<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2024:19905</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-12-02T08:50:09</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-12-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-11-29</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL24.45384</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:19905">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:19905</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-12-02T08:50:02</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-12-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2024:19905 Rechtbank Den Haag , 29-11-2024 / NL24.45384</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2024:19905:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>vervolgberoep, voortvarend handelen, onvolledig voortgangsrapport, gegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2024:19905:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG </emphasis>
      <?linebreak?>
    </para>
    <para>Zittingsplaats Middelburg</para>
    <para>
      <?linebreak?>Bestuursrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL24.45384</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , eiser</bridgehead>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [V-nummer]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. M.I. Vennik),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de minister van Asiel en Migratie, verweerder.</bridgehead>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft op 28 februari 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw<footnote-ref linkend="_4fe84834-b8ba-44b4-b097-fc185dbadeb8" /> opgelegd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft op 13 november 2024 de maatregel van bewaring opgeheven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft hierop gereageerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en op 22 november 2024 het onderzoek gesloten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Eiser stelt de Tunesische nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 2005.</para>
    <para />
    <para>2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.</para>
    <para>3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring en het voortduren daarvan al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats volgt dat de maatregel van bewaring en het voortduren daarvan tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraken ten grondslag heeft gelegen rechtmatig was.<footnote-ref linkend="_1d550a24-ae99-4a6b-99aa-bb06c6b3f239" /> Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, ter beoordeling of vanaf 10 oktober 2024 het voortduren van de maatregel van bewaring tot aan de opheffing daarvan rechtmatig is.</para>
    <para />
    <para>4. Eiser voert aan dat verweerder sinds het sluiten van het onderzoek onvoldoende voortvarend heeft gehandeld, omdat het voortgangsrapport zo goed als leeg is zodat niet onderzocht kan worden of, en zo ja, tot welke datum verweerder voldoende voortvarend heeft gehandeld. Er blijkt immers niet van enige handeling ter fine van uitzetting na het vertrekgesprek op 17 oktober 2024. Verder voert eiser aan dat hij wenst te beschikken over een volledig voortgangsrapport, zodat getoetst kan worden of er nog overige bijzonderheden aan de orde waren op grond waarvan de bewaring wellicht eerder had moeten worden opgeheven. Tot slot meent eiser dat nu het voortgangsrapport nagenoeg leeg is, verweerder niet aan haar informatieplicht heeft voldaan. Het is immers niet eens duidelijk of het voortgangsrapport wel op eiser ziet.</para>
    <para />
    <para>5. De rechtbank volgt het standpunt van eiser dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gewerkt aan de uitzetting van eiser uit Nederland. De rechtbank stelt vast dat, zoals eiser ook aanvoert, het voortgangsrapport onvolledig is. Zo ontbreken bijvoorbeeld de gegevens van eiser, de datum van inbewaringstelling en welke uitzettingshandelingen verweerder heeft verricht sinds 10 oktober 2024. Uit het voortgangsrapport blijkt slechts dat verweerder op 4 en 18 maart 2024 vertrekgesprekken met eiser heeft gevoerd. Daarnaast heeft verweerder verslagen van vertrekgesprekken van 6 mei 2024 en van 17 oktober 2024 overgelegd. Uit het voortgangsrapport blijkt niet dat verweerder sinds 17 oktober 2024 tot aan de opheffing van de bewaring op 13 november 2024 nog uitzettingshandelingen heeft verricht. Het gaat om een periode van bijna vier weken waarin verweerder heeft stilgezeten. In het verlengde hiervan ligt ook het oordeel besloten dat verweerder zijn informatieplicht heeft geschonden, nu verweerder heeft nagelaten inlichtingen te geven over de voortgang van de voorbereiding van de uitzetting van eiser. De beroepsgrond slaagt daarom. De maatregel is onrechtmatig vanaf 18 oktober 2024, de dag na het vertrekgesprek van 17 oktober 2024.</para>
    <para />
    <para>6. Het beroep is gegrond, omdat deze maatregel vanaf 18 oktober 2024 tot de opheffing daarvan op 13 november 2024 onrechtmatig heeft voortgeduurd. Dit leidt echter niet tot het opheffen van de maatregel van bewaring of het in vrijheid stellen van eiser, omdat de maatregel van bewaring al is opgeheven. De rechtbank kent wel een schadevergoeding toe voor 27 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel: 27 x € 100 (verblijf detentiecentrum) = € 2.700.</para>
    <para />
    <para>7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 875 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 875 en een wegingsfactor 1).</para>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para>- verklaart het beroep gegrond;</para>
    <para>- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 2.700 te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;</para>
    <para>- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 875.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan op 29 november 2024 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. Ż.A. Meinert, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.</para>
      <para />
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_4fe84834-b8ba-44b4-b097-fc185dbadeb8" label="1">
    <para>Vreemdelingenwet 2000.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1d550a24-ae99-4a6b-99aa-bb06c6b3f239" label="2">
    <para> Zie de uitspraken van 19 maart 2024, zaak NL24.9610, ECLI:NL:RBDHA:2024:4028 (deze uitspraak is bevestigd in hoger beroep door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State op 16 april 2024, zaak nummer 202401869/1/V3), 10 mei 2024, zaak NL24.18502, ECLI:NL:RBDHA:2024:7402, 24 juni 2024, zaak NL24.24202, ECLI:NL:RBDHA:2024:9968, 9 september 2024, zaak NL24.33321, ECLI:NL:RBDHA:2024:14378 en 17 oktober 2024, zaak NL24.38393, ECLI:NL:RBDHA:2024:17130.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>