<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2024:15776</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-10-15T06:00:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-10-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-10-01</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL24.33578 en NL24.33579</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorzieningbodemzaak">Voorlopige voorziening+bodemzaak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:15776">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:15776</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-10-02T11:37:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-10-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2024:15776 Rechtbank Den Haag , 01-10-2024 / NL24.33578 en NL24.33579</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2024:15776:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Dublin Zwitserland, beroep ongegrond, vovo niet-ontvankelijk. Verwijzing naar zienswijze, art. 17 Dublinverordening, kennelijke verschrijving, tekortkomingen asielprocedure en opvangvoorzieningen, AIDA rapport 4 juli 2024, EVRM, Handvest, indirect refoulement, medische situatie</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2024:15776:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummers: NL24.33578 en NL24.33579</para>
    <para>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [eiser/verzoeker], V-nummer: [V-nummer], eiser/verzoeker (hierna: verzoeker)</title>
    <para>(gemachtigde: mr. E.A. Welling),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de minister van Asiel en Migratie, verweerder.</title>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. 	In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 27 augustus 2024 niet in behandeling genomen omdat Zwitserland ervoor verantwoordelijk is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Geen zitting</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond.<footnote-ref linkend="_77c3ab56-c610-4944-82fd-f9c7c06d6f76" /> Hieronder legt de rechtbank dit uit.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Waar gaat deze zaak over?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Eiser stelt de Sierraleoonse nationaliteit te hebben en op [geboortedag] 2004 te zijn geboren. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Zwitserland verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat vindt eiser in beroep?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Allereerst verwijst eiser voor de gronden naar de zienswijze. Het bestreden besluit is in strijd met het Vluchtelingenverdrag, het EVRM<footnote-ref linkend="_f92dc29d-09b0-4f44-b03a-0ca8dfbed4d9" />, het ESH<footnote-ref linkend="_9de5cb67-08b5-48f7-9818-9f253e1d1201" />, het Handvest<footnote-ref linkend="_0e77c8fb-1589-4c0f-ba5f-5c0ea2a462f6" />, het IVESCR<footnote-ref linkend="_deb42261-7bbb-4ab6-baf9-6e70ab602664" />, de Dublinverordening<footnote-ref linkend="_8e9a5609-e46c-4c5b-9ee6-d186d18ba8a5" />, de Vreemdelingenwet en de beginselen van behoorlijk bestuur. Verweerder moet de asielaanvraag van eiser in behandeling nemen op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Verweerder heeft het besluit onvoldoende gemotiveerd, wat ook blijkt uit het feit dat er in de beschikking wordt gesproken over Frankrijk. Voorts is er in Zwitserland sprake van tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen. Ter onderbouwing hiervan verwijst eiser naar de zienswijze, het AIDA rapport van 4 juli 2024<footnote-ref linkend="_b0842d3a-c8dc-4420-aa7a-70a45cdd1a54" /> en een artikel van De Tijd<footnote-ref linkend="_5f7a743e-1e8b-4d8e-8867-52ffac8279c0" />. Eiser vreest dan ook te worden blootgesteld aan mensenrechtenschendingen en loopt een reëel risico op een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Verder stelt eiser dat overdracht aan de Zwitserse autoriteiten een indirect refoulement zal opleveren. Ook is verweerder in het besluit onvoldoende ingegaan op de medische situatie van eiser. Eiser heeft aangegeven dat hij door de gebeurtenissen in Zwitserland en zijn medische problematiek niet in Zwitserland kan worden behandeld. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat is het oordeel van de rechtbank?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Verwijzing naar zienswijze</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>5. Uit het in algemene zin verwijzen naar wat eiser eerder in de zienswijze naar voren heeft gebracht, kan de rechtbank niet afleiden waarom eiser van mening is dat het bestreden besluit onjuist is. Daarom ziet de rechtbank hierin geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Interstatelijk vertrouwensbeginsel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>6. De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt is dat verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan mag uitgaan dat lidstaten van de Europese Unie hun verdragsverplichtingen tegenover asielzoekers zullen nakomen. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken als eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht aan Zwitserland een reëel risico loopt op een behandeling strijdig met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Om onder de tekortkomingen van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest te vallen, moeten deze een hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. Of deze bereikt wordt, hangt af van de gegevens in de zaak.</para>
    <para />
    <para>7. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser er niet in geslaagd om het voorgaande aannemelijk te maken. De hoogste bestuursrechter heeft in de uitspraak van 4 november 2020<footnote-ref linkend="_bf2d9aae-f493-4c40-a9be-af7f9d62dc85" /> geoordeeld dat verweerder ten aanzien van Zwitserland voor Dublinclaimanten van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Dit uitgangspunt heeft de Afdeling recentelijk nog bevestigd.<footnote-ref linkend="_b7502819-9d76-49c8-934e-a0339bbf7d5b" /> Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding geeft om van het oordeel van de Afdeling in voormelde uitspraak van 4 november 2020 af te wijken. Een enkele algemene verwijzing naar het Vluchtelingenverdrag, het EVRM, het ESH, het Handvest, het IVESCR, de Dublinverordening, de Vreemdelingenwet en de beginselen van behoorlijk bestuur doet aan dat oordeel niet af. </para>
    <para />
    <para>8. Ook het persoonlijk relaas van eiser leidt niet tot de conclusie dat hij bij overdracht naar Zwitserland een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM dan wel artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. De stelling van eiser dat uit het AIDA rapport en het artikel van De Tijd blijkt dat er in Zwitserland tekortkomingen zijn in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen biedt onvoldoende indicatie voor het oordeel dat de Zwitserse asielprocedure niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet, nu hieruit geen wezenlijk ander beeld van de asielsituatie in Zwitserland volgt dan voorheen. Op pagina 13 en 14 van voormeld AIDA rapport, waar eiser naar heeft verwezen, staat dat de opvangfaciliteiten in Zwitserland nog altijd onder druk staan door de hoge instroom en dat het tekort aan personeel in de opvangcentra een extra uitdaging oplevert, maar dat betekent niet dat in Zwitserland sprake is van zodanig ernstige tekortkomingen in de opvang en asielprocedure dat de ‘hoge drempel van zwaarwegendheid’, als bedoeld in het arrest Jawo<footnote-ref linkend="_b6cbe123-55c7-4082-a763-7411b89dea1a" /> is bereikt. Bovendien garandeert Zwitserland met het claimakkoord dat een nieuwe asielaanvraag van eiser in behandeling zal worden genomen en dat de situatie zal worden beoordeeld met toepassing van de verschillende Europese richtlijnen op het gebied van asielrecht. Verder mag van eiser worden verwacht dat hij zich bij voorkomende problemen in de Zwitserse asielprocedure, opvangvoorzieningen, of anderszins beklaagt bij de (hogere) Zwitserse autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat die mogelijkheid er voor hem niet is of dat de Zwitserse autoriteiten hem niet kunnen of willen helpen, dan wel dat het inroepen van hulp bij voorbaat zinloos is. Verweerder mocht dan ook uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Artikel 17 van de Dublinverordening</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>9. Voorts heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat verweerder gehouden was gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid overeenkomstig artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser geen zodanig bijzondere, individuele omstandigheden heeft aangevoerd dat deze maken dat zijn overdracht aan Zwitserland van een zodanig onevenredige hardheid getuigt dat verweerder het asielverzoek aan zich had moeten trekken op grond van artikel 17 van de Dublinverordening. De enkele, niet onderbouwde stellingen over de medische situatie van eiser zijn hiertoe onvoldoende.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Non-refoulement</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>10. Verder overweegt de rechtbank dat het Europees Hof van Justitie onlangs heeft geoordeeld dat - kort gezegd - een rechter bij een overdrachtsbesluit niet mag toetsen of indirect refoulement aannemelijk is wanneer deze rechter niet vaststelt dat er in de aangezochte lidstaat sprake is van systeemfouten in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor personen die om internationale bescherming verzoeken<footnote-ref linkend="_06cc75e8-2ec8-4f31-a872-fdff4f8971c2" />. Nu verweerder heeft mogen uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Zwitserland, zal de rechtbank daarom niet meer op deze beroepsgrond ingaan.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Motivering</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>11. Tot slot concludeert de rechtbank dat het bestreden besluit voldoende zorgvuldig tot stand is gekomen en voldoende is gemotiveerd. In de beschikking wordt weliswaar één keer gesproken over Frankrijk in plaats van Zwitserland<footnote-ref linkend="_1e8a7acf-db72-4e29-8824-48bf216db038" />, maar dit maakt niet dat er sprake is van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. De rechtbank vindt het aannemelijk dat er sprake is van een kennelijke verschrijving nu uit de beschikking verder duidelijk blijkt dat het om Zwitserland gaat.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para>12. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.</para>
    <para />
    <para>13. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit<footnote-ref linkend="_5465623e-312d-4654-955e-f0eabc2b5f76" />, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.</para>
    <para />
    <para>14. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van J.F. Elzenaar, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <parablock>
      <para />
      <para />
    </parablock>
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Informatie over verzet</emphasis>
      </para>
      <para>Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_77c3ab56-c610-4944-82fd-f9c7c06d6f76" label="1">
    <para> Op grond van artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f92dc29d-09b0-4f44-b03a-0ca8dfbed4d9" label="2">
    <para> Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en fundamentele vrijheden.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9de5cb67-08b5-48f7-9818-9f253e1d1201" label="3">
    <para> Europees Sociaal Handvest</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0e77c8fb-1589-4c0f-ba5f-5c0ea2a462f6" label="4">
    <para> Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_deb42261-7bbb-4ab6-baf9-6e70ab602664" label="5">
    <para> Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8e9a5609-e46c-4c5b-9ee6-d186d18ba8a5" label="6">
    <para> Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_b0842d3a-c8dc-4420-aa7a-70a45cdd1a54" label="7">
    <para> AIDA rapport Zwitserland, 2023 update.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5f7a743e-1e8b-4d8e-8867-52ffac8279c0" label="8">
    <para> Zie het artikel “Zwitserland neemt ruk naar rechts te midden van migratiebesognes,” https://www.tijd.be/politiek-economie/europa/algemeen/zwitserland-neemt-ruk-naar-rechts-te-midden-van-migratiebesognes/10501042.html.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_bf2d9aae-f493-4c40-a9be-af7f9d62dc85" label="9">
    <para> De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), ECLI:NL:RVS:2020:2592.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b7502819-9d76-49c8-934e-a0339bbf7d5b" label="10">
    <para> Zie de uitspraken van 9 februari 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:2203 en van 12 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2858.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b6cbe123-55c7-4082-a763-7411b89dea1a" label="11">
    <para> Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_06cc75e8-2ec8-4f31-a872-fdff4f8971c2" label="12">
    <para> Zie de uitspraak van 30 november 2023, ECLI:EU:C:2023:934, punt 129 tot en met punt 152.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1e8a7acf-db72-4e29-8824-48bf216db038" label="13">
    <para> Zie pagina 3 van het bestreden besluit.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5465623e-312d-4654-955e-f0eabc2b5f76" label="14">
    <para> Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Awb.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>