<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2024:10214</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-07-05T10:49:37</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-07-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-07-01</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL23.37580</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:10214">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:10214</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-07-02T14:54:13</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-07-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2024:10214 Rechtbank Den Haag , 01-07-2024 / NL23.37580</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2024:10214:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>BNT, niet tijdig beslissen, asiel, loopbrief, artikel 42 lid 6 Vw, ingebrekestelling prematuur, beroep niet-ontvankelijk.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2024:10214:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Middelburg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL23.37580</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , eiser</bridgehead>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [V-nummer]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. H.E. Visscher),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: [gemachtigde] ).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft op 30 november 2023 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing </para>
    <parablock>
      <para>van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep het niet tijdig nemen van een besluit </para>
      <para>met een besluit gelijkgesteld. In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb is bepaald dat het </para>
      <para>beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een </para>
      <para>besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling </para>
      <para>door het bestuursorgaan is ontvangen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Eiser heeft op 29 juli 2022 een loopbrief ontvangen. Hij heeft op 23 januari 2023 het M35-H formulier ondertekend. Eiser stelt dat met de afgifte van de loopbrief de beslistermijn op zijn asielaanvraag is aangevangen. Hij verwijst daarbij naar een uitspraak van de Afdeling van 21 september 2023.<footnote-ref linkend="_df0562b1-0b5b-4959-abeb-6d2c5965a46e" /> Eiser stelt zich daarmee op het standpunt dat de beslistermijn inmiddels, op 29 oktober 2023, is verstreken, dat eiser verweerder voorafgaand aan het instellen van het beroep op 15 november 2023 in gebreke heeft gesteld en dat sindsdien twee weken zijn verstreken zonder dat verweerder op de asielaanvraag heeft beslist.</para>
    <para />
    <para>3. De rechtbank is van oordeel dat de beslistermijn voor asielaanvragen zoals bedoeld in artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) aanvangt met het ondertekenen van het daartoe bestemde M35-H-formulier en niet met de afgifte van de loopbrief. Daarmee volgt de rechtbank de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, van 28 februari 2024.<footnote-ref linkend="_55124025-85fb-4dd5-b17b-ab5615401fad" /> De rechtbank heeft in die uitspraak gemotiveerd dat bij afgifte van de loopbrief nog geen sprake is van een ingediende asielaanvraag, dat hiervan naar nationaal recht eerst sprake is als een M35-H-formulier is ingevuld en ondertekend en dat het nationale recht hiermee in lijn is met de Procedurerichtlijn.<footnote-ref linkend="_19b86ee6-ca15-4c33-a4e8-e396488af74e" /> Dit betekent dat eiser op 23 januari 2023 een asielaanvraag heeft ingediend middels het ondertekenen van het M35-H formulier. </para>
    <para />
    <para>4. Verder stelt de rechtbank vast dat verweerder eerst heeft onderzocht of Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers asielaanvraag. Op 24 november 2023 heeft verweerder meegedeeld dat eiser is opgenomen in de nationale procedure. Dat maakt dat verweerder vanaf 24 november 2023 verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser en dat de termijn waarbinnen verweerder op eisers asielaanvraag moet beslissen op dat tijdstip is aangevangen op grond van artikel 42, zesde lid, van de Vw. </para>
    <para />
    <para>5. Op het moment dat eiser zijn asielaanvraag heeft ingediend, is Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2023/3 van toepassing op de asielaanvraag van eiser en is de beslistermijn met negen maanden verlengd.<footnote-ref linkend="_d7de66c0-a122-4d7f-9b77-24c083932601" /> De beslistermijn op de asielaanvraag van eiser zou daarom eindigen op 24 februari 2025. De maximale beslistermijn van 21 maanden<footnote-ref linkend="_7320b19a-b158-40fa-a97f-64478de673a9" /> vanaf de indiening van de asielaanvraag eindigt echter eerder, op 23 oktober 2024.</para>
    <para />
    <para>6. Eiser heeft verweerder op 15 november 2023 in gebreke gesteld. Op dat moment was de beslistermijn nog niet verstreken. Deze is nog altijd niet verstreken. Het beroep van eiser tegen het uitblijven van een besluit op zijn asielaanvraag is prematuur ingediend en daarom kennelijk niet-ontvankelijk.</para>
    <para />
    <para>7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is op 1 juli 2024 gedaan door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. R. de Mul, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Bent u het niet eens met deze uitspraak?</emphasis>
      </para>
      <para>Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. </para>
      <para />
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_df0562b1-0b5b-4959-abeb-6d2c5965a46e" label="1">
    <para> ECLI:NL:RVS:2023:3569.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_55124025-85fb-4dd5-b17b-ab5615401fad" label="2">
    <para> ECLI:NL:RBDHA:2024:2511.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_19b86ee6-ca15-4c33-a4e8-e396488af74e" label="3">
    <para> Richtlijn 2013/32/EU. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_d7de66c0-a122-4d7f-9b77-24c083932601" label="4">
    <para> Deze rechtbank en zittingsplaats heeft onder meer in haar uitspraak van 19 april 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:6261 geoordeeld dat verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat op het moment van de inwerkingtreding van de WBV 2023/3 sprake was van een situatie, zoals bedoeld in artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_7320b19a-b158-40fa-a97f-64478de673a9" label="5">
    <para> Zoals bedoeld in artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>