<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2023:994</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-02-08T16:50:39</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-02-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2023-01-04</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL22.25205</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:994">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:994</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-02-08T16:50:00</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-02-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2023:994 Rechtbank Den Haag , 04-01-2023 / NL22.25205</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2023:994:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>voorlopige voorziening afgewezen - geen uitstel van vertrek - BMA-advies</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2023:994:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL22.25205</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [verzoeker], verzoeker</bridgehead>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [v-nummer]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. M.J.A. Bakker),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. E. de Jong).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop <?linebreak?>Bij besluit van 8 december 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder verzoeker medegedeeld dat de toepassing van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), is afgewezen. </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 14 december 2022 heeft het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) aan verzoeker medegedeeld dat hij het AZC op 5 januari 2023 moet verlaten.</para>
      <para>
        <?linebreak?>De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 29 december 2022 op zitting behandeld.Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De tolk, M. Diallo, was via telefonische verbinding aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.</para>
    <para />
    <para>2. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij de beoordeling van zijn verzoek. Het COA heeft op 14 december 2022 beslist dat verzoeker op 5 januari 2023 de opvanglocatie dient te verlaten en nog niet is gebleken dat deze beslissing is komen te vervallen. </para>
    <para />
    <para>3. Het Bureau Medische Advisering (BMA) heeft op 6 december 2022 advies uitgebracht in deze zaak. Hierin staat dat verzoeker bekend is met een posttraumatische stressstoornis (PTSS), wat zich uit in somberheid en slapeloosheid en dat verzoeker heeft afgezien van verdere behandeling voor zijn PTSS. Bij het uitblijven van medische behandeling verwacht het BMA geen medische noodsituatie op korte termijn. De slapeloosheid kan verergeren en dit kan hinderlijk zijn, maar is niet levensbedreigend. Verzoeker wordt in staat geacht om te reizen, waarbij er geen aanwijzingen zijn dat enige medische voorziening noodzakelijk is. Wel wordt aanbevolen dat verzoeker een schriftelijke overdracht van de medische gegevens meeneemt. Ook wordt aanbevolen om de medicatie te continueren tijdens de reis en voldoende medicatie mee te nemen om de periode van de reis te overbruggen. Op de landgebonden vragen heeft het BMA geantwoord dat deze niet van toepassing zijn.</para>
    <para />
    <para>4. Verzoeker voert aan dat de rechtsgevolgen van het besluit niet duidelijk zijn. Voor zover hetgeen in het besluit onder “rechtsgevolgen” is opgenomen moet worden aangemerkt als een terugkeerbesluit, is er ten onrechte geen termijn genoemd waarbinnen verzoeker Nederland moet verlaten. Ook wordt niet aangegeven naar welk land verzoeker moet vertrekken. Op zitting heeft verzoeker nog naar voren gebracht dat het BMA niet in het advies kan worden gevolgd. In dat advies wordt namelijk vermeld dat verzoeker medicijnen slikt die horen bij psychotische klachten, maar zulke klachten worden verder niet besproken in het advies. Hier wenst de gemachtigde van verzoeker nog nader onderzoek naar te doen bij het BMA. </para>
    <para />
    <para>5. De voorzieningenrechter overweegt allereerst dat de grond van verzoeker die ziet op (het ontbreken van) een terugkeerbesluit niet slaagt, nu bij aanvullend besluit van verweerder van 29 december 2022 aan verzoeker alsnog een terugkeerbesluit is opgelegd, waarin aan verzoeker de verplichting is gegeven om binnen een termijn van vier weken terug te keren naar Liberia. </para>
    <para />
    <para>6. Verder overweegt de voorzieningenrechter dat volgens vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter een advies van het BMA een deskundigenadvies is aan verweerder voor de uitoefening van zijn bevoegdheden<footnote-ref linkend="_27664763-9ba9-4ec3-873a-9a7381034a63" />. Als verweerder een BMA-advies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, moet verweerder er zich op grond van artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht van vergewissen dat dit advies – naar wijze van totstandkoming – zorgvuldig en – naar inhoud – inzichtelijk en concludent is<footnote-ref linkend="_30dff578-5354-49dd-95cd-0faecb98d437" />. Het is aan de vreemdeling om te bewijzen dat het BMA-advies niet voldoet aan de daaraan gestelde eisen.</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht om te kunnen oordelen dat het BMA-advies op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Ook ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid of volledigheid van het BMA-advies. Verweerder heeft het BMA-advies aan het bestreden besluit ten grondslag mogen leggen. Het BMA-advies is opgesteld op basis van de door verzoeker overgelegde stukken. De stelling van verzoeker dat het BMA-advies niet gevolgd kan worden omdat hierin niet de psychotische klachten worden vermeld, is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende om niet uit te kunnen gaan van het BMA-advies. Uit het advies volgt dat verzoeker inderdaad medicatie gebruikt die bedoeld is voor psychotische klachten, maar in het advies staat ook dat dit is voorgeschreven aan verzoeker om slapeloosheid tegen te gaan, dus niet vanwege psychotische klachten.   </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2.</nr>
      <para>Gelet op het bovenstaande heeft verweerder, onder verwijzing naar het BMA-advies, naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter op goede gronden geconcludeerd dat verzoeker niet in aanmerking komt voor uitstel van vertrek op medische gronden als bedoeld in artikel 64 van de Vw.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>7.            Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para>
      <?linebreak?>De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <?linebreak?>Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Nooijen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr.C.M. van den Berg, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_27664763-9ba9-4ec3-873a-9a7381034a63" label="1">
    <para> Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 16 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1598.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_30dff578-5354-49dd-95cd-0faecb98d437" label="2">
    <para> Zie de uitspraak van de Afdeling van 16 augustus 2013, ECLI:NL:RVS:2013:826.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>