<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2024:16951</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-10-18T17:00:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-10-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-10-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL24.32594</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Arnhem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:16951">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:16951</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-10-18T16:11:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-10-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2024:16951 Rechtbank Den Haag , 16-10-2024 / NL24.32594</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2024:16951:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Dublin, Kroatië, Eurodac</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2024:16951:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Zittingsplaats Arnhem</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: NL24.32594 </para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 oktober 2024 in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [eiser], v-nummer: [nummer], eiser</title>
    <para>(gemachtigde: mr. D.P.J. Cain),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de minister van Asiel en Migratie</emphasis>
        <footnote-ref linkend="_6db49eba-8e62-45bd-b627-c34179d06424" />.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 12 augustus 2024 niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvraag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <para>2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden. </para>
    <para />
    <para>3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Totstandkoming van het besluit</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>4. Eiser heeft de Syrische nationaliteit. Hij heeft zich op 6 februari 2024 gemeld op het AC Ter Apel, waarna hem een zogeheten loopbrief is verstrekt. Op 9 februari 2024 heeft hij met de ondertekening van het M35H-formulier een asielaanvraag in Nederland ingediend. Uit onderzoek in Eurodac is de minister gebleken dat eiser eerder op 20 januari 2024 in Kroatië een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Daarom heeft Nederland op 8 april 2024 de Kroatische autoriteiten verzocht om eiser terug te nemen. Hiermee zijn die autoriteiten akkoord gegaan. De minister neemt de aanvraag daarom niet in behandeling.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Is het claimverzoek tijdig ingediend?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>5. Eiser betoogt dat de minister het claimverzoek te laat heeft ingediend, waardoor Nederland verantwoordelijk is geworden voor de asielaanvraag. De claimtermijn moet volgens eiser berekend worden vanaf het moment waarop hij zijn asielwens kenbaar heeft gemaakt, dat wil zeggen het moment dat hem na aanmelding een loopbrief is verstrekt, en niet vanaf het moment van de Eurodac-treffer. Daarnaast had de minister eerder Eurodac-onderzoek kunnen en moeten verrichten.</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>Artikel 23, tweede lid, van de Dublinverordening bepaalt dat een verzoek tot terugname zo snel mogelijk wordt ingediend en in ieder geval binnen twee maanden na ontvangst van de Eurodac-treffer op grond van artikel 9, vijfde lid, van de Eurodacverordening. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 12 januari 2024<footnote-ref linkend="_8506b0ae-9935-49f6-be07-3692b79a63c1" /> volgt dat een claimverzoek op basis van een Eurodac-treffer binnen twee maanden na deze Eurodac-treffer moet zijn ingediend, maar uiterlijk binnen drie maanden na het indienen van de asielaanvraag. Uit de Eurodac- en de Dublinverordening volgt verder niet, aldus deze uitspraak, dat het niet halen van de in de Eurodacverordening neergelegde termijnen voor het nemen en toezenden van vingerafdrukken betekent dat de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het asielverzoek is overgegaan op Nederland.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>Hieruit vloeit voort dat in het geval van eiser het terugnameverzoek tijdig binnen de in artikel 23, tweede lid, van de Dublinverordening genoemde termijnen is verzonden. De minister heeft namelijk de Kroatische autoriteiten op 8 april 2024, dus binnen twee maanden na de Eurodac-treffer van 9 februari 2024 en binnen drie maanden na afgifte van de loopbrief op 6 februari 2024, verzocht om eiser terug te nemen. De beroepsgrond slaagt niet.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Mag de minister uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?</emphasis>
        </para>
        <para>6.	Eiser betoogt dat hij niet kan worden overgedragen aan Kroatië, omdat voor Kroatië niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Als onderbouwing verwijst hij naar de notitie ‘veelgestelde vragen – Dublinterugkeerders Kroatië’ van VluchtelingenWerk Nederland van augustus 2024 en een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam.<footnote-ref linkend="_bf1a2243-5943-466c-a087-a281c97080f1" /> Eiser stelt verder dat zijn persoonlijke ervaringen in Kroatië aanleiding hadden moeten geven de asielaanvraag inhoudelijk te behandelen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2024<footnote-ref linkend="_17a56433-f8a5-46c2-a25d-6caad5f7ce82" /> mag de minister bij de toepassing van de Dublinverordening voor Kroatië nog steeds uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Niet is gebleken van structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Kroatië waarvan de minister niet onkundig kon zijn en op grond waarvan hij de in die zaak betrokken vreemdeling niet had mogen overdragen aan Kroatië. Deze rechtbank en zittingsplaats is eerder ook tot dat oordeel gekomen.<footnote-ref linkend="_dac57488-707c-489e-9f35-52da0b71cffc" /> In deze uitspraken zijn de door eiser genoemde bron en uitspraak betrokken. Daarom bestaat in dit geval geen aanleiding voor een ander oordeel. De persoonlijke ervaringen van eiser bieden ook geen grond voor het oordeel dat sprake is van structurele tekortkomingen van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Kroatië. De minister heeft er hierbij terecht op gewezen dat niet gebleken is dat eiser bij voorkomende problemen niet kan klagen bij de Kroatische autoriteiten. De beroepsgrond slaagt niet.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Had de minister de asielaanvraag onverplicht moeten behandelen?</emphasis>
        </para>
        <para>7.	Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister niet ten onrechte geen toepassing gegeven aan artikel 17 van de Dublinverordening. De minister trekt een asielaanvraag onverplicht aan zich onder andere als bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht aan de andere lidstaat van onevenredige hardheid getuigt.<footnote-ref linkend="_c60c177d-4986-4652-b1c6-b23b7a6aeffa" /> De algemene omstandigheden en persoonlijke ervaringen in Kroatië waarop eiser wijst zijn al betrokken bij de beoordeling of de minister nog mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser heeft geen andere omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden. De beroepsgrond slaagt niet.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>8.	Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>mr. R. Barzilay, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Informatie over hoger beroep</emphasis>
      </para>
      <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_6db49eba-8e62-45bd-b627-c34179d06424" label="1">
    <para> Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8506b0ae-9935-49f6-be07-3692b79a63c1" label="2">
    <para> ECLI:NL:RVS:2024:84.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_bf1a2243-5943-466c-a087-a281c97080f1" label="3">
    <para> Rechtbank Den Haag (zp Amsterdam) 17 juli 2024, NL24.22621 (niet gepubliceerd).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_17a56433-f8a5-46c2-a25d-6caad5f7ce82" label="4">
    <para> ECLI:NL:RVS:2024:4037.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_dac57488-707c-489e-9f35-52da0b71cffc" label="5">
    <para> 8 oktober 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:16284.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c60c177d-4986-4652-b1c6-b23b7a6aeffa" label="6">
    <para> Dat staat in artikel 17 van de Dublinverordening, nader ingevuld in paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>