<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2024:10839</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-07-17T10:29:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-07-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-07-11</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL24.19520</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:10839">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:10839</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-07-12T09:25:54</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-07-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2024:10839 Rechtbank Den Haag , 11-07-2024 / NL24.19520</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2024:10839:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Tadzjiekse. Herhaalde asielaanvraag. Geen sprake van nova. Ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2024:10839:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Middelburg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL24.19520</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser], eiser,</bridgehead>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [V-nummer]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. F. Boone),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de minister van Asiel en Migratie</emphasis>, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,</para>
      <para>(gemachtigde: mr. L.S. Hartog).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 29 april 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard.<footnote-ref linkend="_45b988ee-c6b5-4f78-a5a5-469e13d0c187" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 28 juni 2024 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1962 en de Tadzjiekse nationaliteit te hebben. Op 26 februari 2020 heeft eiser een eerste asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag heeft verweerder bij besluit van 16 juli 2021 afgewezen. Het daartegen gerichte (hoger) beroep van eiser is ongegrond verklaard, waarmee dit besluit in rechte is vast komen te staan.<footnote-ref linkend="_93fa9a9f-c1e8-4dc6-ab31-f95a81507126" /></para>
    <para />
    <para>2. Op 18 april 2024 heeft eiser de huidige asielaanvraag ingediend. Hiertoe heeft hij een uitspraak van de Tadzjiekse rechter overgelegd waarin zijn zoon vals zou zijn veroordeeld voor autodiefstal. Eiser vreest bij terugkeer naar Tadzjikistan dat hem hetzelfde lot als zijn zoon staat te wachten en hij zal worden opgepakt, mishandeld en in de gevangenis zal worden gegooid. Verder vreest eiser dat hij bij terugkeer vermoord zal worden. </para>
    <para />
    <para>3. Verweerder heeft eisers asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn asielaanvraag slechts een afschrift van de uitspraak overgelegd, waarvan ook maar een deel is vertaald. Verder is niet gebleken dat de veroordeling van zijn zoon een voorbode is dat eiser bij terugkeer naar Tadzjikistan hetzelfde staat te wachten. </para>
    <para />
    <para>4. Eiser voert aan dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen nu de ingediende correcties en aanvullingen op het gehoor opvolgende aanvraag niet zijn betrokken bij de besluitvorming. Verder stelt verweerder zich ten onrechte op het standpunt dat de overgelegde uitspraak niet kan dienen als onderbouwing van eisers asielrelaas, omdat het digitaal is overgelegd. Eiser verwijst in dit verband naar het arrest M.A. tegen Zwitserland.<footnote-ref linkend="_768f3df8-6e99-44c0-b809-61a4fa405aae" /> Eiser is gelet op de samenwerkingsplicht niet gehouden om (volledige) vertalingen aan te leveren. Tot slot heeft verweerder ten onrechte niet onderkend dat de overgelegde uitspraak waarmee eisers zoon valselijk is veroordeeld nieuw licht werpt op het asielrelaas. Deze veroordeling komt namelijk overeen met eisers asielrelaas.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank oordeelt als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Correcties en aanvullingen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. Hoewel eiser terecht opmerkt dat in de inleiding van het bestreden besluit is opgenomen dat eiser geen correcties en aanvullingen heeft ingediend, volgt uit de motivering van het bestreden besluit dat deze wel zijn betrokken. De rechtbank neemt dan ook aan dat dit een kennelijke verschrijving betreft, zodat niet geoordeeld kan worden dat het bestreden besluit om die reden onzorgvuldig tot stand is gekomen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Uitspraak zoon</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6. Niet in geschil is dat eiser zijn asielrelaas kan onderbouwen met kopieën, zodat het beroep op het arrest M.A. tegen Zwitserland geen doel treft. Verder is niet gebleken dat verweerder de samenwerkingsplicht heeft geschonden. Verweerder heeft voldoende actief samengewerkt met eiser door hem in staat te stellen zijn asielmotieven in het gehoor opvolgende aanvraag opnieuw naar voren te brengen, een deugdelijk gemotiveerd voornemen uit te brengen, en eiser een zienswijze uit te laten brengen.<footnote-ref linkend="_5e3ecec1-202b-4995-8607-99d664477dfe" /> Het is aan eiser om hetgeen hij relevant acht voor zijn asielrelaas zelf naar voren te brengen en te onderbouwen met documenten. Dit betekent dan ook dat het op zijn weg lag om de overgelegde uitspraak volledig te laten vertalen en deze vertaling over te leggen. </para>
    <para />
    <para>7. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser met de overgelegde uitspraak en zijn verklaringen niet inzichtelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Tadzjikistan de gestelde problemen zal ondervinden. Hierbij acht de rechtbank van belang dat uit de vertaalde delen van de uitspraak en de verklaringen van eiser onvoldoende is gebleken dat de veroordeling van eisers zoon verband houdt met eisers asielrelaas. Eiser verklaart dat hij met de uitspraak wil aantonen dat als hij wordt teruggestuurd, hetzelfde met hem kan gebeuren of misschien wel erger.<footnote-ref linkend="_9a50f06c-d55e-475f-a0ea-85d8b0550eba" /> Hij onderbouwt echter niet waarop dit is gebaseerd. Ook laat eiser na om meer informatie op te vragen bij de familie of advocaat in Tadzjikistan over de gevolgen van de uitspraak terwijl dit wel van hem mag worden verwacht. Verweerder stelt zich dan ook terecht op het standpunt dat de veroordeling van eisers zoon en zijn gestelde problemen zijn gebaseerd op vermoedens en deze verder niet zijn onderbouwd. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Conclusie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>8. De asielaanvraag is terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is ongegrond.</para>
    <para />
    <para>9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan op 11 juli 2024 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op <emphasis role="underline">www.rechtspraak.nl</emphasis>. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Bent u het niet eens met deze uitspraak?</emphasis>
      </para>
      <para>Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_45b988ee-c6b5-4f78-a5a5-469e13d0c187" label="1">
    <para> Op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_93fa9a9f-c1e8-4dc6-ab31-f95a81507126" label="2">
    <para> Rb Den Haag (zittingsplaats Arnhem) 1 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:2745 en ABRvS 3 mei 2024, 202402023/2/V2 (niet gepubliceerd). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_768f3df8-6e99-44c0-b809-61a4fa405aae" label="3">
    <para> EHRM 18 november 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:1118JUD005258913.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5e3ecec1-202b-4995-8607-99d664477dfe" label="4">
    <para> ABRvS 15 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3833 en 13 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:377.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9a50f06c-d55e-475f-a0ea-85d8b0550eba" label="5">
    <para> Rapport gehoor opvolgende aanvraag van 25 april 2024, p. 7 van 9. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>