<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2024:19020</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-11-19T11:30:53</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-11-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-11-19</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL24.37013 en NL24.37018</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Groningen</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:19020">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:19020</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-11-19T11:28:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-11-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2024:19020 Rechtbank Den Haag , 19-11-2024 / NL24.37013 en NL24.37018</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2024:19020:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Dublin Kroatië. Geen situatie zoals bedoeld in hoofdstuk 3 van de Dublinverordening. Interstatelijk vertrouwensbeginsel. Artikel 17 Dublinverordening. Beroep is ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2024:19020:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Groningen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummers: NL24.37013 en NL24.37018</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [naam] , eiser,</bridgehead>
    <parablock>
      <para>geboren op [geboortedatum] ,</para>
      <para>V-nummer: [v-nummer] ,</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [naam 2]
        </emphasis>, eiseres,</para>
      <para>geboren op [geboortedatum 2] ,</para>
      <para>V-nummer: [v-nummer 2]</para>
      <para>allebei van Syrische nationaliteit</para>
      <para>(gemachtigde: mr. M.R. van der Pol),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de minister van Asiel en Migratie, de minister,</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: J.D. Albarda).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 23 september 2024 heeft de minister de aanvragen met de afzonderlijke bestreden besluiten niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvragen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld en daarbij verzocht om voorlopige voorzieningen te treffen. Deze verzoeken zijn geregistreerd onder de zaaknummers NL24.37014 en NL24.37019. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De minister heeft op 8 november 2024 een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de beroepen op 12 november 2024 op zitting behandeld. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvragen van eisers. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eisers hebben aangevoerd, de beroepsgronden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Dat betekent dat eisers ongelijk krijgen en het besluit de aanvragen niet in behandeling te nemen in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.<footnote-ref linkend="_20d64b47-8593-4ce7-9b33-dc4a35135810" /> In dit geval heeft Nederland op 29 mei 2024 bij Kroatië een verzoek om terugname gedaan. Kroatië heeft dit verzoek op 12 juni 2024 op grond van artikel 20 lid 5 van de Dublinverordening aanvaard. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Het relaas van eisers</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>2. Eisers zijn broer en zus en zijn afkomstig uit Syrië. In 2016 zijn eisers vanuit Syrië naar Turkije gereisd. Op 1 maart 2024 hebben eisers Turkije verlaten. Op 20 maart 2024 zijn zij in Kroatië door de politie aangehouden en zijn vingerafdrukken afgenomen. Diezelfde dag konden eisers weer gaan en daarop zijn zij direct doorgereisd naar Nederland. Eisers hebben geen persoonlijke problemen ondervonden in Kroatië. Op 4 april 2024 zijn eisers Nederland ingereisd en op 20 april 2024 hebben zij asiel aangevraagd. Eisers willen dat de asielaanvragen in Nederland worden behandeld omdat hier vier broers en twee zussen van eisers wonen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Toepassing bepalingen hoofdstuk 3 Dublinverordening</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>3. Eisers voeren aan dat uit de familiebanden met de broers en zussen in Nederland op grond van hoofdstuk 3 van de Dublinverordening voortvloeit dat Nederland verantwoordelijk is voor de asielaanvragen. Daarbij is volgens eisers van belang dat één van deze broers in 2019 in Nederland is ingereisd en één van de zussen in 2022 en dat zij beide inmiddels beschikken over een asielvergunning. Verder is volgens eisers van belang dat deze zus in 2022 nog minderjarig was. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>De minister neemt in het verweerschrift het standpunt in dat de door eisers aangevoerde familiebanden niet vallen onder de definitie ‘gezinsleden’ als bedoeld in artikel 2 van de Dublinverordening. Verder is er op gewezen dat eisers ten tijde van beide asielaanvragen (ruimschoots) meerderjarig waren. Een beroep op de artikelen 8, 9, 10 en 11 van de Dublinverordening is volgens de minister daardoor niet mogelijk. De gestelde familiebanden leiden verder op grond van de overige bepalingen in hoofdstuk 3 van de Dublinverordening er niet toe dat Nederland verantwoordelijk is voor de asielaanvragen van eisers.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister in het verweerschrift deugdelijk gemotiveerd waarom toepassing van de bepalingen in hoofdstuk 3 van de Dublinverordening er niet toe leidt dat asielaanvragen in Nederland behandeld zouden moeten worden. De rechtbank ziet in het door eisers gevoerde betoog geen aanleiding voor het oordeel dat Nederland op grond van hoofdstuk 3 verantwoordelijk is voor de asielaanvragen van eisers. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Interstatelijk vertrouwensbeginsel</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>4. Eisers voeren aan dat in Kroatië sprake is van systeemfouten en leggen daarbij de nadruk op problemen met de opvangvoorzieningen. Ter onderbouwing verwijzen eisers naar een artikel uit Het Laatste Nieuws van 26 december 2023<footnote-ref linkend="_0c169a15-bdbe-44c8-a4ee-fe4e7b4fb561" />, een rapport van Amnesty International van 3 december 2021<footnote-ref linkend="_6a674c69-6df1-4433-9ab9-2c8df5bc536f" /> en een artikel van UNHCR van 28 januari 2021<footnote-ref linkend="_1ce061c2-5961-4133-b4aa-89092b1a6955" />. Eisers wijzen er verder op dat op 28 augustus 2024 de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) een zaak op zitting heeft behandeld waarin zowel de toegang tot en de kwaliteiten van opvangvoorzieningen, als ook het risico op pushbacks in Kroatië aan de orde zijn geweest. Eisers hebben ter zitting aangevoerd dat de uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2024, waarnaar de minister in zijn verweerschrift verwijst, geen betrekking heeft op de opvangvoorzieningen.<footnote-ref linkend="_c1d08ade-38fb-40c2-9993-7cde64efaacc" /> Van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan ten aanzien van Kroatië niet worden uitgegaan volgens eisers.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Anders dan eisers ter zitting hebben gesteld, heeft de uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2024 ook betrekking op de opvangvoorzieningen.<footnote-ref linkend="_36390aa6-b571-4217-9254-c5118fee2414" /> De rechtbank verwijst daarvoor naar de overwegingen van de Afdeling onder 5.7 tot en met 5.11 in de uitspraak. Met de door eisers gegeven verklaringen en overgelegde stukken, hebben eisers niet aannemelijk gemaakt dat voor de beoordeling van hun beroepen andere feiten en omstandigheden relevant zijn dan die zijn gewogen in de uitspraak van de Afdeling. De door eisers aangehaalde stukken zijn van voor de uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2024 en bevatten geen wezenlijk andere informatie dan de informatie die door de Afdeling is betrokken bij haar uitspraak </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Eisers voeren verder aan dat, hoewel het juridisch gezien mogelijk zou moeten zijn om te klagen over het optreden van de Kroatische autoriteiten, er voor eisers in de praktijk tal van obstakels zullen zijn die hen daarbij belemmeren. Eisers spreken de taal niet waardoor zij moeite zullen hebben om de situatie goed uit te leggen en te begrijpen hoe het rechtssysteem en de klachtenprocedures werken. Verder zijn eisers bang voor represailles of negatieve consequenties zoals deportatie, gevangenisstraf of geweld als gevolg van het indienen van een klacht. Ook menen eisers dat zij door het ontbreken van een formele status of documentatie geen officiële klacht kunnen indienen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>De rechtbank oordeelt dat van eisers mag worden verwacht dat zij zich bij voorkomende problemen in Kroatië beklagen bij de (hogere) Kroatische autoriteiten. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat die mogelijkheid er voor hen niet is of dat de Kroatische autoriteiten hen niet kunnen of willen helpen, dan wel dat het inroepen van hulp bij voorbaat zinloos. Eisers hebben de door hen geschetste mogelijke belemmeringen op geen enkele wijze onderbouwd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>De rechtbank ziet in de beroepsgronden van eisers geen aanleiding om anders te oordelen dan de Afdeling over het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De rechtbank is van oordeel dat de minister ten aanzien van Kroatië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Artikel 17 Dublinverordening</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>5. Eisers stellen zich tot slot op het standpunt dat de minister ten onrechte artikel 17 van de Dublinverordening niet heeft toegepast. Eisers stellen mensonterende omstandigheden te hebben meegemaakt in Kroatië. Volgens eisers hebben zij onder druk vingerafdrukken moeten afgeven, zijn zij gekleineerd en werd er geen tolk ter beschikking gesteld. Ook heeft er geen asielprocedure plaatsgevonden. De minister dient, gelet op de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 6 december 2023<footnote-ref linkend="_a5ea5d60-cc70-470c-97b3-13fe1187ea09" /> en 13 februari 2024<footnote-ref linkend="_4e0564d9-6820-4ed3-9ac4-4407108d367d" />, volgens eisers nader te motiveren waarom in de door eisers aangegeven omstandigheden geen aanleiding wordt gezien om de aanvragen in behandeling te nemen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>De minister heeft in zijn verweerschrift het standpunt dat art. 17 van de Dublinverordening op goede gronden niet is toegepast, toegelicht. Uit de aanmeldgehoren van eisers blijkt slechts dat eisers in Kroatië vingerafdrukken hebben moeten afgeven en dat zij dit als onprettig hebben ervaren. Voor de in de beroepsgronden aangevoerde stelling dat eisers aan ‘mensonterende’ en ‘kleinerende’ behandeling zijn onderworpen is geen steun in de verklaringen van eisers zelf te vinden. Eisers geven in hun verklaringen aan geen problemen te hebben ondervonden in Kroatië, maar daar niet naar toe te willen omdat zij daar geen familie hebben.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de door eisers geschetste omstandigheden geen aanleiding vormen om de asielaanvragen op grond van artikel 17 van de Dublinverordening onverplicht in behandeling te nemen.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>6. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom geen vergoeding van zijn proceskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. H.P. Eckert, rechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>mr. V. Vegter, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepubliceerde uitspraak op rechtspraak.nl. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Informatie over hoger beroep</emphasis>
      </para>
      <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak bekend is gemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_20d64b47-8593-4ce7-9b33-dc4a35135810" label="1">
    <para> Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0c169a15-bdbe-44c8-a4ee-fe4e7b4fb561" label="2">
    <para> Het Laatste Nieuws, “We hebben de oorlog verlaten op zoek naar veiligheid en dan gebeurt dit: Kroatië aangeklaagd door vluchteling na hardhandige aanpak”, 26 december 2023.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6a674c69-6df1-4433-9ab9-2c8df5bc536f" label="3">
    <para> Amnesty International, “Vernietigend rapport over politiegeweld aan landsgrenzen Kroatië”, 3 december 2021.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1ce061c2-5961-4133-b4aa-89092b1a6955" label="4">
    <para> UNHCR, “Het recht op asiel aan de Europese grenzen wordt bedreigd, pushbacks en geweld tegen vluchtelingen moet worden gestopt”, 28 januari 2021. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_c1d08ade-38fb-40c2-9993-7cde64efaacc" label="5">
    <para>ECLI:NL:RVS:2024:4037 </para>
  </footnote>
  <footnote id="_36390aa6-b571-4217-9254-c5118fee2414" label="6">
    <para>ECLI:NL:RVS:2024:4037</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a5ea5d60-cc70-470c-97b3-13fe1187ea09" label="7">
    <para> ECLI:NL:RBDHA:2023:20308. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_4e0564d9-6820-4ed3-9ac4-4407108d367d" label="8">
    <para> ECLI:NL:RBNHO:2024:1713. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>