<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2023:7522</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-02T16:32:36</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-05-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ECLI:NL:RBNHO:2023:4729</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2023-03-15</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL22.12579</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Haarlem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:7522">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:7522</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-05-26T09:16:40</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-05-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2023:7522 Rechtbank Den Haag , 15-03-2023 / NL22.12579</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2023:7522:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>beroep ongegrond</para>
        <para>Inreisverbod (twee jaar), Tadzjiekse</para>
        <para>Verweerder mocht aan eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar opleggen op grond van artikel 66a van de Vreemdelingenwet. Eiser heeft de grondslag van de oplegging (het niet tijdig verlaten van de EU) niet betwist en verweerder hoeft niet nader te motiveren waarom eiser de EU te laat heeft verlaten. Verweerder heeft geen redenen hoeven zien om af te zien van dit besluit. Eisers beroep op de hoorplicht slaagt niet. Eiser heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een zienswijze in te dienen en heeft niet kenbaar gemaakt dat hij alsnog gehoord wilde worden.</para>
        <para>Het beroep is ongegrond.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2023:7522:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Haarlem</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL22.12579</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , eiser</bridgehead>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [#]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. E.R. Weegenaar),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. K. Kana).</para>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <?linebreak?>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het besluit van 19 mei 2022 heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd. Ook heeft verweerder een voornemen uitgebracht om aan eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar op te leggen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het besluit van 22 juni 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 3 februari 2023 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">De achtergrond van het geschil</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1988 en de Tadzjiekse nationaliteit te hebben. Op 18 mei 2022 heeft eiser de Europese Unie (EU) verlaten. Bij de uitreiscontrole werd vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf (meer) had. Aan eiser is een voornemen uitgereikt om tegen hem een inreisverbod voor de duur van twee jaar uit te vaardigen. Eiser heeft hiertegen geen zienswijze ingediend.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Verweerders besluit</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Verweerder heeft eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd zoals bedoeld in artikel 66a van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) op grond van het tweede lid, omdat eiser de vrije termijn, als bedoeld in artikel 3.3 van het Vreemdelingenbesluit 2000, met meer dan drie dagen heeft overschreden en hij Nederland niet onmiddellijk hoeft te verlaten. Verweerder ziet geen redenen om vanwege humanitaire of andere redenen af te zien van het opleggen van een inreisverbod.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">De beroepsgronden</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Eiser voert, kort samengevat, aan dat verweerder van het opleggen van het inreisverbod had moeten afzien om de volgende drie redenen. Ten eerste is er sprake van een kan-bepaling, waardoor verweerder niet verplicht was het inreisverbod aan eiser op te leggen. Verweerder had kunnen volstaan met een terugkeerbesluit. Ten tweede heeft verweerder in het bestreden besluit niet aangegeven op grond van welke zware of lichte gronden aan eiser een inreisverbod is opgelegd, waardoor er sprake is van een motiveringsgebrek. Ten derde heeft verweerder ten onrechte afgezien van het horen van eiser.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Het oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder aan eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar mocht opleggen. De rechtbank legt hieronder uit hoe zij tot dit oordeel komt.</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt vast dat uit het voornemen blijkt om welke reden verweerder aan eiser het inreisverbod heeft opgelegd. Verweerder heeft op het moment dat iemand de EU niet tijdig verlaat de bevoegdheid om een inreisverbod op te leggen op grond van artikel 66a van de Vw. Van deze bevoegdheid heeft verweerder gebruik gemaakt. Eiser heeft de grondslag van deze oplegging, dus het niet tijdig verlaten van de EU, niet betwist. Verweerder hoeft naar het oordeel van de rechtbank niet nader te motiveren waarom eiser de EU te laat heeft verlaten. Dat er nog andere gronden aan het inreisverbod ten grondslag gelegd zouden moeten worden, zoals eiser stelt, blijkt nergens uit.</para>
        <para>De beroepsgrond slaagt niet.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <parablock>
        <para>Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerders motivering en de daaraan ten grondslag gelegde feiten voldoende zijn om duidelijk te maken waarom de omstandigheden verweerder geen aanleiding hebben gegeven van het opleggen van het inreisverbod af te zien of de duur daarvan te verkorten. Het voornemen om aan eiser een inreisverbod uit te vaardigen is in persoon aan eiser uitgereikt. Aan eiser is uitgelegd dat hij individuele omstandigheden naar voren kan brengen en dat hij binnen 28 dagen een zienswijze kan indienen. Dat heeft eiser niet gedaan. Verweerder heeft geen andere redenen hoeven zien om af te zien van dit besluit.</para>
        <para>Deze beroepsgrond slaagt daarom ook niet.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <parablock>
        <para>Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat eisers stelling dat hij ten onrechte niet door verweerder is gehoord over het inreisverbod, geen stand houdt. Verweerder heeft eiser in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen en heeft aan hem gevraagd of hij gehoord wilde worden. Eiser heeft verklaard dat hij geen advocaat wilde en heeft niet kenbaar gemaakt dat hij alsnog gehoord wilde worden, zoals blijkt uit het gehoor terugkeerbesluit van 18 mei 2022. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de hoorplicht niet is geschonden door verweerder.</para>
        <para>Ook deze beroepsgrond slaagt niet.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Conclusie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>5. Het beroep is ongegrond.</para>
      <para />
      <para>6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.<?linebreak?></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. E.I. Terborg-Wijnaldum, rechter, in aanwezigheid van mr. N.F. van der Gouw, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.</para>
      <para />
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>