<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2024:11829</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-07-30T14:19:14</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-07-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-06-21</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL24.22577, NL24.22579 en NL24.22885</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:11829">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:11829</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-07-30T13:47:02</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-07-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2024:11829 Rechtbank Den Haag , 21-06-2024 / NL24.22577, NL24.22579 en NL24.22885</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2024:11829:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Dublin België, ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2024:11829:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>uitspraak</para>
  <para>
    <inlinemediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="755e3cf1-bbca-470c-aeff-e2712071dbcc" depth="2" width="523" format="image/png" />
      </imageobject>
    </inlinemediaobject>
    <inlinemediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="7297630c-31bf-419f-9349-572f3bf2ba4a" depth="2" width="13" format="image/png" />
      </imageobject>
    </inlinemediaobject>
  </para>
  <section>
    <title>RECHTBANK DEN HAAG</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht</para>
      <para>zaaknummers: NL24.22577, NL24.22579 en NL24.22885</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiser] , [eiseres 1] en [eiseres 2]</emphasis>, V-nummers: [V-nummer 1] , [V-nummer 2] en [V-nummer 3] , mede namens hun kinderen <emphasis role="bold">[minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4]</emphasis>, V-nummers: [V-nummer 4] , [V-nummer 5] , [V-nummer 6] en [V-nummer 7] , eisers (gemachtigde: mr. V. Senczuk),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid</emphasis>, (gemachtigde: mr. M.K. Ruijzendaal).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen het niet in behandeling nemen van de aanvragen om het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De staatssecretaris heeft de aanvragen met de bestreden besluiten van 28 mei en 30 mei 2024 niet in behandeling genomen omdat België verantwoordelijk is voor de aanvragen.</para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De rechtbank heeft de beroepen op 18 juni 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van de staatssecretaris.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <para>2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvragen van eisers. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eisers hebben aangevoerd, de beroepsgronden.</para>
    <para />
    <para>3. De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Dat betekent dat eisers ongelijk krijgen en het niet in behandeling nemen van hun aanvragen in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Totstandkoming van de besluiten</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de staatssecretaris een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.1 In dit geval heeft</para>
    <mediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="91a3e274-31d7-46f4-b501-b5273866d357" depth="2" width="193" format="image/png" />
      </imageobject>
    </mediaobject>
    <para>1. Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Nederland bij België de verzoeken om terugname gedaan. België heeft de verzoeken aanvaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. Eisers betogen dat ten aanzien van België niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De bestreden besluiten zijn volgens hen in strijd met de artikelen 3 en 8 van het EVRM2, 4, 7 en 24 van het Handvest3 en 3 van het IVRK4. Hieraan leggen zij ten grondslag dat de kinderen geen onderwijs hebben gehad in België. Nu er geen daadwerkelijke afweging van de belangen van de kinderen heeft plaatsgevonden, zijn de bestreden besluiten onvoldoende zorgvuldig tot stand gekomen en onvoldoende gemotiveerd. Verweerder heeft volstaan met ernaar te verwijzen dat de waarborgen uit het IVRK zijn opgenomen in de Dublinverordening, maar dat is ontoereikend. De belangen van de kinderen zijn niet daadwerkelijk voorop gezet. Ter zitting is namens eisers gesteld dat het belang van de kinderen de enige grond is waar het beroep op ziet.</para>
    <paragroup>
      <nr>5.1</nr>
      <para>De staatssecretaris heeft in de bestreden besluiten, ten aanzien van het belang van de kinderen, overwogen dat de waarborgen die voortvloeien uit het IVRK, zijn opgenomen in artikel 8 van de Dublinverordening. Tevens zijn de waarborgen neergelegd in de Uitvoeringsverordening5, welke verdere invulling geeft aan de Dublinverordening. Daarnaast heeft de staatssecretaris in de bestreden besluiten overwogen dat er geen sprake is van bijzondere feiten of omstandigheden, als bedoeld in artikel 17, eerste lid, Dublinverordening. Verder is overwogen dat indien eisers problemen ondervinden, zij zich in België tot de daartoe aangewezen autoriteiten kunnen wenden.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2</nr>
      <para>Het betoog van eisers, dat de kinderen in België geen onderwijs hebben gehad en de staatssecretaris daarom de aanvragen naar zich had moeten trekken, slaagt naar het oordeel van de rechtbank niet. Eisers hebben niets onderbouwd. Zo ervan uitgegaan moet worden dat hun stelling juist is, hebben zij niet aannemelijk gemaakt dat zij enige actie hebben ondernomen om onderwijs voor de kinderen te bewerkstelligen. Immers, zoals de staatssecretaris ter zitting ook heeft aangegeven, volgt uit het AIDA rapport over België, update 2023, dat minderjarige kinderen in beginsel toegang hebben tot onderwijs. Uit het rapport volgt eveneens dat er kinderen (niet alleen van asielzoekers) zijn geweest die op een wachtlijst stonden en dat verhuizingen een negatieve invloed kunnen hebben op het krijgen van onderwijs, maar hieruit kan niet worden afgeleid dat het recht en de toegang tot onderwijs in ernstige mate tekortschiet. Nu niet is onderbouwd of anderszins is gebleken dat eisers hebben geprobeerd de kinderen onderwijs te laten genieten en ook overigens geen bijzondere belangen zijn gesteld, mocht verweerder volstaan met de algemene overwegingen in de bestreden besluiten. De bestreden besluiten zijn voldoende zorgvuldig tot stand gekomen en voldoende gemotiveerd.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <para>6. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk hebben en geen vergoeding van hun proceskosten krijgen.</para>
    <para />
    <mediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="3227c0ef-7eef-4713-bdf3-184b89257d2b" depth="2" width="193" format="image/png" />
      </imageobject>
    </mediaobject>
    <para>2 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.</para>
    <para>3 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.</para>
    <para>4 Verdrag inzake de rechten van het kind.</para>
    <para>5 Verordening (EG) nr. 1560/2003.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J.M. Mol, rechter, in aanwezigheid van</para>
      <para>K.L.H. Thomas, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>21 juni 2024</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <mediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="d2f1d091-a107-4095-adc8-4a15b32758a6" depth="89" width="251" format="image/png" />
      </imageobject>
    </mediaobject>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.</para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>