<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2024:19150</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-12-02T09:30:10</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-11-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-11-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL24.40770 en NL24.40771</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:19150">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:19150</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-11-20T14:24:59</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-12-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2024:19150 Rechtbank Den Haag , 18-11-2024 / NL24.40770 en NL24.40771</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2024:19150:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Dublin Polen, beroep ongegrond, vovo niet-ontvankelijk. Tekortkomingen asielprocedure, systeemfouten, rechtsbescherming, Procedurerichtlijn, refoulement, artikel 4 Handvest, zorgvuldigheid, motivering.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2024:19150:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummers: NL24.40770 en NL24.40771</para>
    <para>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)</title>
    <para>(gemachtigde: mr. M. Timmer),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de minister van Asiel en Migratie, verweerder.</title>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 18 oktober 2024 niet in behandeling genomen omdat Polen ervoor verantwoordelijk is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Geen zitting</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond.<footnote-ref linkend="_eab54a86-d94c-4441-9e27-d01d69f7c647" /> Hieronder legt de rechtbank dit uit.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Waar gaat deze zaak over?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Eiser stelt de Jemenitische nationaliteit te hebben en op [geboortedatum] 1997 te zijn geboren. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Polen verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat vindt eiser in beroep?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Eiser stelt dat in Polen sprake is van ernstige tekortkomingen in de asielprocedure die kunnen worden aangemerkt als systeemfouten. In Polen is er namelijk geen sprake van een rechterlijke macht die in staat is om rechtsbescherming te verzekeren in de zin van het VEU<footnote-ref linkend="_5f6bce06-413d-45db-a954-70392eb9d993" />. Ter onderbouwing hiervan verwijst eiser naar rechtspraak van het Europese Hof van Justitie.<footnote-ref linkend="_baeb8ce0-cdc3-4e22-9412-905aa05fb262" /> De tekortkomingen in de Poolse asielprocedure zijn in strijd met de Procedurerichtlijn en brengen een risico met zich mee op verboden refoulement in strijd met artikel 4 van het Handvest.<footnote-ref linkend="_004131ae-c5e0-4b5d-ae37-c8d693132595" /> In het bestreden besluit gaat verweerder onvoldoende in op hetgeen namens eiser in de zienswijze naar voren is gebracht. Verder verwijst verweerder in de beschikking naar verschillende uitspraken om te onderbouwen dat er geen aanwijzingen zijn dat Polen zich niet aan het Europese asielrecht houdt.<footnote-ref linkend="_937a31b4-f489-43ac-899f-b9564340c30d" /> Eiser stelt dat in deze uitspraken echter niets is opgenomen over of Polen de verplichtingen op grond van het VEU<footnote-ref linkend="_59ca5edc-9494-4d2b-b895-dae125a26816" /> nakomt. Het bestreden besluit is dan ook niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand gekomen en is onvoldoende gemotiveerd.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat is het oordeel van de rechtbank?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Interstatelijk vertrouwensbeginsel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>5. De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt is dat verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan mag uitgaan dat lidstaten van de Europese Unie hun verdragsverplichtingen tegenover asielzoekers zullen nakomen. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken indien eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op een behandeling strijdig met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Om onder de tekortkomingen van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest te vallen, moeten deze een hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. Of deze bereikt wordt hangt af van de gegevens in de zaak.</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1</nr>
      <para>Naar het oordeel van de rechtbank is eiser er niet in geslaagd om het voorgaande aannemelijk te maken. Op basis van de enkele, niet onderbouwde stellingen van eiser dat er in Polen ernstige tekortkomingen en systeemfouten zijn in de asielprocedure kan niet worden geconcludeerd dat Polen zich niet aan zijn internationale verplichtingen jegens asielzoekers houdt of dat sprake is van structurele tekortkomingen in het asielsysteem die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid hebben bereikt. Ook is niet gebleken dat de Poolse rechterlijke macht niet in staat is om de rechtsbescherming in de zin van artikel 19, eerste en tweede alinea, van het VEU te verzekeren. Gelet op de recente uitspraak van de Afdeling<footnote-ref linkend="_2f0c4caf-9b43-4723-8fe0-2ee554fb47d1" /> van 4 september 2024 kan verweerder zich nog steeds beroepen op het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Polen. Het bestreden besluit is voldoende zorgvuldig tot stand gekomen en voldoende gemotiveerd.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">(Indirect) refoulement</emphasis>
        </para>
        <para>6.	Ten aanzien van de vrees van eiser om te worden uitgezet naar Polen, overweegt de rechtbank dat binnen de kaders van een Dublinprocedure niet beoordeeld kan worden of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op indirect refoulement, gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 30 november 2023<footnote-ref linkend="_7ade1873-8f15-4744-928b-f186038c7ac0" /> en de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2024.<footnote-ref linkend="_1abb08da-73f7-474d-8da2-2bbcc4cd5257" /> Dit is alleen anders indien niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan ten aanzien van het betreffende land. Dat is in dit geval, zoals hiervoor is overwogen, niet aan de orde.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <para>7. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.</para>
    <para />
    <para>8. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit<footnote-ref linkend="_690e3231-8f03-4d97-a7f1-dd644449df10" />, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.</para>
    <para />
    <para>9. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van J.F. Elzenaar, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <parablock>
      <para />
      <para />
    </parablock>
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Informatie over verzet</emphasis>
      </para>
      <para>Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_eab54a86-d94c-4441-9e27-d01d69f7c647" label="1">
    <para> Op grond van artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5f6bce06-413d-45db-a954-70392eb9d993" label="2">
    <para> Artikel 19, eerste lid, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de Europese Unie.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_baeb8ce0-cdc3-4e22-9412-905aa05fb262" label="3">
    <para> Europese Commissie tegen Republiek Polen 24-06-2019 ECLI:EU:C:2019:531</para>
    <para>C-619/18;; Europese Commissie tegen Republiek Polen 15-07-2021 ECLI:EU:C:2021:596 C-791/19;</para>
    <para>Europese Commissie tegen Republiek Polen 05-06-2023 ECLI:EU:C:2023:442 C-204/21.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_004131ae-c5e0-4b5d-ae37-c8d693132595" label="4">
    <para> Handvest van de grondenrechten van de Europese Unie.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_937a31b4-f489-43ac-899f-b9564340c30d" label="5">
    <para> Uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 14 april 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:6129; Uitspraak van de rechtbank Den Haag van 28 april 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:6826; Uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 20 juli 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:10690; Uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 26 september 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:16081.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_59ca5edc-9494-4d2b-b895-dae125a26816" label="6">
    <para> Artikel 19, eerste lid, tweede alinea.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2f0c4caf-9b43-4723-8fe0-2ee554fb47d1" label="7">
    <para> De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, ECLI:NL:RVS:2024:3456.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7ade1873-8f15-4744-928b-f186038c7ac0" label="8">
    <para> HvJEU, 30 november 2023, ECLI:EU:C:2023:934.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1abb08da-73f7-474d-8da2-2bbcc4cd5257" label="9">
    <para> Afdeling, 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_690e3231-8f03-4d97-a7f1-dd644449df10" label="10">
    <para> Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Awb.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>