<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2024:12182</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-08-06T08:02:14</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-08-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-07-29</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL24.28793 01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:12182">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:12182</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-08-05T10:56:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-08-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2024:12182 Rechtbank Den Haag , 29-07-2024 / NL24.28793 01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2024:12182:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bewaring, zware grond 3k onterecht opgenomen, overige gronden dragen de maatregel, beroep ongegrond, verzoek om schadevergoeding afgewezen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2024:12182:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Middelburg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: NL24.28793</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , eiser</bridgehead>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [V-nummer] </para>
      <para>(gemachtigde: mr. M.M. Van Daalhuizen),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de minister van Asiel en Migratie</emphasis>, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder</para>
      <para>(gemachtigde: mr. J.A.C.M. Prins).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 16 juli 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw<footnote-ref linkend="_fe64235e-c250-4d04-8394-bc439e432a59" /> opgelegd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft de maatregel van bewaring op 23 juli 2024 opgeheven omdat eiser is overgedragen aan Bulgarije. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft zich akkoord verklaard met schriftelijke afdoening van het beroep. Eiser heeft op 22 juli 2024 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft op 23 juli 2024 een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft op 29 juli 2024 het onderzoek gesloten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1996 en de Syrische nationaliteit te hebben.</para>
    <para />
    <para>2. Omdat de maatregel is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beoordeeld of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank als de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. </para>
    <para />
    <para>3. Eiser voert in zijn inleidend beroepschrift allereerst aan dat geen sprake was van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt hieruit niet eenduidig van een beroepsgrond. Voor zover eiser heeft willen betogen dat eiser op een onjuiste grondslag is staande gehouden, wijst de rechtbank erop dat uit het proces-verbaal staandehouding van 16 juli 2024 blijkt dat eiser niet is staande gehouden op basis van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf, maar op grond van artikel 50a van de Vw ter voorbereiding van zijn overdracht aan Bulgarije. </para>
    <para />
    <para>4. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening<footnote-ref linkend="_efd6805f-3234-4dee-bb6a-0ee26ad61c45" /> en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft als zware gronden<footnote-ref linkend="_8e574bb4-707e-443e-b80f-554dd2b965d6" /> vermeld dat eiser:</para>
    <para />
    <para>
      <emphasis role="italic">- 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;</emphasis>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="italic">- 3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;</emphasis>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="italic">- 3m. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en onmiddellijke overdracht of overdracht op zeer korte termijn noodzakelijk is ten behoeve van het realiseren van de overdracht binnen zes maanden na het akkoord van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;</emphasis>
    </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en als lichte gronden<footnote-ref linkend="_f6618532-640a-435e-ad86-24ab4e55c293" /> vermeld dat eiser: </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>
      <emphasis role="italic">- 4a. zich niet aan één of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden;</emphasis>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="italic">- 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;</emphasis>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="italic">- 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. </emphasis>
    </para>
    <para />
    <para>5. In de maatregel heeft verweerder onbetwist overwogen dat eiser zonder een vereist paspoort en visum Nederland is binnengereisd. De zware grond 3a is daarmee terecht opgenomen.</para>
    <para />
    <para>6. Eiser betwist dat hij geen medewerking heeft verleend aan zijn overdracht aan Bulgarije. Eiser meent dat verweerder doorgaans de vreemdeling op de hoogte houdt. Eiser volgt niet waarom hem nu wordt verweten niet uit eigen beweging contact met DT&amp;V<footnote-ref linkend="_f1979993-4bc5-4b11-9da8-59d81b3d93e4" /> te hebben gezocht. Eiser stelt dat hij zich aan zijn meldplicht heeft gehouden. Daarnaast stelt eiser dat verweerder een afwachtende houding heeft aangenomen waardoor nu de uiterste overdrachtsdatum nadert. </para>
    <para />
    <para>7. De rechtbank begrijpt het aanvullend beroepschrift zo dat eiser daarmee de zware gronden 3 k en 3 m betwist. Naar het oordeel van de rechtbank is de zware grond 3k onterecht opgenomen. Hoewel van eiser mag worden verwacht dat hij zijn actieve en volledige medewerking verleent aan zijn overdracht<footnote-ref linkend="_06b89c51-2213-4fd2-99fc-5f6b86de6561" />, is het primair de verantwoordelijkheid van verweerder om eiser over te dragen. Niet duidelijk is daarbij of eiser op enig moment heeft aangegeven al of niet op eigen initiatief te willen vertrekken, en zo niet, dat hij evenmin wil meewerken aan een door DT&amp;V gefaciliteerde overdracht. Wel blijkt uit het vertrekgesprek van 17 juni 2024<footnote-ref linkend="_24de9427-94d3-4a62-aa2c-05205212ff8f" /> dat eiser op de hoogte was van de noodzaak tot medewerking en heeft aangegeven bereid te zijn mee te werken, in de verwachting dat de DT&amp;V hem zou informeren en een ticket zou verstrekken. Gelet hierop kan het niet zonder meer aan eiser worden verweten dat hij niet uit eigen beweging verdere actie heeft ondernomen. Voor het overige blijkt uit de stukken ook niet van gedragingen van eiser waaruit zou moeten worden afgeleid dat eiser daadwerkelijke medewerking weigert. Er kan dan ook niet zonder nadere motivering worden vastgesteld dat eiser geen medewerking verleent. De beroepsgrond slaagt. </para>
    <para />
    <para>8. De zware grond 3 m is feitelijk juist. De uiterste overdrachtstermijn is op 24 juli 2024 verstreken. Het was dan ook op kort termijn noodzakelijk om eiser over te dragen. Voorwaarde om een zware grond te kunnen tegenwerpen is slechts dat deze feitelijk juist is. De beroepsgrond slaagt dan ook niet. </para>
    <para />
    <para>9. De lichte gronden zijn juist en voldoende toegelicht. </para>
    <para />
    <para>10. Op basis van de zware gronden 3a en 3m en de lichte gronden wordt een significant risico op onttrekking aan het toezicht aangenomen, zodat deze gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen. </para>
    <para />
    <para>11. Eiser meent dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel. Verweerder heeft echter afdoende gemotiveerd dat sprake is van een significant risico op onttrekking aan het toezicht en dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend is toe te passen om dit risico te ondervangen. Verweerder heeft ook voldoende gemotiveerd dat niet is gebleken van omstandigheden die detentie voor eiser onredelijk bezwarend maken. De stellingen van eiser dat hij zich aan zijn meldplicht heeft gehouden en dat hij bij feitelijk zijn broers heeft verbleven, doen niet af aan het voorgaande. </para>
    <para />
    <para>12. Ook overigens is er geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.</para>
    <para />
    <para>13. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. </para>
    <para />
    <para>14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. </para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan op 29 juli 2024 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op <emphasis role="underline">www.rechtspraak.nl</emphasis>. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is bekendgemaakt op:</para>
      <para />
    </parablock>
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
        <?linebreak?>Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. </para>
      <para />
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_fe64235e-c250-4d04-8394-bc439e432a59" label="1">
    <para> Vreemdelingenwet 2000.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_efd6805f-3234-4dee-bb6a-0ee26ad61c45" label="2">
    <para> Verordening (EU) nr. 604/2013.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8e574bb4-707e-443e-b80f-554dd2b965d6" label="3">
    <para> Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f6618532-640a-435e-ad86-24ab4e55c293" label="4">
    <para> Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f1979993-4bc5-4b11-9da8-59d81b3d93e4" label="5">
    <para> Dienst Terugkeer en Vertrek. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_06b89c51-2213-4fd2-99fc-5f6b86de6561" label="6">
    <para>De uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 13 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:85 en de uitspraak van de Afdeling van 2 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2210.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_24de9427-94d3-4a62-aa2c-05205212ff8f" label="7">
    <para> Pagina 2 van het verslag (vertrek-)gesprek van 17 juni 2024. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>