<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2024:1236</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-02-06T10:21:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-02-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-02-06</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">18/7925</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#proceskostenveroordeling">Proceskostenveroordeling</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Groningen</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:1236">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:1236</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-02-06T10:20:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-02-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2024:1236 Rechtbank Den Haag , 06-02-2024 / 18/7925</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2024:1236:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>8:75a, intrekking besluit, toewijzing pk</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2024:1236:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Zittingsplaats Groningen</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: AWB 18/7925 </para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 februari 2024 in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [naam] , verzoekster</title>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [V-nummer] ,</para>
      <para>en haar minderjarige kinderen:</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [naam] en</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [naam] ,</emphasis>
      </para>
      <para>(gemachtigde: mr. J.W.F. Menick),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, (de staatssecretaris).</title>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoekster om een veroordeling van de staatssecretaris in de proceskosten. Verzoekster heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van haar beroep tegen het besluit van de staatssecretaris van 26 september 2018. Zij heeft het beroep ingetrokken omdat de staatssecretaris op 18 januari 2019 dit besluit heeft ingetrokken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De rechtbank heeft de staatssecretaris in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. De staatssecretaris heeft hierop niet gereageerd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Partijen hebben de rechtbank niet laten weten dat zij op een zitting willen worden gehoord en de rechtbank heeft het onderzoek gesloten.<footnote-ref linkend="_46fd9e28-83a5-4432-b79a-c451c3baa5ab" /></para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <para>2. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>3. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.<footnote-ref linkend="_37d51432-61c0-4289-8534-f1fbb5e4123c" /></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Is de staatssecretaris aan verzoekster tegemoetgekomen?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>4. De rechtbank moet dus beoordelen of de staatssecretaris geheel of gedeeltelijk aan verzoekster is tegemoetgekomen.</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Op 23 oktober 2018 heeft verzoekster beroep ingesteld tegen het bestreden besluit waarin het bezwaar van verzoekster ongegrond is verklaard. De staatssecretaris heeft op 18 januari 2019 het bestreden besluit ingetrokken. Hiermee is de staatssecretaris tegemoetgekomen aan het beroep van verzoekster.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Welk bedrag aan proceskosten moet de staatssecretaris aan verzoekster vergoeden?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>5. De rechtbank wijst het verzoek als kennelijk gegrond toe. Verzoekster krijgt een vergoeding van haar proceskosten. De staatssecretaris moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 875,- omdat de gemachtigde van verzoekster een beroepschrift heeft ingediend. De rechtbank merkt hierbij op dat in verband met de indexering van de bedragen in het Bpb het nieuwe tarief van € 875,- wordt gehanteerd Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. De rechtbank overweegt, anders dan de staatssecretaris stelt, dat tussen een beroep en een verzoek om een voorlopige voorziening geen samenhang bestaat als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Bpb. Het doel van de voorlopige voorzieningen is een ander dan van de beroepsprocedures. Dat inhoudelijk gezien een verband bestaat tussen het beroep en de voorlopige voorziening maakt dat niet anders.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Krijgt verzoekster een vergoeding van het griffierecht?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>6. De rechtbank wijst erop dat de staatssecretaris verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 170,- te vergoeden.<footnote-ref linkend="_4a0490ac-442a-4da5-a0f0-fd5a272d606c" />. Verzoekster moet zich hiervoor dan ook tot de staatssecretaris wenden.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank veroordeelt de staatssecretaris tot betaling van € 875,- aan proceskosten aan verzoekster.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, rechter, in aanwezigheid van <?linebreak?>P.W. Karsowidjojo, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Bent u het niet eens met deze uitspraak?</title>
    <para>Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een hogerberoepschrift. U moet dit hogerberoepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. </para>
  </section>
  <footnote id="_46fd9e28-83a5-4432-b79a-c451c3baa5ab" label="1">
    <para> Met toepassing van artikel 8:57, eerste en derde lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_37d51432-61c0-4289-8534-f1fbb5e4123c" label="2">
    <para> Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4a0490ac-442a-4da5-a0f0-fd5a272d606c" label="3">
    <para> Dit volgt uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>