidsduur van het visum. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding om tot een andere uitleg van de term ‘verlopen’ te komen. Eisers visum was geldig tot 29 oktober 2023. Nu op 16 april 2024, de dag van de asielaanvraag van eiser in Nederland, nog geen zes maanden waren verstreken sinds </para>
    <para>29 oktober 2023, stelt verweerder terecht dat Zwitserland op grond van artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de asielaanvraag van eiser. </para>
    <para />
    <para>5. Eiser wordt daarnaast niet gevolgd in zijn stelling dat niet al zijn persoonlijke omstandigheden in het voornemen zijn betrokken. Hoewel niet alle verklaringen van eiser kenbaar in het voornemen zijn betrokken, zijn daarin wel de door verweerder dragende overwegingen opgenomen. Eiser heeft door het indienen van een zienswijze de gelegenheid gehad om te reageren op het voornemen. Verweerder heeft vervolgens in het bestreden besluit de verklaringen van eiser uit het aanmeldgehoor en hetgeen eiser in de zienswijze naar voren heeft gebracht, betrokken. In dit kader verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling van 23 november 2023, waarin sprake was van een vergelijkbare handelwijze van verweerder.<footnote-ref linkend="_2000aaeb-12d5-4c14-84b8-3c8ef29258d3" /> Door eiser is ook niet geconcretiseerd hoe hij hierdoor in zijn belangen is geschaad. Daarnaast is het voornemen geen rechtshandeling, maar een voorgenomen mededeling van feitelijke aard die wordt bekendgemaakt aan eiser. Een voornemen is dus geen op rechtsgevolg gericht besluit. Zoals hierboven overwogen is, is eiser in de gelegenheid gesteld om op het voornemen te reageren voor een besluit werd genomen, waarvan eiser gebruik heeft gemaakt. De beroepsgrond slaagt niet. </para>
    <para />
    <para>6. In beginsel mag verweerder ten aanzien van Zwitserland, dat evenals Nederland partij is bij het EVRM<footnote-ref linkend="_5c4729b4-05ab-4c7b-b035-6d502ec1de26" /> en het Vluchtelingenverdrag, uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit is bevestigd in de uitspraak van de Afdeling van 12 juli 2024.<footnote-ref linkend="_8d882987-6bb3-42d0-9fa4-c91fe17da168" /> Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval niet kan. Eiser is hier niet in geslaagd. Niet is gebleken van een dusdanige tekortkomingen in de asiel- en opvangvoorzieningen in Zwitserland dat eiser bij overdracht een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest.<footnote-ref linkend="_f4677acb-36a6-4f3c-b8a5-4686a5387616" /> Hierbij wordt in aanmerking genomen dat eiser niet eerder een asielaanvraag heeft ingediend in Zwitserland. Bovendien hebben de Zwitserse autoriteiten met de aanvaarding van het overnameverzoek toegezegd dat zij de asielaanvraag van eiser in behandeling zullen nemen met inachtneming van de Europese asielrichtlijnen en internationale verplichtingen. </para>
    <para />
    <para>7. Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden, die maken dat overdracht aan Zwitserland van onevenredige hardheid getuigt. Voorts heeft verweerder terecht overwogen dat eiser zich bij voorkomende problemen kan wenden tot de (hogere) Zwitserse autoriteiten. Niet is gebleken dat eiser bij voorkomende problemen niet kan klagen of dat dit bij voorbaat zinloos is. Ook dient eiser zijn asielrelaas bij de Zwitserse autoriteiten naar voren te brengen, nu zij verantwoordelijk zijn voor de inhoudelijke behandeling van zijn asielaanvraag. In de Dublinprocedure wordt niet beoordeeld of eiser in aanmerking komt voor een dergelijke verblijfsvergunning.<footnote-ref linkend="_f0932f70-aeb1-4c05-99b8-2cb7f4b4a7c1" /> Verweerder heeft dan ook in redelijkheid kunnen beslissen dat er geen aanleiding is om de asielaanvraag van eiser onverplicht aan zich te trekken met toepassing van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. </para>
    <para />
    <para>8. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser terecht niet in behandeling genomen. Het beroep is ongegrond.</para>
    <para />
    <para>9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. </para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan op 2 december 2024 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op <emphasis role="underline">www.rechtspraak.nl</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Informatie over hoger beroep</emphasis>
      </para>
      <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger-beroepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hoger-beroepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_e69a0f53-e07c-4d76-aa6e-583318018516" label="1">
    <para> Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_67f2728e-b6eb-481f-89ac-269f2b322c5b" label="2">
    <para> Verordening (EU) nr. 604/2013. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_f234dac1-6a5a-420b-b221-737cd1db370f" label="3">
    <para> Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_b4299bb9-2c9c-4184-90c2-2bc7e86fdf5c" label="4">
    <para> ECLI:NL:RVS:2023:4348.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_718283e0-18f8-4150-8dea-9be9e680eae3" label="5">
    <para> ECLI:NL:RBDHA:2024:10838.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_51aeb60b-8682-4b8b-8ddb-64564222057e" label="6">
    <para> ECLI:NL:RVS:2019:2486, r.o. 4.5.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2000aaeb-12d5-4c14-84b8-3c8ef29258d3" label="7">
    <para> ECLI:NL:RVS:2023:4348.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5c4729b4-05ab-4c7b-b035-6d502ec1de26" label="8">
    <para> Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8d882987-6bb3-42d0-9fa4-c91fe17da168" label="9">
    <para> ECLI:NL:RBDHA:2024:10838.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f4677acb-36a6-4f3c-b8a5-4686a5387616" label="10">
    <para> Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f0932f70-aeb1-4c05-99b8-2cb7f4b4a7c1" label="11">
    <para> Volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 27 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:266.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>