<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2024:13850</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-11-14T10:34:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-08-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-08-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL24.31116 en NL24.31129</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Arnhem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RVS:2024:4126" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#bekrachtiging/bevestiging">Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2024:4126, Bekrachtiging/bevestiging</dcterms:relation>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RVS:2024:4125" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#bekrachtiging/bevestiging">Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2024:4125, Bekrachtiging/bevestiging</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:13850">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:13850</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-09-12T14:00:06</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-09-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2024:13850 Rechtbank Den Haag , 23-08-2024 / NL24.31116 en NL24.31129</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2024:13850:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bewaring; ongegrond; wijst verzoek tot schadevergoeding af.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2024:13850:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Arnhem</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummers: NL24.31116 en NL24.31129</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 augustus 2024 in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser], v-nummer: [nummer], eiser</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. H. Palanciyan),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de minister van Asiel en Migratie, de minister</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. E. Özel).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 7 augustus 2024 (bestreden besluit 1) heeft de minister aan eiser op grond van artikel 62a van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) een terugkeerbesluit en op grond van artikel 66a van de Vw 2000 een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. De minister heeft op diezelfde dag aan eiser de maatregel van bewaring (bestreden besluit 2) op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 opgelegd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen de bestreden besluiten afzonderlijk beroep ingesteld. Het beroep tegen de maatregel van bewaring moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de beroepen op 20 augustus 2024 gevoegd op zitting behandeld. Eiser is, via een beeldverbinding, verschenen en is bijgestaan door mr. A.D. Kupelian, kantoorgenoot van eisers gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.<?linebreak?></para>
    </parablock>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Over het bestreden besluit 1:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Mocht de minister een inreisverbod aan eiser opleggen?</emphasis>
      </para>
      <para>1.	Eiser voert aan dat de minister hem ten onrechte een inreisverbod heeft opgelegd voor de duur van twee jaar. Het opleggen van een inreisverbod aan eiser is te heftig, omdat hij al zijn hele leven in Europa verblijft. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Dit betoog slaagt niet. Als de minister in een terugkeerbesluit bepaalt dat een vreemdeling de Europese Unie onmiddellijk moet verlaten, welk besluit eiser niet heeft bestreden, dan moet de minister ook een inreisverbod opleggen. De minister kan daar echter om humanitaire of andere redenen van afzien.<footnote-ref linkend="_ff05aeb3-b805-4170-b1d7-0b3d54b8b0c0" /> In dit geval heeft de minister eiser een vertrektermijn onthouden en was hij dus gehouden een inreisverbod op te leggen. De rechtbank is van oordeel dat de minister in het geval van eiser geen aanleiding heeft hoeven zien om af te zien van het opleggen van een inreisverbod of om de duur daarvan te verkorten. Dat eiser naar eigen zeggen altijd in Europa heeft verbleven, maakt dat niet anders. Het is immers niet gesteld of gebleken dat eiser hierdoor belangen in Europa heeft die de oplegging van een inreisverbod onredelijk maken.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Over het bestreden besluit 2:</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Werkt de minister voldoende voortvarend aan de uitzetting?</emphasis>
        </para>
        <para>2.	Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting, omdat er volgens hem al een aanvraag om een laissez-passer is verzonden en hij daardoor meteen uitzetbaar is.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Dit betoog slaagt niet. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Op 7 augustus 2024 heeft een vertrekgesprek plaatsgevonden en is aangekondigd dat een laissez-passer aanvraag zal worden gedaan. Deze aanvraag is, zo blijkt uit het verhandelde ter zitting, op 8 augustus 2024 ook verzonden. Dit acht de rechtbank voldoende voortvarend en alleen al daarom slaagt het betoog niet. Dat de uitzetting volgens eiser sneller had gekund, maakt niet dat het huidige handelen van de minister onvoldoende voortvarend is. De minister heeft op zitting toegelicht dat hij voor het uitvoeren van een uitzetting afhankelijk van verschillende omstandigheden – zoals het verkrijgen van een laissez-passer van de Algerijnse autoriteiten – die enige tijd kunnen vergen. De rechtbank ziet geen reden om aan deze toelichting van de minister te twijfelen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?</emphasis>
        </para>
        <para>3.	Eiser voert aan dat de minister had kunnen volstaan met een lichter middel, omdat</para>
        <para>hij altijd vrijwillig is weggegaan.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Deze beroepsgrond slaagt ook niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich, gelet op het onttrekkingsrisico dat uit de (onbetwiste) gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd volgt, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Zoals de minister terecht heeft betrokken bij de belangenafweging, is eiser eerder met onbekende bestemming vertrokken. Bovendien heeft de minister terecht waarde gehecht aan het feit dat eiser meermalen stellig heeft aangekondigd niet te willen terugkeren naar Algerije. De enkele stelling van eiser dat hij altijd vrijwillig is vertrokken, wat overigens niet juist is omdat hij op 28 februari 2024 ook al eens gedwongen is uitgezet, doet aan dat onttrekkingsrisico niet af.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?</emphasis>
        </para>
        <para>4.	 Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregelen niet is voldaan.<footnote-ref linkend="_5b8a2f05-1b61-47dc-876d-84c18e4a4c13" /></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para>- verklaart de beroepen ongegrond;</para>
    <para>- wijst het verzoek om schadevergoeding af.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, in aanwezigheid van <?linebreak?>S. Voolstra griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 2 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.<?linebreak?>Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 1 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.</para>
      <para />
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_ff05aeb3-b805-4170-b1d7-0b3d54b8b0c0" label="1">
    <para> Dat volgt uit artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5b8a2f05-1b61-47dc-876d-84c18e4a4c13" label="2">
    <para> Vergelijk ABRvS van 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>