<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2024:17232</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-10-29T10:05:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-10-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-10-15</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">24/18</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_omgevingsrecht">Bestuursrecht; Omgevingsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:17232">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:17232</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-10-24T08:50:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-10-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2024:17232 Rechtbank Den Haag , 15-10-2024 / 24/18</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2024:17232:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>beroep niet tijdig beslissen, dwangsom</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2024:17232:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: SGR 24/18 </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 oktober 2024 in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , uit [woonplaats] , eiser</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder </bridgehead>
    <para>(gemachtigden: mr. P. Yildirim en mr. M. Remeijer-Schmitz).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Op 19 juni 2023 heeft eiser verweerder verzocht om handhavend op te treden tegen Stichting “ [stichting] ” ( [stichting] ), omdat deze op het dak van het tijdelijke schoolgebouw op het terrein aan de [adres] technische installaties heeft geplaatst zonder dat daarvoor de benodigde omgevingsvergunning is verleend.<?linebreak?></para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Op 15 augustus 2023 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit op zijn handhavingsverzoek.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Op 30 augustus 2023 heeft eiser beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit (SGR 23/5691).<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Bij brief van 27 oktober 2023 heeft verweerder eiser medegedeeld dat zijn handhavingsverzoek wordt ingewilligd en dat aan [stichting] een waarschuwingsbrief wordt gestuurd. Als [stichting] niet voor 1 december 2023 een omgevingsvergunning aanvraagt voor de technische installaties, dan zal verweerder gaan handhaven. Op diezelfde datum is de waarschuwingsbrief aan [stichting] verstuurd.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>Op 27 november 2023 heeft eiser vervolgens zijn beroep wegens het niet tijdig nemen van een besluit (SGR 23/5691) ingetrokken.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <para>Op 2 januari 2024 heeft eiser opnieuw beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit (SGR 24/18).<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.6.</nr>
      <para>Op 28 februari 2024 heeft verweerder [stichting] een concept last onder dwangsom toegestuurd.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.7.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 11 juni 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigden van verweerder. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Is het beroep ontvankelijk?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat eiser verweerder eerst in gebreke had moeten stellen. Volgens verweerder kan niet worden teruggevallen op de ingebrekestelling van 15 augustus 2023, omdat die ziet op het eerdere beroep (SGR 23/5691), dat eiser heeft ingetrokken.<?linebreak?></para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Naar het oordeel van de rechtbank heeft het intrekken van zijn eerdere beroep niet tot gevolg dat eiser verweerder daarna opnieuw in gebreke had moeten stellen vóórdat hij opnieuw een beroep niet tijdig beslissen kon indienen. Artikel 6:12, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) stelt aan het indienen van een dergelijk beroep slechts de voorwaarden dat het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen en dat twee weken zijn verstreken na de dag waarop de belanghebbende het bestuursorgaan in gebreke heeft gesteld. Aan beide voorwaarden is voldaan. Met het intrekken van het eerdere beroep niet tijdig beslissen is de ingebrekestelling van eiser immers niet ingetrokken. Het beroep niet tijdig beslissen is daarom ontvankelijk.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Is het beroep gegrond?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>3. Op 27 oktober 2023 heeft verweerder [stichting] een waarschuwingsbrief toegezonden. Anders dan verweerder stelt, is de waarschuwingsbrief geen besluit op het handhavingsverzoek van eiser. De waarschuwingsbrief is niet gericht op enig rechtsgevolg en is dus geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. </para>
      <para />
      <para>4. Op 29 februari 2024 heeft verweerder een concept last onder dwangsom verstuurd, maar ter zitting heeft verweerder bevestigd dat nog geen last onder dwangsom is opgelegd. </para>
      <para>Dit betekent dat er nog steeds geen besluit is genomen op het handhavingsverzoek van eiser. Het beroep niet tijdig beslissen is daarom gegrond.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Termijn voor besluit en dwangsom</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>5. Gelet op artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb zal de rechtbank verweerder opdragen binnen een termijn van twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op het handhavingsverzoek te nemen. Aan overschrijding van die termijn zal de rechtbank een rechterlijke dwangsom verbinden. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <para>6. Het beroep is gegrond.</para>
    <para />
    <para>7. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die volgens de wet vergoed kunnen worden.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het handhavingsverzoek gegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para>- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100, - moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000, -;</para>
    <para>- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 187, - aan eiser moet vergoeden.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van der Ven, rechter, in aanwezigheid van             mr. N. Ciftci-Ibis, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De rechter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para />
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.  </para>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>