<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2024:18296</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-19T10:09:09</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-11-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-11-07</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL24.31978</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RVS:2025:3807" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#(Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan">Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2025:3807, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:18296">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:18296</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-11-08T09:56:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-11-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2024:18296 Rechtbank Den Haag , 07-11-2024 / NL24.31978</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2024:18296:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Dublin België – Eurodac – Terugname o.g.v. artikel 18, eerste lid en onder d, Dv – interstatelijk vertrouwensbeginsel – opvang voor alleenstaande, meerderjarige, niet-kwetsbare asielzoekers – rapport VluchtelingenWerk – AIDA-rapport – Webpagina Fedasil – Afdeling uitspraak van 13 maart 2024.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2024:18296:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Middelburg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL24.31978</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser], eiser,V-nummer: [V-nummer]</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. P.A. Blaas),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de minister van Asiel en Migratie</emphasis>, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder</para>
      <para>(gemachtigde: mr. J.P. Arts).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 13 augustus 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat België verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.<footnote-ref linkend="_f95a1850-b500-4501-98a8-c9d5606f197c" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 28 oktober 2024 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <para>1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2002 en de Eritrese nationaliteit te hebben.</para>
    <para />
    <para>2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen. Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser op 10 oktober 2023 in België al een asielaanvraag had ingediend. Nederland heeft op grond hiervan op 25 april 2024 een verzoek tot terugname verstuurd aan de Belgische autoriteiten.<footnote-ref linkend="_a725b8dd-7f02-400a-8374-495302465c28" /> Op 2 mei 2024 heeft België het verzoek geaccepteerd, waarmee de verantwoordelijkheid van België vaststaat.<footnote-ref linkend="_9d97cd2f-7c22-447f-a69d-619513b901f8" /><?linebreak?></para>
    <para>3. Eiser kan zich niet met het bestreden besluit verenigen en voert daartoe het volgende aan. Ten aanzien van België kan niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden uitgegaan. België houdt zich namelijk niet aan de verplichtingen uit de Opvangrichtlijn<footnote-ref linkend="_ad0b305a-9794-40e1-ad1f-efec86995cd1" /> door een gebrek aan opvangplekken. Hiermee hebben met name voor alleenstaande, meerderjarige niet-kwetsbare asielzoekers te maken. Eiser verwijst in dit kader naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 26 augustus 2024.<footnote-ref linkend="_d35e7122-48c1-4057-b3ef-b0709ffd74f9" /> Ook verwijst eiser naar het rapport van Vluchtelingenwerk Nederland van 5 juni 2024, het AIDA-rapport van mei 2024 en de webpagina van Fedasil. Hieruit blijkt dat het aantal personen op de wachtlijst voor opvang in België is toegenomen, dat toegang tot medische zorg onvoldoende wordt gewaarborgd en dat klagen bij de Belgische autoriteiten ontoereikend blijkt te zijn. Verder zou het recht op juridische bijstand in het geding komen door de beperkte communicatiemogelijkheden voor daklozen. Volgens eiser brengt overdracht aan België een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM<footnote-ref linkend="_625955bc-96d6-48a7-bf03-917ee03e6ce3" /> en artikel 4 van het Handvest<footnote-ref linkend="_103ace5d-2f16-45a6-9e7a-c851fb3f462e" /> met zich mee. De hoge drempel van het Jawo-arrest<footnote-ref linkend="_5b79cf20-5130-40f4-bc46-ec422fe0d3f3" /> wordt gehaald. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank oordeelt als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Het uitgangspunt is dat verweerder in zijn algemeenheid ten aanzien van België mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit heeft de Afdeling<footnote-ref linkend="_3fac7d47-6ec5-499e-b8b6-e941dfc49689" /> in haar uitspraak van 13 maart 2024<footnote-ref linkend="_3d7f2975-e9f9-4cf6-8741-ffd713088b11" /> bevestigd. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval anders is. Eiser is hier niet in geslaagd. Hoewel uit de door eiser aangehaalde openbare informatie blijkt dat er gebreken zijn in de opvangvoorzieningen in België, is dat onvoldoende om aan te nemen dat aan de drempel zoals bedoeld in het Jawo-arrest wordt bereikt. De Afdeling heeft namelijk geoordeeld dat ook alleenstaande, meerderjarige, niet-kwetsbare mannen kunnen worden overdragen aan België. Uit de uitspraak van de Afdeling blijkt ook dat asielzoekers toegang hebben tot sanitaire, voedsel-, medische en juridische voorzieningen. Daarbij is van belang dat asielzoekers die niet direct een reguliere opvangplaats krijgen toegewezen, wel gebruik kunnen maken van nood- en daklozenopvang en de daar bijbehorende voorzieningen terwijl zij op de wachtlijst staan. Niet is gebleken dat sprake is van een fundamentele systeemfout die de bijzondere drempel van zwaarwegendheid bereikt. Daarbij wordt opgemerkt dat eiser geen overtuigende nieuwe informatie heeft aangedragen die maakt dat de feitelijke uitgangspunten die ten grondslag zijn gelegd aan de uitspraak van de Afdeling, inmiddels zijn gewijzigd. Eiser heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat hij bij overdracht een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. </para>
    <para />
    <para>5. Met het claimakkoord heeft België gegarandeerd dat zij de asielaanvraag van eiser zullen behandelen met inachtneming van de Europese richtlijnen en internationale verdragen. Niet is gebleken dat eiser bij voorkomende problemen niet kan klagen of dat dit bij voorbaat zinloos is. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verder zijn geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die maken dat een overdracht zal leiden tot onevenredige hardheid. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. </para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan op 7 november 2024 door mr. A.C.J. van Dooijeweert, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op <emphasis role="underline">www.rechtspraak.nl</emphasis>. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Informatie over hoger beroep</emphasis>
      </para>
      <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger-beroepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hoger-beroepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_f95a1850-b500-4501-98a8-c9d5606f197c" label="1">
    <para> Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_a725b8dd-7f02-400a-8374-495302465c28" label="2">
    <para> Op grond van artikel 18, eerste lid en onder d, van de Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_9d97cd2f-7c22-447f-a69d-619513b901f8" label="3">
    <para> Op grond van artikel 18, eerste lid en onder d, van de Dublinverordening. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_ad0b305a-9794-40e1-ad1f-efec86995cd1" label="4">
    <para> Richtlijn 2013/33.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d35e7122-48c1-4057-b3ef-b0709ffd74f9" label="5">
    <para> ECLI:NL:RBDHA:2024:20958.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_625955bc-96d6-48a7-bf03-917ee03e6ce3" label="6">
    <para> Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_103ace5d-2f16-45a6-9e7a-c851fb3f462e" label="7">
    <para> Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5b79cf20-5130-40f4-bc46-ec422fe0d3f3" label="8">
    <para> Het arrest Jawo van het Hof van 19 maart 2019, met zaaknummer ECLI:EU:C:2019:218.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3fac7d47-6ec5-499e-b8b6-e941dfc49689" label="9">
    <para> Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_3d7f2975-e9f9-4cf6-8741-ffd713088b11" label="10">
    <para> ECLI:NL:RVS:2024:896. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>