<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2024:19375</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-11-26T11:59:02</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-11-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-10-28</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/09/663982 / FA RK 24-2343</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:19375">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:19375</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-11-26T11:58:42</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-11-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2024:19375 Rechtbank Den Haag , 28-10-2024 / C/09/663982 / FA RK 24-2343</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2024:19375:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Wet tijdelijk huisverbod. Na aanhouding voor aanvullende informatie gemeente, vernietiging besluit verlenging huisverbod. Geen noodzaak tot verlenging. Gemeente niet in redelijkheid van bevoegdheid gebruik gemaakt. Proceskostenveroordeling</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2024:19375:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">Rechtbank DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Enkelvoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Rekestnummer: FA RK 24-2343</para>
      <para>Zaaknummer: C/09/663982</para>
      <para>Datum uitspraak: 28 oktober 2024</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">Wet tijdelijk huisverbod</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">Uitspraak inzake: </bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , </bridgehead>
    <parablock>
      <para>eiser,</para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,   </para>
      <para>gemachtigde: mr. H.H.R. Bruggeman te Leiderdorp,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen: </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de burgemeester van de gemeente Leiden, </bridgehead>
    <para>verweerder.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Als belanghebbende wordt aangemerkt:</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [de achterblijfster] ,</bridgehead>
    <parablock>
      <para>de achterblijfster, </para>
      <para>wonende te [woonplaats] .</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>I Verdere Procesverloop </title>
    <para>Bij tussenuitspraak van 25 juli 2024 van deze rechtbank heeft de rechtbank zich onvoldoende geïnformeerd geacht om te beslissen over de vraag of verweerder in redelijkheid het huisverbod heeft kunnen verlengen en is:</para>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>bepaald dat de verweerder binnen vier weken na heden zich bij akte uit dient te laten als hiervoor vermeld;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaald dat eiser vervolgens uiterlijk vier weken na de akte van verweerder schriftelijk daarop kan reageren; </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaald dat de behandeling van het beroep wordt aangehouden tot 15 oktober 2024 pro forma voor nadere aktewisseling;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>iedere verdere beslissing aangehouden.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft wederom kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>de brief van 20 augustus 2024 van verweerder;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de brief van 14 oktober 2024 namens eiser.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>II Beoordeling </title>
    <para>Aan de rechtbank ligt nu nog de vraag voor of verweerder in redelijkheid het huisverbod heeft kunnen verlengen. Ingevolge artikel 9 lid 1 van de Wet tijdelijk huisverbod kan de burgemeester een huisverbod verlengen tot ten hoogste vier weken nadat het is opgelegd indien de dreiging van het gevaar, of het ernstige vermoeden daarvan, zich voortzet. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op de zitting is namens eiser over dit punt onder meer naar voren gebracht dat achterblijfster niet meer op haar woonadres verbleef op de datum waarop het verlengingsbesluit is gegeven (22 februari 2024), omdat zij vóór die dag naar een beschermde woonvorm is vertrokken op basis van de afgegeven zorgmachtiging. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld om op dit punt informatie te verschaffen en eiser de gelegenheid gegeven daarop te reageren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Verklaring verweerder</emphasis>
      </para>
      <para>Verweerder heeft aangegeven dat de rechtbank op 14 februari 2024 een zorgmachtiging heeft afgegeven betreffende achterblijfster met een termijn van vier weken om een geschikte verblijfslocatie te vinden. Op 15 februari 2024 is achterblijfster naar een tijdelijke verblijfslocatie gegaan in [plaatsnaam 1] . Vervolgens is achterblijfster op 14 maart 2024 naar een tweede tijdelijke verblijfslocatie gegaan in [plaatsnaam 2] . Pas op 9 mei 2024 is zij verhuisd naar een definitieve beschermde woonvorm die voldeed aan de rechterlijke machtiging. Verweerder is van mening dat het verlengen van het huisverbod op </para>
      <para>22 februari 2024 noodzakelijk was, aangezien de veiligheid van achterblijfster, ondanks haar verblijf op twee overbruggingslocaties, nog onvoldoende kon worden gewaarborgd. Dat kon pas vanaf 9 mei 2024, toen achterblijfster in een beschermde (gesloten) woonvorm terecht kon. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Reactie eiser</emphasis>
      </para>
      <para>Eiser stelt zich op het standpunt dat een verlenging van het huisverbod niet noodzakelijk en gerechtvaardigd was, omdat achterblijfster inderdaad vóór het verlengingsbesluit uit de woning is vertrokken. Het feit dat achterblijfster niet direct in een gesloten woonvorm is geplaatst, maar eerst in twee overbruggingslocaties, is niet van belang. Het huisverbod zag enkel op het woonadres van achterblijfster. Zolang het niet de intentie was om haar daar terug te plaatsen was er geen noodzaak of rechtvaardiging voor een huisverbod aan eiser. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Toetsing verlenging huisverbod </emphasis>
      </para>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat verweerder ten onrechte heeft aangenomen dat op het moment van verlenging van het huisverbod nog immer sprake was van dreiging van gevaar of het ernstige vermoeden daarvan. Op het moment van verlenging verbleef achterblijfster al een week niet meer op haar woonadres. Er is niet gebleken dat er een intentie bestond om haar (op korte termijn) terug op haar woonadres te plaatsen. De rechtbank volgt de stelling van eiser dat het gegeven dat achterblijfster niet direct in een beschermde (gesloten) woonvorm is geplaatst de situatie niet anders maakt. Ook de stelling van verweerder dat eiser en achterblijfster tijdens het huisverbod contact met elkaar hadden maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Achterblijfster verbleef immers ten tijde van de verlenging al ruim een week op een locatie ver van haar woonadres. Er was daarom geen noodzaak om het huisverbod aan eiser ten aanzien van het woonadres van achterblijfster te verlengen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen, omdat verweerder niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken (artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Proceskostenveroordeling</emphasis>
      </para>
      <para>De voorzieningenrechter ziet in dit geval aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid van de Awb te veroordelen in de kosten die verzoeker in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op </para>
      <para>€ 2.187,50 (1 punt voor het beroepsschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor schriftelijke inlichtingen met een waarde per punt van € 875,- en wegingsfactor 1).</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>III Beslissing</title>
    <para>De rechtbank:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart het beroep gegrond;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>vernietigt het bestreden besluit;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 2.187,50,- en wijst de gemeente Leiden aan als de rechtspersoon die deze kosten aan eiser moet vergoeden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="3">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <colspec colname="colC" />
        <tbody>
          <row>
            <entry namest="colA" nameend="colC">
              <para>Deze beschikking is gegeven door mr. H.M. Boone, rechter, bijgestaan door mr. P.M.A. van Oosten als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 28 oktober 2024.</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een belanghebbende – onder wie in elk geval eiser wordt begrepen – en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift is zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden op:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>