<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2024:12332</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-08-07T12:23:55</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-08-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-07-31</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL24.27588</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Arnhem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:12332">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:12332</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-08-07T12:22:14</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-08-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2024:12332 Rechtbank Den Haag , 31-07-2024 / NL24.27588</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2024:12332:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Asiel; Dublin, Duitsland, beroepsgronden en zienswijze komen overeen, indirect refoulement, mondelinge uitspraak, ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2024:12332:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Zittingsplaats Arnhem</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: NL24.27588 </para>
    <para>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="bold">proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 juli 2024 in de zaak tussen</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <section>
    <title>
      [eiser], v-nummer: [nummer], eiser</title>
    <para>(gemachtigde: mr. A. van der Toorn),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de minister van Asiel en Migratie, </emphasis>voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,</para>
      <para>(gemachtigde: mr. T. Stelpstra).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>De zitting</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van de minister van 8 juli 2024, samen met de zaak NL24.27589, op 31 juli 2024 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Na afloop van de behandeling van de zaak op zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. De motivering van die uitspraak vermeldt de rechtbank hierna.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <para>1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 8 juli 2024 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk zou zijn voor de aanvraag.</para>
    <para />
    <para>2. Eiser voert aan dat eiser bij overdracht aan Duitsland vreest voor uitzetting naar Algerije. Hij acht namelijk de kans groot dat de Duitse autoriteiten hem uitzetten aangezien hij gereguleerd wordt overgedragen. Ook vreest eiser dat hij na overdracht in bewaring wordt gesteld, dit is namelijk eerder gebeurd.</para>
    <para />
    <para>3. Op de zitting heeft de rechtbank vastgesteld dat de beroepsgronden een herhaling zijn van wat eiser al in de zienswijze heeft aangevoerd. De minister heeft op de zienswijze voldoende geregeerd in het besluit en heeft voldoende gereageerd op dezelfde gronden op de zitting. Uit de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat het vereist is om in de beroepsgronden toe te lichten waarom de reactie van de minister op de zienswijze op het voornemen tot afwijzing van de asielaanvraag tekortschiet.<footnote-ref linkend="_f0c20325-00fe-40bd-b6bd-482b88cfa1a8" /> Dat heeft eiser niet gedaan. Om deze reden kan het beroep al niet slagen.</para>
    <para />
    <para>4. Daarnaast volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van 30 november 2023,<footnote-ref linkend="_f0a80d15-c9a2-4370-bb7d-4ee542acd8e8" /> dat binnen de kaders van een Dublinprocedure niet kan worden beoordeeld of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op indirect refoulement, wanneer de rechter niet vaststelt dat er in de aangezochte lidstaat sprake is van systeemfouten in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor personen die om internationale bescherming verzoeker. Nu de minister op de zitting zich onbetwist op het standpunt heeft gesteld dat ten aanzien van Duitsland uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel,<footnote-ref linkend="_cddb4f11-ef64-4fb2-a86e-0a91ba67f21c" /> komt de rechtbank niet toe aan de toetsing van het verbod op refoulement. De rechtbank heeft verder geen reden gezien om hiervan af te wijken. De beroepsgrond slaagt niet. </para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.	Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de minister de asielaanvraag van eiser niet in behandeling hoefde te nemen. De minister hoeft geen proceskosten van eiser te vergoeden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2024 door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van mr. N. El-Amrani, griffier. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_f0c20325-00fe-40bd-b6bd-482b88cfa1a8" label="1">
    <para>ABRvS 17 april 2022, <emphasis role="underline">ECLI:NL:RVS:2022:1028</emphasis> en ABRvS 4 juli 2018, <emphasis role="underline">ECLI:NL:RVS:2018:2169</emphasis>.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f0a80d15-c9a2-4370-bb7d-4ee542acd8e8" label="2">
    <para> Hof van Justitie 30 november 2023. ECLI:EU:C:2023:943; zie ook ABRvS 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359</para>
  </footnote>
  <footnote id="_cddb4f11-ef64-4fb2-a86e-0a91ba67f21c" label="3">
    <para> Vergelijk: ABRvS 9 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3291, ABRvS 26 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:913, ABRvS 8 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4107.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>