<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2024:13242</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-11-15T16:21:27</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-08-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-08-19</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL24.30765 en NL24.31626</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RVS:2024:4340" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#bekrachtiging/bevestiging">Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2024:4340, Bekrachtiging/bevestiging</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:13242">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:13242</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-08-20T10:48:55</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-08-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2024:13242 Rechtbank Den Haag , 19-08-2024 / NL24.30765 en NL24.31626</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2024:13242:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Eerste beroep bewaring, ondertekening door staatssecretaris is een gebrek, informatiebrief voldoet niet aan art. 5.3 Vb, tijdige omzetting, beroep ongegrond, PKV.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2024:13242:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Middelburg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummers: NL24.30765 en NL24.31626</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser], eiser</bridgehead>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [V-nummer]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. R. Deniz),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de minister van Asiel en Migratie</emphasis>, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder</para>
      <para>(gemachtigde: mr. R. Hopman).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 28 juli 2024 (bestreden besluit 1) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw<footnote-ref linkend="_364ec7be-c1fb-4e30-8368-d18e4210b046" /> opgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 11 augustus 2024 heeft verweerder deze maatregel opgeheven. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van eveneens 11 augustus 2024 (bestreden besluit 2) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen de beide maatregelen beroep ingesteld. Deze beroepen moeten tevens worden aangemerkt als verzoeken om toekenning van schadevergoeding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de beroepen op 14 augustus 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. De rechtbank stelt allereerst vast dat maatregel is ondertekend namens de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, terwijl met ingang van 2 juli 2024 is besloten om  de minister van Asiel en Migratie aan te wijzen als bevoegd bestuursorgaan.<footnote-ref linkend="_1936eb99-1d84-4311-b593-8de13cfc4ee7" /> De maatregel is dan ook ten onrechte opgelegd uit naam van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Dit is een gebrek, maar dit gebrek kan worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht.<footnote-ref linkend="_571e6875-da56-404b-9964-551c2347ce6c" /> De rechtbank stelt daartoe vast dat de maatregel in dit geval is ondertekend door een daartoe aangewezen bevoegde ambtenaar als bedoeld in artikel 5.3 van het Voorschrift vreemdelingen 2000. Daarnaast is gesteld noch gebleken dat eiser door de onjuiste ondertekening in zijn belangen is geschaad.</para>
    <para />
    <para>2. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1994 en de Tunesische nationaliteit te hebben. Eiser heeft op 28 juli 2024 een opvolgende asielaanvraag ingediend. Deze asielaanvraag is door verweerder niet-ontvankelijk verklaard bij besluit van 9 augustus 2024. Hieruit volgt dat de beide opeenvolgende maatregelen zijn gebaseerd op een juiste grondslag. Ten tijde van het bestreden besluit 1 was eiser immers asielzoeker en bood artikel 59b verweerder de mogelijkheid tot het opleggen van de maatregel. Ten tijde van het bestreden besluit 2 bood artikel 59 deze mogelijkheid, aangezien eiser toen niet langer rechtmatig in Nederland verbleef.</para>
    <para />
    <para>3. In bestreden besluit 1 heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de asielaanvraag, wegens het risico op onttrekking aan het toezicht op vreemdelingen. In bestreden besluit 2 heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. </para>
    <parablock>
      <para>In de maatregelen staan hiertoe als zware gronden<footnote-ref linkend="_796ac3c0-fea0-44a7-bf9c-db43dddcc4a5" /> vermeld dat eiser:<?linebreak?></para>
      <para>
        <emphasis role="italic">3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;</emphasis>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="italic">3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;</emphasis>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="italic">3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;</emphasis>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="italic">3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;</emphasis>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="italic">3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;</emphasis>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="italic">3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; </emphasis>
        <?linebreak?>
      </para>
      <para>en als lichte gronden<footnote-ref linkend="_e01742e6-222e-4479-9f61-10074b202e3d" /> vermeld dat eiser:<?linebreak?></para>
      <para>
        <emphasis role="italic">4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;</emphasis>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="italic">4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;</emphasis>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="italic">4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Eiser heeft de zware grond 3i betwist, voor zover ten grondslag gelegd aan de eerste maatregel. De rechtbank stelt vast dat de (overige) zware en lichte gronden feitelijk juist zijn en voor zover nodig (lichte gronden) ook voldoende zijn gemotiveerd. Voor deze overige gronden geldt dat zij de maatregelen van bewaring kunnen dragen. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding voor een bespreking van de betwiste zware grond 3i.</para>
    <para />
    <para>5. De rechtbank volgt niet eisers standpunt dat na de beslissing van 9 augustus 2024 op eisers asielaanvraag te lang is gewacht met het opleggen van de tweede  maatregel. Volgens vaste rechtspraak kan verweerder na wijzing van de grondslag binnen 48 uur een aansluitende nieuwe maatregel op te leggen.<footnote-ref linkend="_e1ebc6c7-fdb9-498d-807a-48b643b94f5c" /> Zoals verweerder ter zitting heeft toegelicht had eiser na het uitreiken van bedoelde beslissing gedurende 24 uur de gelegenheid om te verzoeken om een voorlopige voorziening, om zo zijn rechtmatig verblijf in Nederland te continueren. Nadat in dit geval deze termijn ongebruikt was verstreken, heeft verweerder binnen 24 uur de tweede maatregel opgelegd, op de gewijzigde grondslag. </para>
    <para />
    <para>6. Eiser heeft aangevoerd dat de beide maatregelen niet overeenkomstig de eisen van artikel 5.3, eerste lid, derde zin, van het Vb. zijn uitgereikt. </para>
    <para>Uit artikel 5.3, eerste lid, derde zin, van het Vb volgt dat de vreemdeling bij de uitreiking van de maatregel van bewaring schriftelijk in een voor hem (naar mag worden aangenomen) begrijpelijke taal op de hoogte wordt gebracht van de in deze bepaling genoemde informatie. Dit betreft onder meer de gronden waarop de maatregel van bewaring berust. De rechtbank stelt met eiser vast dat deze verplichting niet is nageleefd. Dit maakt de maatregel van bewaring echter alleen onrechtmatig als de met de bewaring te dienen belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. Deze belangenafweging valt in dit geval in het voordeel van verweerder uit. Eiser is tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling namelijk met behulp van een tolk op de hoogte gebracht van de redenen waarom hij mogelijk in bewaring zal worden gesteld. Verder is eiser door middel van een in een voor hem begrijpelijke taal opgestelde informatiefolder op de hoogte gesteld van de mogelijkheid van het aanwenden van een rechtsmiddel en het verkrijgen van kosteloze rechtsbijstand. Eisers gemachtigde heeft een afschrift van de maatregel ontvangen en heeft de maatregel met eiser kunnen bespreken en heeft ook daadwerkelijk beroep kunnen instellen. Niet is gebleken dat eiser door het vastgestelde gebrek in de wijze van uitreiking in zijn belangen is geschaad. Het gebrek leidt daarom niet tot onrechtmatigheid van de maatregel.<footnote-ref linkend="_1e1c368d-75e8-4270-9410-09d2107ff449" /></para>
    <para />
    <para>7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.</para>
    <para />
    <para>8. Gelet op het hiervoor onder 1. geconstateerde gebrek zal de rechtbank verweerder veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten.<footnote-ref linkend="_d7c28600-3352-4bd8-b85a-0f59f6320be3" /> Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in procedure NL24.30765 vast op € 1.750,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1). </para>
    <bridgehead role="bold">Beslissing</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para>- verklaart de beroepen ongegrond;</para>
    <para>- wijst de verzoeken om schadevergoeding af;</para>
    <para>- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.750,00.<?linebreak?></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan op 19 augustus 2024 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.</para>
      <para>De uitspraak is bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_364ec7be-c1fb-4e30-8368-d18e4210b046" label="1">
    <para> Vreemdelingenwet 2000. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_1936eb99-1d84-4311-b593-8de13cfc4ee7" label="2">
    <para> Zie het Koninklijk besluit van 2 juli 2024 tot instelling van een Ministerie van Asiel en</para>
    <para>Migratie, Stcrt. 4 juli 2024, nr. 22497.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_571e6875-da56-404b-9964-551c2347ce6c" label="3">
    <para> Zie de uitspraak van de Afdeling van 13 februari 2007, ECLI:NL:RVS:2007:AZ9588.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_796ac3c0-fea0-44a7-bf9c-db43dddcc4a5" label="4">
    <para> Artikel 5.1b, derde lid, van het Vb. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_e01742e6-222e-4479-9f61-10074b202e3d" label="5">
    <para> Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_e1ebc6c7-fdb9-498d-807a-48b643b94f5c" label="6">
    <para> Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2016:1082. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_1e1c368d-75e8-4270-9410-09d2107ff449" label="7">
    <para> Zie in dit verband ook nog de uitspraak van de Afdeling van 24 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2979.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d7c28600-3352-4bd8-b85a-0f59f6320be3" label="8">
    <para> Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 30 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2254.</para>
    <para />
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>