<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2024:13404</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-08-22T13:52:41</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-08-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-08-02</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 24/10891</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Arnhem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:13404">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:13404</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-08-22T13:51:50</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-08-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2024:13404 Rechtbank Den Haag , 02-08-2024 / AWB 24/10891</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2024:13404:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>voorlopige voorziening tegen de feitelijke handeling tot overdracht naar de meerderjarigenopvang, leeftijdsregistratie door de minister, concrete aanknopingspunten om te twijfelen aan de leeftijdsregistratie, voorlopige voorziening toegewezen</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2024:13404:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Zittingsplaats Arnhem</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: AWB 24/10891</para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 augustus 2024 in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [verzoeker] , v-nummer [nummer] , verzoeker</title>
    <para>(gemachtigde: mr. M.R.F. Berte),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, COa</title>
    <para>(gemachtigde: mr. L.A. van Els).</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de overplaatsing van verzoeker naar een opvang voor meerderjarigen per 2 juli 2024. Hij vraagt te bepalen dat het COa overgaat tot terugplaatsing van verzoeker naar de minderjarigenopvang en dat hij door het COa wordt behandeld als alleenstaande minderjarige asielzoeker totdat op bezwaar tegen overplaatsing naar de minderjarigenopvang is beslist. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>Verzoeker heeft op 26 juli 2023 een asielaanvraag ingediend en daarbij verklaard dat hij is geboren op [geboortedatum 1] 2007. Hij is vervolgens door het COa geplaatst in een minderjarigenopvang. De minister van Asiel en Migratie<footnote-ref linkend="_26234dce-6d01-441a-bafa-5e490f30cac1" /> heeft op 2 maart 2024 het COa geïnformeerd over de (administratieve) wijziging van de geboortedatum van verzoeker naar [geboortedatum 2] 2005. Verzoeker heeft op 29 maart 2024 bezwaar gemaakt tegen de leeftijdswijziging door de minister. Op 20 juni 2024 heeft de minister het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Hiertegen heeft verzoeker op 21 juni 2024 beroep ingesteld. Deze beroepszaak loopt nog<footnote-ref linkend="_6ba73048-0160-4dc9-82ba-97caf3c2b160" />. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Verzoeker heeft ook bezwaar gemaakt bij het COa tegen de feitelijke handeling tot overplaatsing van verzoeker naar een meerderjarigenopvang. Hij heeft hangende dat bezwaar ook een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Over dat verzoek gaat deze uitspraak. De uitspraak gaat dus niet over het besluit van de minister.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Het COa heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 23 juli 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van het COa deelgenomen. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de voorzieningenrechter</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. De voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen als tegen een besluit bezwaar is gemaakt en onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in het bodemgeding niet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>De voorzieningenrechter beantwoordt in deze procedure de vraag of het bezwaar van verzoeker tegen de feitelijke overdracht van verzoeker van een minderjarigenopvang naar een meerderjarigenopvang een redelijke kans van slagen heeft. De voorzieningenrechter geeft in deze procedure een voorlopig rechtmatigheidsoordeel over het bestreden besluit. Als een besluit naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter onrechtmatig is, dan kan dat namelijk een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Het COa had aanleiding moeten zien om te wachten met het overplaatsen van verzoeker, omdat reden voor twijfel bestond over zijn leeftijd. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Had verzoeker in de gelegenheid gesteld moeten worden om een zienswijze in te dienen?</emphasis>
        </para>
        <para>3. De feitelijke overplaatsing van een vreemdeling van de minderjarigenopvang naar de meerderjarigenopvang, zoals hier aan de orde, moet gelijk worden gesteld met een beschikking in de zin van artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000.<footnote-ref linkend="_83e0d7df-a6ef-4002-91f4-0322aa8fcea5" /> Daarom staat tegen die feitelijke handeling bezwaar open bij het COa.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Verzoeker betoogt dat hij in de gelegenheid gesteld had moeten worden om een zienswijze in te dienen voordat hij zou worden overgeplaatst. Dit omdat de overplaatsing berust op gegevens over feiten die de vreemdeling betreffen en die niet door de vreemdeling zelf zijn verstrekt. Het gaat namelijk om gegevens die door de minister zijn verstrekt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>De voorzieningenrechter beantwoordt in deze zaak niet de vraag of hier gelet op de gelijkstelling van de handeling met een beschikking, artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht op overeenkomstige wijze had moet worden toegepast. Deze vraag gaat de reikwijdte van een verzoek om een voorlopige voorziening te buiten en zal zo nodig beantwoord moeten worden door de rechtbank. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Dat op deze vraag nu geen antwoord komt is ook niet bezwaarlijk. Verzoeker heeft namelijk in zijn bezwaarschrift alsnog zijn zienswijze kenbaar gemaakt. De voorzieningenrechter beoordeelt aan de hand daarvan of het COa had moeten wachten met het overplaatsen van de vreemdeling. </para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">De aanleiding voor de overplaatsing</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>4. Verzoeker is met toepassing van werkinstructie 2023/6 (WI 2023/6) geschouwd door Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (AVIM) en de IND. Het betreffen twee onafhankelijke sessies. Zowel de AVIM en de IND hebben in hun schouw geconcludeerd dat verzoeker evident meerderjarig is. Hierop is de geboortedatum van verzoeker aangepast. Op grond van een Eurodac-treffer heeft de minister contact opgenomen met de Italiaanse autoriteiten. De Italiaanse autoriteiten hebben op 22 november 2023 laten weten dat zij verzoeker hebben geregistreerd met de geboortedatum [geboortedatum 1] 2006 met de naam [naam]. Op 12 juli 2024 heeft de minister – nadat verzoeker was overgeplaatst naar de meerderjarigenopvang – geconstateerd dat de toegekende geboortedatum van [geboortedatum 2] 2005 onjuist is en dat in overeenstemming met WI 2023/6, paragraaf 2.3.1. de toegekende geboortedatum van [geboortedatum 3] 2006 moet zijn. Dit is met de kennisgeving op 12 juli 2024 aangepast. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Mag het COa uitgaan van de leeftijdsregistratie door de minister?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>5. Verzoeker betoogt dat hij ten onrechte op 2 juli 2024 is overgeplaatst naar een opvanglocatie voor meerderjarigen. Hij vraagt om de bezwaargronden als gronden voor het treffen van een voorlopige voorziening te beschouwen. Hij betoogt dat hij gezien de bezwaargronden tegen de leeftijdswijziging, de bezwaargronden tegen de feitelijke overplaatsing en het feit dat verzoeker op 3 mei 2024 zijn originele geboorteakte bij de minister heeft overgelegd, voldoende concrete aanknopingspunten naar voren heeft gebracht om te twijfelen over zijn leeftijd. Volgens verzoeker heeft hij voldaan aan de ‘tenzij’-bepaling van de uitspraak van 15 mei 2024 van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State<footnote-ref linkend="_2c11cfb5-16c3-4e0b-85f5-bfe386af882a" />. Het COa had niet zonder nader onderzoek uit mogen gaan van de door de minister vastgestelde leeftijdswijziging. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Het COa stelt zich op het standpunt dat zij geen reden hadden om aan te nemen dat de minister ten onrechte tot wijziging van de geboortedatum van verzoeker is overgegaan. Volgens het COa mag zij in beginsel uitgaan van de leeftijdsregistratie door de minister, tenzij er concrete aanknopingspunten zijn om hieraan te twijfelen. Het COa stelt zich op het standpunt dat deze concrete aanknopingspunten ontbreken. Het COa was namelijk niet bekend met de bezwaren van verzoeker tegen de leeftijdswijziging. Ook had verzoeker als aanknopingspunt een identificerend document overgelegd, alleen heeft de minister het overgelegde document als niet-identificerend aangemerkt. Naast dit document zijn er geen andere concrete aanknopingspunten. Hierdoor had het COa geen aanleiding om te twijfelen aan de leeftijdswijziging van verzoeker door de minister en daarom heeft het COa geen nader onderzoek gedaan naar de leeftijdswijziging. </para>
        <para>Daarnaast merkt het COa op dat zij op dit moment kampen met een tekort aan opvangplekken, waarbij het met name gaat om de opvangplekken voor alleenstaande minderjarigen. Het COa stelt zich ten aanzien van het betoog van verzoeker dat hij behoefte heeft aan begeleiding op het standpunt dat het COa dit ook op andere locaties aanbiedt. Tot slot heeft het COa gekeken naar de bijzondere opvangbehoeften van verzoeker. Verzoeker is namelijk met een goede vriend overgeplaatst naar de meerderjarigenopvang.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>Het COa mag in beginsel uit gaan van de leeftijdsbepaling door de minister, tenzij een vreemdeling concrete aanknopingspunten naar voren heeft gebracht waaruit blijkt dat reden voor twijfel bestaat over zijn leeftijd, bijvoorbeeld als een vreemdeling te kennen heeft gegeven dat hij is opgekomen tegen de leeftijdsbepaling en op welke gronden hij dat heeft gedaan.<footnote-ref linkend="_695b4d72-0f51-499d-803c-2ca7e29baf1a" />  In dat geval moet het COa navraag doen bij de minister over de leeftijdsbepaling en daarover in samenspraak met de minister zelf een standpunt vormen in het kader van de opvangbehoeften van de vreemdeling. Wanneer er reden voor twijfel bestaat over de leeftijd van de vreemdeling dient het COa te wachten met het overplaatsen van die vreemdeling.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>Het betoog van verzoeker slaagt. Het COa wijst er terecht op dat het navraag heeft gedaan bij de minister. Dat heeft het COa gedaan nadat het bezwaarschrift tegen de feitelijke overplaatsing bij hen is binnengekomen. De minister heeft daarop een memo aan het COa gezonden met uitleg waarom verzoeker wordt aangemerkt als meerderjarig. Deze memo doet echter niet af aan het feit dat verzoeker zowel in het bezwaarschrift tegen de overplaatsing als in het bezwaarschrift tegen de leeftijdswijziging heeft aangevoerd dat hij minderjarig is. Het betoog van het COa dat er geen verdere aanknopingspunten waren omdat de door verzoeker overgelegde kopie van zijn geboorteakte als niet-identificerend is aangemerkt gaat niet op. Verzoeker heeft op 3 april 2024 een kopie van zijn geboorteakte overgelegd. De minister heeft deze aangemerkt als niet-identificerend document. Verzoeker heeft op 3 mei 2024 zijn originele geboorteakte ter identificatie overgelegd. Het COa had gezien de bezwaren tegen de leeftijdswijziging en de overplaatsing aanleiding moeten zien om te wachten met het overplaatsen van verzoeker, omdat reden voor twijfel bestond over zijn leeftijd.<footnote-ref linkend="_b46eac78-3046-40e0-b729-1a82cbccebcd" /> Dit geldt te meer omdat verzoeker inmiddels de originele geboorteakte heeft overgelegd. Dat het COa betoogt niet bekend te zijn met de bezwaren van verzoeker doet aan dit oordeel niet aan af. </para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>5.3.1.</nr>
        <para>De minister is weliswaar verantwoordelijk voor de leeftijdsbepaling, maar dat doet niet af aan de verantwoordelijkheid van het COa om te voorkomen dat het een minderjarige vreemdeling in een opvang voor meerderjarigen plaatst. In dit verband wijst de voorzieningenrechter in navolging van de Afdeling naar het arrest Darboe en Camara tegen Italië, waarin het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft overwogen dat de bevoegde autoriteiten van het beginsel van het vermoeden van de minderjarigheid moeten uitgaan, als er twijfel is over de leeftijd van een vreemdeling.<footnote-ref linkend="_e1446e7b-f502-4d76-8250-4b581224b821" /></para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="underline">De overige bezwaargronden</emphasis>
          </para>
          <para>6. Omdat het betoog onder 5 slaagt, bespreekt de voorzieningenrechter de andere gronden van verzoeker niet. </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>7. De voorzieningenrechter wijst gelet op wat is overwogen onder 5.3.1 het verzoek toe. Het treffen van een voorlopige voorzieningen betekent dat verzoeker moet worden teruggeplaatst naar de minderjarigenopvang en dat hij de behandeling van zijn bezwaarschrift daar mag afwachten. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>7.1.</nr>
      <para>Omdat het verzoek van verzoeker wordt toegewezen, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om het COa in de proceskosten van verzoeker te veroordelen. De voorzieningenrechter stelt de hoogte van de proceskosten van verzoeker op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.750,- (1 punt voor het indienen van een verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1).</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaalt dat verzoeker moet worden teruggeplaatst naar de minderjarigenopvang en de behandeling van zijn bezwaarschrift daar mag afwachten;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt het COa in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 1.750,-.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C.G.H. van der Holst, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 2 augustus 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>voorzieningenrechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <bridgehead>Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.</bridgehead>
  <footnote id="_26234dce-6d01-441a-bafa-5e490f30cac1" label="1">
    <para> Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, die in deze uitspraak ook wordt aangeduid als de minister.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6ba73048-0160-4dc9-82ba-97caf3c2b160" label="2">
    <para> Zie zaak NL24.25598.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_83e0d7df-a6ef-4002-91f4-0322aa8fcea5" label="3">
    <para> Vergelijk ABRvS 15 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2011 onder 5.2.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2c11cfb5-16c3-4e0b-85f5-bfe386af882a" label="4">
    <para> ABRvS 15 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2011 onder 6.1.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_695b4d72-0f51-499d-803c-2ca7e29baf1a" label="5">
    <para> Zie ABRvS 15 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2011 onder 6.1.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b46eac78-3046-40e0-b729-1a82cbccebcd" label="6">
    <para> Vergelijk ABRvS 15 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2011 onder 6.2.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e1446e7b-f502-4d76-8250-4b581224b821" label="7">
    <para> EHRM 21 juli 2022, Darboe en Camara tegen Italië, ECLI:CE:ECHR:2022:0721JUDO00579717, paragrafen 153 en 154 en ABRvS 15 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2011 onder 6.3.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>