<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2024:18207</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-11-11T09:30:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-11-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-10-28</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">24/2210</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:18207">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:18207</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-11-07T09:08:36</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-11-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2024:18207 Rechtbank Den Haag , 28-10-2024 / 24/2210</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2024:18207:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Beroep. Aan eiseres is een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven toegekend ter hoogte van € 1.000,-. Eiseres draagt de bewijslast voor haar stelling dat miskraam is ontstaan door mishandeling. Verweerder hoefde geen aanleiding te zien om een hogere letselcategorie passend te vinden. Beroep ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2024:18207:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: SGR 24/2210</para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 oktober 2024 in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres</title>
    <para>(gemachtigde: mr. J.P. Vandervoodt),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven, verweerder</title>
    <para>(gemachtigde: mr. E.K. Meijer).</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de toegekende uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Verweerder heeft bij besluit van 11 september 2023 aan eiseres een uitkering toegekend ter hoogte van € 1.000,-. Met het bestreden besluit van 12 februari 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder daarbij gebleven.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en de zaak op verzoek van partijen niet behandeld op een zitting.<footnote-ref linkend="_3893e6cf-ebda-4653-a195-7bdbde335fc7" /></para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Waar gaat deze zaak over?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Eiseres heeft op 8 mei 2023 een aanvraag ingediend om toekenning van een uitkering op grond van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven, omdat zij op 8 april 2023 is mishandeld door haar ex-partner. Door deze mishandeling liep zij een gebroken ringvinger op. Ook heeft zij last van druk op de borstkas en voelt zij zich angstig en onveilig. Verweerder heeft daarop aan eiseres een uitkering toegekend ter hoogte van € 1.000,- (letselcategorie 1).<footnote-ref linkend="_701f1750-71c2-4e35-aee0-86f273a3e0f7" /> Eiseres was op het moment van de mishandeling naar eigen zeggen drie weken zwanger en zij heeft vervolgens een miskraam gekregen. Deze zaak gaat over de vraag of verweerder mocht concluderen dat geen verband kan worden vastgesteld tussen het geweldsmisdrijf en de miskraam.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat vindt eiseres in beroep?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Er is een verband tussen de mishandeling en de miskraam. Dat blijkt uit de medische informatie die eiseres heeft overgelegd. Onder de gegeven omstandigheden is het bovendien niet aan eiseres om het verband aan te tonen. Zij wordt door verweerder in een onmogelijke bewijspositie gebracht.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat is het oordeel van de rechtbank?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Een slachtoffer dat ernstig lichamelijk of geestelijk letsel heeft opgelopen door een in Nederland gepleegd geweldsmisdrijf, kan verzoeken om een uitkering uit het Schadefonds.<footnote-ref linkend="_8bd95f38-1433-4fb6-bcbe-9b4a7f825afc" /> Een uitkering is een financiële tegemoetkoming, die uiting geeft aan solidariteit van de samenleving met het slachtoffer.</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>De rechtbank stelt voorop dat verweerder bij het besluit over de (hoogte van) de uitkering beslissingsruimte heeft. De rechtbank moet dat besluit terughoudend toetsen. Dat betekent dat de rechtbank beoordeelt of het besluit van verweerder om een uitkering categorie 1 te verlenen, niet redelijk zou zijn. Volgens vaste rechtspraak zijn de beleidsregels die verweerder daarbij hanteert in ieder geval niet onredelijk.<footnote-ref linkend="_d2313011-c74a-4949-8319-0e13ed945314" /> Verweerder mag daar dus van uitgaan. Verweerder heeft die beleidsregels hier ook toegepast.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Eiseres draagt de bewijslast voor haar stelling dat zij als gevolg van de mishandeling door haar expartner een miskraam heeft gekregen.<footnote-ref linkend="_859d7b60-84ba-424c-9aa9-feb05305c4fa" /> Dat dit onder de gegeven omstandigheden niet van haar kan worden verlangd, volgt de rechtbank niet. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Eiseres heeft een proces-verbaal van haar aangifte bij de politie van 8 april 2023, een stuk van de huisartsenpost [regio] van 8 april 2023 en een stuk van het [naam ziekenhuis] ziekenhuis van 11 april 2023 overgelegd. Uit deze stukken volgt dat eiseres heeft verteld dat zij door haar expartner in haar buik is geschopt en dat haar urine na de mishandeling een spoortje bloed bevatte. Uit het stuk van het [naam ziekenhuis] ziekenhuis blijkt dat er geen gynaecologisch onderzoek is verricht, omdat dit niet zinvol werd geacht bij een zwangerschap in dat stadium (drie weken). De overgelegde stukken bevatten geen andere medische informatie die ziet op de (afgebroken) zwangerschap. Er zijn dus geen medische stukken – van bijvoorbeeld een arts – aanwezig die de verklaringen van eiseres over haar zwangerschap en miskraam staven. De stukken bevatten alleen de eigen verklaring daarover van eiseres. Dit is op zichzelf gezien onvoldoende om een oorzakelijk verband aan te nemen. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat op basis van de beschikbare informatie geen verband kan worden vastgesteld tussen het geweldsmisdrijf en de miskraam. Verweerder hoefde daarom geen aanleiding te zien om een hogere letselcategorie passend te vinden.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten. </para>
    </parablock>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. E.S.K. Mollen, rechter, in aanwezigheid van mr. E. van den Nieuwendijk, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.</para>
  </section>
  <footnote id="_3893e6cf-ebda-4653-a195-7bdbde335fc7" label="1">
    <para> Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_701f1750-71c2-4e35-aee0-86f273a3e0f7" label="2">
    <para> Beleidsbundel Schadefonds Geweldsmisdrijven 1 november 2022 en Letsellijst Schadefonds Geweldsmisdrijven 1 november 2022.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8bd95f38-1433-4fb6-bcbe-9b4a7f825afc" label="3">
    <para> Artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet Schadefonds Geweldsmisdrijven.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d2313011-c74a-4949-8319-0e13ed945314" label="4">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:568, r.o. 8.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_859d7b60-84ba-424c-9aa9-feb05305c4fa" label="5">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 23 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1327, r.o. 5.3, van 3 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1008, r.o. 4.1, en van 8 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:317, r.o. 5.2.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>