<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2023:8708</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-16T14:11:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-06-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2023-04-04</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL23.9737</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:8708">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:8708</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-16T14:10:54</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-06-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2023:8708 Rechtbank Den Haag , 04-04-2023 / NL23.9737</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2023:8708:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>verzoek om een voorlopige voorziening hangende verzet - Dublin Oostenrijk - gestelde minderjarigheid - Taskera - het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2023:8708:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL23.9737</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [verzoeker], verzoeker</bridgehead>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [v-nummer]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. C.G.J.M. Lucassen),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. Y. Rikken).</para>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <?linebreak?>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 3 februari 2023 heeft verweerder de asielaanvraag van verzoeker niet in behandeling genomen op de grond dat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.</para>
      <para>
        <?linebreak?>Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.</para>
      <para>
        <?linebreak?>Bij uitspraak van 8 maart 2023 (hierna: de bestreden uitspraak) heeft de (voorzieningen)rechter het beroep van verzoeker ongegrond verklaard<footnote-ref linkend="_0e808ede-d714-4cc6-a25a-6915344e8cdb" /> en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard<footnote-ref linkend="_09a49025-4c87-4027-908c-e9e6b614284b" />.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak op het beroep heeft verzoeker verzet ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 29 maart 2023 is aan verzoeker kenbaar gemaakt dat hij op 5 april 2023 zal uitreizen naar Wenen, Oostenrijk<footnote-ref linkend="_3f4f8218-92cb-4737-bb1c-b6e7cc4fe70a" />.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoeker heeft vervolgens op 30 maart 2023 om een voorlopige voorziening verzocht, met het doel om niet te worden overgedragen en zijn verzet hier te kunnen afwachten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft op 31 maart 2023 een reactie ingediend op dit verzoek.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoeker en verweerder hebben daarna op 3 en 4 april 2023 nog een nadere reactie ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter heeft bepaald dat het onderzoek ter zitting verder achterwege blijft. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De voorzieningenrechter beoordeelt bij een verzoek om een voorlopige voorziening hangende een procedure of deze procedure een redelijke kans van slagen heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Nu verzoeker verzet heeft ingediend tegen de uitspraak van 8 maart 2023, moet het verzoek om een voorlopige voorziening worden aangemerkt als een verzoek om een voorlopige voorziening hangende verzet. De voorzieningenrechter zal hierna dan ook beoordelen of het verzet een redelijke kans van slagen heeft.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>2.	Artikel 8:83, vierde lid, van de Awb<footnote-ref linkend="_a57d4fef-0627-4e28-8cd9-738eb2153e60" /> bepaalt dat de voorzieningenrechter uitspraak kan doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, indien onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Na kennisneming van de stukken en gelet op het feit dat de overdracht van verzoeker aan Oostenrijk gepland staat voor 5 april 2023, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De bestreden uitspraak</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>3. Verzoeker heeft in de beroepsprocedure gesteld dat hij minderjarig is en dat zijn Taskera om dit te onderbouwen nog in Afghanistan was. De rechtbank is verzoeker in de bestreden uitspraak niet gevolgd in zijn betoog dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door verzoeker niet meer tijd te gunnen voor het overleggen van de Taskera. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wat vinden partijen in de voorzieningenprocedure?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>4. Verzoeker betoogt dat zijn verzet een redelijke kans van slagen heeft. Hij is inmiddels in het bezit van de Taskera, dus hiermee is zijn minderjarigheid onderbouwd. Als gevolg daarvan zal verweerder hem moeten opnemen in de nationale procedure. Verweerder zal de Taskera in ieder geval moeten onderzoeken.   </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Verweerder stelt zich op het standpunt dat het verzet geen redelijke kans van slagen heeft en dat het verzoek om een voorlopige voorziening moet worden afgewezen. Verweerder wijst erop dat verzoeker in Oostenrijk als meerderjarig is geregistreerd en dat de AVIM<footnote-ref linkend="_fd602fd8-0d5c-411d-aec4-e7c2bb12d84c" /> en de IND<footnote-ref linkend="_88aba31d-60ef-4a39-910d-3f28666bc3c0" /> onafhankelijk van elkaar tot de conclusie zijn gekomen dat verzoeker evident meerderjarig is. Verweerder wijst er verder op dat het genoemde geboortejaar op de Taskera gebaseerd is op een schatting. Alleen daarom al bestaat onvoldoende aanleiding om aan de conclusie van de Oostenrijkse en Nederlandse autoriteiten te twijfelen en is het onnodig om het document te onderzoeken op echtheid.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>5.	De voorzieningenrechter stelt voorop dat verzet uitsluitend de vraag betreft of de rechtbank ten onrechte tot een vereenvoudigde behandeling is overgegaan wegens de kennelijke uitkomst van het beroep. Dit betekent dat de beoordeling in verzet beperkt is tot de vraag of terecht uitspraak is gedaan zonder eiser te horen op zitting. Als in verzet argumenten naar voren worden gebracht die in geval van een normale behandeling ook nog hadden kunnen worden aangevoerd, dient te worden beoordeeld of hierdoor twijfel ontstaat over de uitkomst. Zo ja, dan wordt het verzet gegrond verklaard zodat nader onderzoek kan plaatsvinden<footnote-ref linkend="_57b59461-19ee-4bb3-8950-df573698751c" />.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>Het betoog van verzoeker - dat zijn verzet een redelijke kans van slagen heeft - is gestoeld op de omstandigheid dat hij nu zijn originele Taskera zou hebben overgelegd. De voorzieningenrechter ziet hierin onvoldoende aanleiding om tot het oordeel te komen dat het verzet een redelijke kans van slagen heeft. Dat legt zij hieronder uit.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <parablock>
        <para>De voorzieningenrechter stelt voorop dat verzoeker in Oostenrijk is geregistreerd met de geboortedatum 1 januari 1999 en dat verweerder er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel in beginsel van mag uitgaan dat registraties in andere lidstaten zorgvuldig tot stand zijn gekomen<footnote-ref linkend="_74db1fc5-e6bd-4aee-a51e-ca5d8967bf5a" />. Er bestaan geen aanknopingspunten om daar in dit geval niet van uit te gaan. Bovendien hebben zowel de AVIM als de IND afzonderlijk van elkaar, op basis van leeftijdsonderzoek, geconcludeerd dat verzoeker evident meerderjarig is.</para>
        <para>	Het ligt dan ook op de weg van verzoeker om aannemelijk te maken dat de geregistreerde meerderjarigheid onjuist is. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is verzoeker daarin - met het overleggen van de Taskera - niet geslaagd. De Taskera vermeldt namelijk dat de leeftijd van verzoeker “op basis van zijn uiterlijk” is vastgesteld op 10 jaar in het jaar 1395 (= 2016/2017). Dit is dus alleen gebaseerd op een schatting van zijn leeftijd op basis van zijn uiterlijk. Daar komt ook nog bij dat het gestelde geboortejaar op de Taskera (2006/2007) niet overeenkomt met het geboortejaar dat verzoeker zelf heeft genoemd in het gehoor bij de AVIM, te weten 2004. Ook als de Taskera echt wordt bevonden, is dit naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, gelet op al het voorgaande, onvoldoende om te twijfelen aan de meerderjarigheid die is vastgesteld door de Oostenrijkse en Nederlandse autoriteiten. Dat verweerder de Taskera dus nog zou moeten onderzoeken en dat het verzet daarom een redelijke kans van slagen heeft, volgt de voorzieningenrechter niet.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wat is de conclusie?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>6.	De voorzieningenrechter komt op basis van het voorgaande tot de conclusie dat het verzet geen redelijke kans van slagen heeft. Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening af. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para>
      <?linebreak?>De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. van der Waals, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.F.A. Bleichrodt, griffier.</para>
      <para>De beslissing is op 4 april 2023 telefonisch medegedeeld aan partijen. De uitspraak is verzonden op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_0e808ede-d714-4cc6-a25a-6915344e8cdb" label="1">
    <para> Zaaknummer NL23.3739.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_09a49025-4c87-4027-908c-e9e6b614284b" label="2">
    <para> Zaaknummer NL23.3740.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3f4f8218-92cb-4737-bb1c-b6e7cc4fe70a" label="3">
    <para> Vluchtnummer KL 1839, om 06:50 uur.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a57d4fef-0627-4e28-8cd9-738eb2153e60" label="4">
    <para> Algemene wet bestuursrecht.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_fd602fd8-0d5c-411d-aec4-e7c2bb12d84c" label="5">
    <para> Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_88aba31d-60ef-4a39-910d-3f28666bc3c0" label="6">
    <para> Immigratie- en Naturalisatiedienst.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_57b59461-19ee-4bb3-8950-df573698751c" label="7">
    <para> Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 1 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2030, r.o. 1.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_74db1fc5-e6bd-4aee-a51e-ca5d8967bf5a" label="8">
    <para> Zie de uitspraak van de Afdeling van 26 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2659.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>