<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2024:14036</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-09-03T14:46:37</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-09-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-09-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">24.21682</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#vereenvoudigdeBehandeling">Vereenvoudigde behandeling</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Groningen</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:14036">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:14036</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-09-03T14:46:13</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-09-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2024:14036 Rechtbank Den Haag , 03-09-2024 / 24.21682</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2024:14036:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>bnt</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2024:14036:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Groningen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL24.21682</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [naam], V-nummer: [nummer], eiser,</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. T.M. van der Wal),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
      <para>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="bold">de minister van Asiel en Migratie</emphasis>, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de minister.<?linebreak?></para>
    </parablock>
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <?linebreak?>Procesverloop</title>
    <parablock>
      <para>
        <?linebreak?>Eiser heeft op 21 september 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning</para>
      <para>asiel voor bepaalde tijd ingediend.</para>
      <para>
        <?linebreak?>Bij brief van 18 april 2024 heeft eiser de minister in gebreke gesteld wegens het niet tijdig</para>
      <para>beslissen op zijn asielaanvraag. Eiser heeft vervolgens op 22 mei 2024 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit.</para>
      <para>
        <?linebreak?>De minister heeft geen verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para>1. <?linebreak?>De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en</para>
    <parablock>
      <para>gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben</para>
      <para>gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een</para>
      <para>zitting.</para>
    </parablock>
    <para>2. <?linebreak?>In artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb is bepaald dat, voor de toepassing</para>
    <parablock>
      <para>van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit</para>
      <para>met een besluit wordt gelijkgesteld.<?linebreak?></para>
    </parablock>
    <para>3. In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, voor zover hier van belang, is bepaald dat</para>
    <parablock>
      <para>een beroepschrift gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan worden ingediend</para>
      <para>zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn</para>
      <para>verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Op grond van artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) moet de</para>
    <para>minister binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag beslissen.</para>
    <para>5. <?linebreak?>Op grond van artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw kan de termijn,</para>
    <parablock>
      <para>als bedoeld in het eerste lid, met ten hoogste negen maanden worden verlengd, indien een</para>
      <para>groot aantal vreemdelingen tegelijk een aanvraag indient waardoor het in de praktijk zeer</para>
      <para>moeilijk is de procedure binnen de termijn van zes maanden af te ronden.</para>
    </parablock>
    <para>6. <?linebreak?>Eiser heeft de aanvraag ingediend op 21 september 2023. De wettelijke</para>
    <parablock>
      <para>beslistermijn van zes maanden zou in het geval van eiser op 21 maart 2024 eindigen. De</para>
      <para>minister heeft echter, met inwerkingtreding van het WBV 2023/3, de beslistermijn van</para>
      <para>asielaanvragen, ingediend tussen 1 januari 2023 en 1 januari 2024, met negen maanden</para>
      <para>verlengd. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft in de uitspraak van 11 april 2024</para>
      <para>(ECLI:NL:RBDHA:2024:5087) geoordeeld dat de minister voldoende aannemelijk heeft</para>
      <para>gemaakt dat op het moment van de inwerkingtreding van het WBV 2023/3 sprake was van</para>
      <para>een situatie, zoals bedoeld in artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw. De</para>
      <para>rechtbank ziet geen aanleiding om in deze zaak van dat oordeel af te wijken. De verlenging</para>
      <para>van de beslistermijn is daarom rechtsgeldig. Dat betekent dat de ingebrekestelling van</para>
      <para>18 april 2024 prematuur is ingediend. Het beroep voldoet daarom niet aan de vereisten voor</para>
      <para>het indienen van een beroep tegen het niet tijdig beslissen, als bedoeld in artikel 6:12,</para>
      <para>tweede lid, van de Awb.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>7. Het beroep is, gelet op het voorgaande, niet-ontvankelijk.<?linebreak?></para>
    <para>8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <parablock>
      <para>
        <?linebreak?>De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.</para>
      <para>
        <?linebreak?>Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van</para>
      <para>M.A. Postma, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie</para>
      <para>op rechtspraak.nl.<?linebreak?></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Bent u het niet eens met deze uitspraak?</emphasis>
      </para>
      <para>Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>