<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2023:7834</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-06T21:02:51</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-06-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2023-05-04</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">23_1035V</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#verzet">Verzet</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:7834">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:7834</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-05T16:05:14</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-06-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2023:7834 Rechtbank Den Haag , 04-05-2023 / 23_1035V</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2023:7834:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verzet ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2023:7834:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummers: SGR 23/1035 VERZET</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [opposante], te [woonplaats] (Verenigd Koninkrijk), opposante </bridgehead>
    <para>(gemachtigde: A.A. Loonstein),</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Opposante heeft op 1 februari 2023 beroep ingesteld bij deze rechtbank tegen het niet tijdig nemen van een besluit door de minister van Algemene Zaken (hierna: verweerder) op haar verzoek om informatie op grond van de Wet open overheid.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de uitspraak van 29 maart 2023 (de aangevallen uitspraak) heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en verweerder opgedragen binnen zes weken na verzending van de uitspraak een besluit te nemen met oplegging van een dwangsom als die termijn wordt overschreden. De minister is daarbij veroordeelt in de proceskosten tot een bedrag van € 418,50. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Opposante heeft op 31 maart 2023 tegen deze uitspraak verzet gedaan en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2022 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening. Opposante heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Waar gaat deze zaak over? </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. Opposante heeft op 1 december 2022 een verzoek gedaan op grond van de Wet open overheid (Woo) dat kort gezegd ziet op de zogeheten One Love armband en het mogelijk sluiten van een energiedeal met Qatar in het kader van het afgelopen WK voetbal. </para>
    <para />
    <para>2. Bij brief van 5 december 2022 is aan opposante meegedeeld dat het verzoek zodanig gecompliceerd is, dat de beslistermijn wordt verlengd met twee weken zodat zij uiterlijk 12 januari 2023 een besluit zal ontvangen. Nadat deze termijn is verstreken heeft opposante verweerder in gebreke gesteld. Omdat reactie uitbleef heeft opposante beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar verzoek. Bij uitspraak van 29 maart 2023 heeft deze rechtbank het beroep gegrond verklaard. Daarbij is verweerder opgedragen om binnen zes weken na verzending van de uitspraak alsnog op het verzoek te beslissen. Daarnaast is verweerder veroordeeld in de proceskosten tot een hoogte van € 418,50 en opgedragen het griffierecht te vergoeden. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat vindt opposante?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Opposante vindt dat er sprake is van een evident onjuiste uitspraak. De beslistermijn moet worden gecorrigeerd naar twee weken, in plaats van de gegeven zes weken. Dit omdat de door verweerder in het verweerschrift gevraagde termijn van zes weken ten tijde van de aangevallen uitspraak al was verstreken. Opposante snapt daarom niet waarom verweerder daarbovenop een termijn van zes weken is geboden, en er geen aansluiting is gezocht bij de standaardtermijn van twee weken.<footnote-ref linkend="_fb5f6140-cd30-4589-ab58-c36bff5bb11d" /> Daarnaast stelt zij dat de proceskosten op een te laag bedrag zijn vastgesteld. Naast het indienen van het beroep is een reactie gegeven op het verweerschrift, zodat er een halve punt meer had moeten worden toegekend en zij in totaal recht heeft op € 627,75. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. In deze verzetzaak is uitsluitend aan de orde of de rechtbank de zaak terecht niet op een zitting heeft behandeld.<footnote-ref linkend="_92e8df3c-88e3-49da-af82-73bd97118216" /> De rechtbank kan de zaak pas inhoudelijk behandelen als het verzet gegrond is. De rechtbank is van oordeel dat hiervan geen sprake is en overweegt daartoe het volgende. <?linebreak?></para>
    <para>5. Door de gemachtigde zijn geen standpunten naar voren gebracht die niet in de stukken kunnen worden teruggelezen dan wel die deze rechtbank op een andere manier niet heeft kunnen betrekken in haar oordeel. Dat in de overwegingen van de aangevallen uitspraak niet te lezen valt wat de exacte reden is geweest om te kiezen voor een beslistermijn van zes weken, betekent niet dat de rechtbank zich hier niet over heeft gebogen. Bovendien is het inherent aan de door opposante gevoerde procedure dat zij belang heeft bij een zo kort mogelijke beslistermijn. De rechtbank ziet dan ook niet in wat een zitting had kunnen bijdragen, nu dit belang al voldoende kenbaar was. </para>
    <para />
    <para>6. De standpunten van opposante over de proceskostenveroordeling kunnen eveneens niet de conclusie dragen dat de zaak onterecht zonder zitting is afgedaan. Daartoe overweegt de rechtbank dat opposante uit eigen beweging een reactie op het verweerschrift heeft ingediend, en dat dit niet is gebeurd op verzoek van de rechtbank. Ook deze reactie bevond zich in het dossier en was de rechtbank dus bekend ten tijde van de uitspraak. Ook hierin ziet de rechtbank daarom geen reden dat een zitting op dit punt tot een ander oordeel zou leiden.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Conclusie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>7. De rechtbank verklaart het verzet ongegrond. </para>
    <para />
    <para>8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. </para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het verzet ongegrond. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. van der Waals, rechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>mr. B.D.A. Mantingh griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2023.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>voorzieningenrechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. </para>
  </section>
  <footnote id="_fb5f6140-cd30-4589-ab58-c36bff5bb11d" label="1">
    <para> Zie artikel 8:55d, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_92e8df3c-88e3-49da-af82-73bd97118216" label="2">
    <para> Zie artikel 8:55, eerste lid, van de Awb.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>