<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2023:7784</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-01T10:34:54</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-06-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2023-05-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL23.14961</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:7784">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:7784</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-01T10:34:00</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-06-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2023:7784 Rechtbank Den Haag , 26-05-2023 / NL23.14961</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2023:7784:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vervolgberoep bewaring – zes maanden termijn nog niet verstreken – voortvarend handelen – beroep ongegrond</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2023:7784:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Middelburg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL23.14961</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [Naam], eiser,</bridgehead>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [Nummer]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. A.K.E. van den Heuvel),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.</bridgehead>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft op 18 januari 2023 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw<footnote-ref linkend="_9f0d02e5-1f85-45c4-be51-65777491e4d8" /> opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij</para>
      <para>heeft hij verzocht om schadevergoeding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft hierop gereageerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek</para>
      <para>op 24 mei 2023 gesloten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Eiser stelt te zijn geboren op [Geboortedatum] en de Marokkaanse nationaliteit te</para>
    <para>hebben.</para>
    <para />
    <para>2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de</para>
    <parablock>
      <para>maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij</para>
      <para>betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel</para>
      <para>96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of</para>
      <para>een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft</para>
    <parablock>
      <para>getoetst. Hierbij wordt verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van</para>
      <para>14 februari 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:1852. Ook is al eerder een vervolgberoep ingesteld. Uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 31 maart 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:5112, volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag heeft gelegen rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek, 27 maart 2023, de maatregel van bewaring rechtmatig is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Eiser stelt dat hij op 19 mei 2023 zes maanden in bewaring verblijft. Er is ten onrechte geen verlengingsbesluit genomen. Hij wijst er ook op dat een verslag van het vertrekgesprek van 10 mei 2023 ontbreekt in het digitale dossier. Daarom moet er van uit worden gegaan dat dit gesprek niet is gevoerd. Verweerder heeft na de LP<footnote-ref linkend="_eec00160-09de-4552-8337-5eab145dcaf6" />-aanvraag voor het laatst gerappelleerd op 26 april 2023, wat betekent dat al een maand geen verdere handelingen hebben plaatsgevonden. Eiser meent daarom dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt.</para>
    <para />
    <para>5. De rechtbank oordeelt allereerst dat met de maatregel met een gewijzigde grondslag van 18 januari 2023 de termijn van artikel 59, vijfde lid, van de Vw opnieuw is gaan lopen. Er zijn nog geen zes maanden verstreken sinds het opleggen van de maatregel. Deze termijn loopt pas af op 18 juli 2023. Een verlengingsbesluit is daarom nog niet vereist.</para>
    <para />
    <para>6. Dat geen verslag van het vertrekgesprek van 10 mei 2023 is opgenomen in het digitale dossier, betekent niet dat dit gesprek niet heeft plaatsgevonden. Ook leidt dit niet tot het oordeel dat de bewaring onrechtmatig is. In de voortgangsrapportage (M120) wordt vermeld dat eiser tijdens dat gesprek geen omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan de bewaring niet langer kan voortduren. De rechtbank ziet geen reden om eraan te twijfelen dat op die datum een vertrekgesprek is gehouden met de inhoud zoals weergegeven in het voortgangsverslag.</para>
    <para />
    <para>7. De rechtbank is verder van oordeel dat in zijn algemeenheid wel kan worden uitgegaan van zicht op uitzetting naar Marokko. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling<footnote-ref linkend="_7d448aac-8784-480a-a2f5-b8eaebd399fe" /> van 14 november 2022.<footnote-ref linkend="_178be15d-54b0-48e3-bd43-91e5d855b85a" /> Eiser heeft geen aanknopingspunten naar voren gebracht voor de conclusie dat in zijn geval zicht op uitzetting ontbreekt, ook al suggereert hij dat in zijn reactie op de voortgangsrapportage.</para>
    <para />
    <para>8. Verweerder heeft na de LP-aanvraag op 26 april 2023 en 17 mei 2023 gerappelleerd. Op 10 mei 2023 is met eiser een vertrekgesprek gevoerd. Uit de voortgangsrapportage valt verder op te maken dat eiser op 24 mei 2023 in persoon gepresenteerd wordt bij de Marokkaanse autoriteiten. Gelet op de voorgenomen presentatie en de hiervoor beschreven handelingen kan niet gesteld worden dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt.</para>
    <para />
    <para>9. Tot slot ziet de rechtbank ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat het voortduren van de bewaring onrechtmatig is.<footnote-ref linkend="_f0e0a304-9e4f-4733-b8c2-a573b45f1532" /></para>
    <para />
    <para>10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.</para>
    <para />
    <para>11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- verklaart het beroep ongegrond;</para>
    <para>- wijst het verzoek om schadevergoeding af.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op <emphasis role="underline">www.rechtspraak.nl</emphasis>. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.</para>
      <para />
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_9f0d02e5-1f85-45c4-be51-65777491e4d8" label="1">
    <para> Vreemdelingenwet 2000.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_eec00160-09de-4552-8337-5eab145dcaf6" label="2">
    <para> Laissez-passer.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7d448aac-8784-480a-a2f5-b8eaebd399fe" label="3">
    <para> Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_178be15d-54b0-48e3-bd43-91e5d855b85a" label="4">
    <para> ECLI:NL:RVS:2022:3269.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f0e0a304-9e4f-4733-b8c2-a573b45f1532" label="5">
    <para> Op grond van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 in de gevoegde zaken C-704/20 en C-39/21.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>