<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2023:9916</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-07-20T07:32:39</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-07-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2023-07-05</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL22.17880</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorzieningbodemzaak">Voorlopige voorziening+bodemzaak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:9916">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:9916</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-07-20T07:32:21</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-07-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2023:9916 Rechtbank Den Haag , 05-07-2023 / NL22.17880</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2023:9916:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>verblijfsdoel ‘studie’  - buiten behandeling stellen - 8 EVRM - ongegrond</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2023:9916:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummers: NL22.17880 (beroep), NL22.1633 (voorlopige voorziening) en NL22.17881 (voorlopige voorziening)</para>
      <para>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiser], eiser</bridgehead>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [v-nummer]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. A. Jankie),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. Z. Abachi).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 5 januari 2022 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag voor een verblijfsvergunning voor een bepaalde tijd van eiser met het verblijfsdoel ‘studie’ niet in behandeling genomen.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hij heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening treffen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 11 augustus 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld (NL22.17880). Ook heeft hij en voorlopige voorziening ingediend (NL22.17881). Het eerdere verzoek om een voorlopige voorziening is aangemerkt als ingediend hangende het beroep (NL22.1633).<footnote-ref linkend="_6d310dbf-7175-41a7-9135-d933c038ac1e" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 14 juni 2023 op zitting behandeld. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Waar gaat de zaak over? </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. Eiser heeft de Amerikaanse nationaliteit. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met het doel ‘studie’.</para>
    <para />
    <para>2. Verweerder heeft de aanvraag van eiser buiten behandeling gesteld<footnote-ref linkend="_bd1c5405-b6fc-46b3-8898-93ac960b0aac" />, omdat de aanvraag niet is ingediend met tussenkomst van een erkend referent. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat vindt eiser in beroep? </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. De schoolinstelling heeft een aanvraag gedaan om als erkend onderwijsinstelling te worden aangemerkt. Verweerder heeft erop aangestuurd dat de onderwijsinstelling deze aanvraag intrekt, hetgeen zij heeft gedaan. Dit is onzorgvuldig. Verder is de afwijzing in strijd met artikel 8 van het EVRM<footnote-ref linkend="_b2b421ac-b572-4806-a768-a7567b15b53e" />. Tot slot is de afwijzing in strijd met de belangen en rechten van het kind. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat is het oordeel van de rechtbank? </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Het buiten behandeling stellen van de aanvraag</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>4. De rechtbank overweegt dat verweerder de bevoegdheid heeft om een aanvraag buiten behandeling te stellen als de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van het besluit. Verweerder moet de aanvrager dan wel eerst de gelegenheid geven om de aanvraag binnen een door hem gestelde termijn aan te vullen.<footnote-ref linkend="_adb692ea-4a98-43e4-b5e0-09a4006c2e17" /></para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>Een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘studie’ moet door tussenkomst van een als referent erkende onderwijsinstelling worden ingediend.<footnote-ref linkend="_5eaaaa89-4cf7-4140-be84-3d8eea41ae93" /> De rechtbank stelt voorop dat verweerder er in zijn algemeenheid belang bij heeft dat aanvragen worden ingediend volgens de daarvoor geldende regels. Dat geldt eveneens voor de voorwaarde dat dit wordt gedaan door een erkend referent.<footnote-ref linkend="_b7c42f59-85e0-4520-8c46-ab7d62f62628" /> Verweerder heeft eiser bij brief van 16 december 2021 in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken alsnog een aanvraag in te dienen door tussenkomst van een als referent erkende onderwijsinstelling, maar van die gelegenheid heeft eiser geen gebruik gemaakt. Verweerder heeft de aanvraag daarna terecht buiten behandeling gesteld. Het feit dat er na ommekomst van die twee weken (na het primaire besluit) een aanvraag voor een erkend referentschap is ingediend, maakt het voorgaande niet anders. De beroepsgronden die gericht zijn tegen het proces rondom die aanvraag kunnen dan ook geen rol meer spelen; het peilmoment was immers al voorbij. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Gelet op het voorgaande heeft verweerder de aanvraag van eiser om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd buiten behandeling kunnen stellen. </para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Artikel 8 van het EVRM</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>5. Voor zover eiser betoogd dat er sprake is van een schending van artikel 8 EVRM, overweegt de rechtbank dat uit jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter<footnote-ref linkend="_15797990-6c0a-4f93-b3a6-a6c66cc9a876" /> volgt dat bij een buitenbehandelingstelling een beroep op artikel 8 van het EVRM niet meer inhoudelijk wordt beoordeeld. </para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wat is de conclusie? </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>6. Het beroep is ongegrond</para>
      <para />
      <para>7. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er niet langer sprake is van connexiteit. <footnote-ref linkend="_fb6a6a16-7ac8-4388-bd13-f3b6551d834f" /></para>
      <para />
      <para>8. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.<?linebreak?></para>
      <para>De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. R.S. Ouertani, griffier.</para>
      <para>De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Bent u het niet eens met deze uitspraak?</emphasis>
      </para>
      <para>Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.  </para>
      <para>Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open. </para>
      <para />
      <para />
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_6d310dbf-7175-41a7-9135-d933c038ac1e" label="1">
    <para> Op grond van artikel 8:81, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_bd1c5405-b6fc-46b3-8898-93ac960b0aac" label="2">
    <para> Zie artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b2b421ac-b572-4806-a768-a7567b15b53e" label="3">
    <para> Verdrag voor de Rechten van de Mens. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_adb692ea-4a98-43e4-b5e0-09a4006c2e17" label="4">
    <para> Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5eaaaa89-4cf7-4140-be84-3d8eea41ae93" label="5">
    <para> Zie artikel 3.99, eerste lid van het Vreemdelingenbesluit (hierna: Vb 2000) in samenhang met artikel 3.26, eerste lid, van het Voorschrift Vreemdelingen (hierna: VV). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_b7c42f59-85e0-4520-8c46-ab7d62f62628" label="6">
    <para> Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 8 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2398. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_15797990-6c0a-4f93-b3a6-a6c66cc9a876" label="7">
    <para> Zie de uitspraak van de Afdeling van 28 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3456. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_fb6a6a16-7ac8-4388-bd13-f3b6551d834f" label="8">
    <para>  Op grond van artikel 8:81 van de Awb en artikel 8:83, derde lid, van de Awb.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>