<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2023:7791</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-01T10:46:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-06-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2023-05-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL23.14524</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:7791">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:7791</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-01T10:45:51</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-06-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2023:7791 Rechtbank Den Haag , 26-05-2023 / NL23.14524</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2023:7791:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Eerste beroep bewaring – lichter middel – zicht op uitzetting – beroep ongegrond</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2023:7791:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Middelburg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL23.14524</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [Naam], eiser,</bridgehead>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [Nummer]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. N. Vollebergh),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. M.M.E. Disselkamp).</para>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <?linebreak?>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 15 mei 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw<footnote-ref linkend="_4cacf34f-cb49-4410-a21c-351ddf53dfbe" /> opgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 24 mei 2023 op zitting behandeld in Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Eiser is geboren op [Geboortedatum] en heeft de Marokkaanse nationaliteit.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Maatregel van bewaring</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. In de maatregel van bewaring staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft als zware gronden<footnote-ref linkend="_f4c775f3-ced8-4a06-aed8-ad9e2c6a81fd" /> vermeld dat eiser:</para>
    <para>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="italic">- 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;</emphasis>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="italic">- 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;</emphasis>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="italic">- 3h. tot ongewenst vreemdeling is verklaard als bedoeld in artikel 67 van de Wet of tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Wet</emphasis>;</para>
    <para>
      <?linebreak?>en als lichte gronden<footnote-ref linkend="_70df6755-4836-4f94-8970-2067578d2c2e" /> vermeld dat eiser:</para>
    <para>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="italic">- 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;</emphasis>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="italic">- 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan</emphasis>.</para>
    <para />
    <para>3. Eiser betwist de zware grond 3b. Hem kan niet worden tegengeworpen dat hij in 2017 één keer met onbekende bestemming is vertrokken. Hij was destijds drugsverslaafd en is inmiddels afgekickt. Verder heeft hij zich altijd aan het toezicht gehouden.</para>
    <para />
    <para>4. Verweerder mag bij het tegenwerpen van onder meer de zware grond 3b volstaan met een toelichting waaruit blijkt dat deze grond zich feitelijk voordoet.<footnote-ref linkend="_aef77885-ef1b-42cb-ba67-9a7f0e398e52" /> Niet in geschil is dat eiser zich op enig moment niet aan zijn meldplicht gehouden. Dit maakt de zware grond 3b feitelijk juist. Dat de onttrekking aan het toezicht enige tijd geleden heeft plaatsgevonden maakt dit niet anders. De rechtbank is van oordeel dat de zware gronden 3c en 3h ook terecht aan eiser worden tegengeworpen. Bij beschikking van 28 juli 2016 is tegen eiser een zwaar inreisverbod uitgevaardigd, maar hij heeft geen gevolg gegeven aan zijn vertrekplicht. Deze zware gronden zijn voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. Verweerder heeft op grond hiervan terecht een risico aangenomen dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Lichter middel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. Eiser is van mening dat een lichter middel toegepast kan worden. Toen hij zich niet aan de meldplicht heeft gehouden, was hij nog drugsverslaafd. Inmiddels is hij afgekickt en daardoor is hij een ander persoon. Ook heeft hij veel familie in Nederland waar hij contact mee heeft.</para>
    <para />
    <para>6. Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag liggen, is een risico op onttrekking aan het toezicht gegeven. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel, zoals een meldplicht, doeltreffend is om dit risico te ondervangen. Daarbij is van belang dat eiser sinds 2016 geen rechtmatig verblijf meer heeft in Nederland en niet is vertrokken. Een eerdere meldplicht heeft niet geleid tot uitzetting van eiser. Eiser heeft ook meermaals verklaard niet terug te willen naar Marokko. Bij het opleggen van een meldplicht is het risico op onttrekking te groot. Dat eiser nu niet meer drugsverslaafd is, neemt dat risico niet weg.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Zicht op uitzetting</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>7. Eiser wijst erop dat hij al vier maal eerder in bewaring heeft gezeten. Op die momenten was er volgens de Afdeling<footnote-ref linkend="_24f6aeda-c7e9-446d-8de6-d5c660febc75" /> zicht op uitzetting naar Marokko. Desondanks is het in het verleden nooit tot een uitzetting gekomen en nu zit hij weer in bewaring. Eiser vraagt zich af welke concrete aanknopingspunten er zijn om aan te nemen dat hij nu wel uitgezet zal worden, nu het feitencomplex niet verschilt ten opzichte van de eerdere inbewaringstellingen. Eiser wijst daarbij op een Afdelingsuitspraak van 20 februari 2004<footnote-ref linkend="_7b218c40-4af7-41cc-a12e-4e3a93ef8864" />, waaruit volgt dat naast een algemeen zicht op uitzetting, ook sprake moet zijn van een individueel zicht op uitzetting.</para>
    <para />
    <para>8. De rechtbank is van oordeel dat in zijn algemeenheid kan worden uitgegaan van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn in het geval van Marokko.<footnote-ref linkend="_54769894-5d10-4501-a8b3-249fd14a07be" /> Het enkele feit dat eiser niet eerder is uitgezet maakt niet dat op voorhand zicht op uitzetting ontbreekt, gelet op de gewijzigde houding van de Marokkaanse autoriteiten in de loop van 2022. Verder is van belang dat eiser zijn vertrek bemoeilijkt. Hij heeft sinds 2016 de gelegenheid om een paspoort te regelen en zelfstandig te vertrekken. Eiser weigert dit te doen en werkt voortdurend tegen. Inmiddels heeft een presentatie plaatsgevonden en ligt er een kopie van een verlopen paspoort. Verweerder gaat er daarom terecht van uit dat er een LP<footnote-ref linkend="_a4f5f723-5875-4642-97fe-356f6a2ec91f" /> voor eiser zal worden afgegeven en daarom kan ook niet gesteld worden dat er geen individueel zicht op uitzetting is.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ambtshalve toets</emphasis>
        <footnote-ref linkend="_25db7696-22cb-4f0d-81dd-eb7199a34d0c" />
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>9. Tot slot leidt ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Conclusie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.</para>
    <para />
    <para>11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>- verklaart het beroep ongegrond;<?linebreak?>- wijst het verzoek om schadevergoeding af.<?linebreak?></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op <emphasis role="underline">www.rechtspraak.nl</emphasis>. </para>
      <para>De uitspraak is bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_4cacf34f-cb49-4410-a21c-351ddf53dfbe" label="1">
    <para> Vreemdelingenwet 2000.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f4c775f3-ced8-4a06-aed8-ad9e2c6a81fd" label="2">
    <para> Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_70df6755-4836-4f94-8970-2067578d2c2e" label="3">
    <para> Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_aef77885-ef1b-42cb-ba67-9a7f0e398e52" label="4">
    <para> Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_24f6aeda-c7e9-446d-8de6-d5c660febc75" label="5">
    <para> Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7b218c40-4af7-41cc-a12e-4e3a93ef8864" label="6">
    <para> ECLI:NL:RVS:2004:AO4790.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_54769894-5d10-4501-a8b3-249fd14a07be" label="7">
    <para> Zie hiervoor Afdelingsuitspraken van 14 november 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:3269) en 16 januari 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:129).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a4f5f723-5875-4642-97fe-356f6a2ec91f" label="8">
    <para> Laissez-passer.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_25db7696-22cb-4f0d-81dd-eb7199a34d0c" label="9">
    <para> Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>