<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2023:7364</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-05-23T16:53:57</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-05-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2023-05-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL23.13467</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:7364">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2023:7364</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-05-23T16:52:14</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-05-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2023:7364 Rechtbank Den Haag , 17-05-2023 / NL23.13467</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2023:7364:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bewaring. Jemenitische. Staandehouding. Lichter middel. Speciale inrichting voor bewaring. Ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2023:7364:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Middelburg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL23.13467</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [naam], eiser,</bridgehead>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [nummer]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. D. Matadien),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. G. Cambier).</para>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <?linebreak?>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 2 mei 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 10 mei 2023 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Khabote, die ter zitting is beëdigd als tolk in de Jemenitisch-Arabische taal. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Jemenitische nationaliteit.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Staandehouding</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Eiser voert ten onrechte aan dat de staandehouding onrechtmatig is, omdat niet duidelijk zou zijn op welke grondslag hij is staande gehouden. Dat het gebruikte modelformulier M105-A in de kop twee mogelijke grondslagen vermeldt, laat onverlet dat het proces-verbaal van staandehouding/ overbrenging en overdracht in dit geval duidelijk vermeldt dat eiser op grond van artikel 50a, eerste lid, van de Vw is staande gehouden.<footnote-ref linkend="_1c0770bc-d2f8-4037-a093-bdb76fb26f8a" /></para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Maatregel van bewaring</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Uit de motivering van de maatregel en uit de overige stukken in het dossier volgt dat op eiser de Dublinverordening<footnote-ref linkend="_69d43825-439c-482d-b0aa-23d3f90da50e" /> van toepassing is. Dit is bevestigd met het claimakkoord met Spanje van 25 november 2022. Verweerder was dan ook op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw bevoegd om aan eiser de maatregel van bewaring op te leggen.</para>
    <para />
    <para>5. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat er een significant risico bestaat op onderduiken. Als zware gronden<footnote-ref linkend="_725d781c-f6d3-4c69-92b4-6b0e5dc3e9e0" /> staat in de maatregel vermeld dat eiser:</para>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;</emphasis>
        </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;</emphasis>
        </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">3l. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen, hem op zijn initiatief een termijn is gesteld om uit eigen beweging te vertrekken naar de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek, en hij niet uit eigen beweging binnen deze termijn is vertrokken;</emphasis>
        </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">3m. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en onmiddellijke overdracht of overdracht op zeer korte termijn noodzakelijk is ten behoeve van het realiseren van de overdracht binnen zes maanden na het akkoord van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;</emphasis>
        </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>En als lichte gronden<footnote-ref linkend="_aff06deb-5873-416e-9533-6c00672493f3" /> staat in de maatregel vermeld dat eiser:</para>
    </parablock>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;</emphasis>
        </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;</emphasis>
        </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. </emphasis>
        </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para>6. Eiser betwist de zware gronden 3a en 3k en de lichte gronden 4a en 4c. Hij stelt dat  de zware grond 3a en de lichte gronden 4a en 4c redelijkerwijs niet aan hem als asielzoeker kunnen worden tegengeworpen. Verder voert eiser tegen de zware grond 3k aan dat hij medische problemen heeft en daarom geen medewerking heeft kunnen verlenen. Daarbij is volgens eiser geen fit-to-fly-verklaring bekend. Zodra hij een medische ingreep heeft gehad, kan hij medewerking verlenen. </para>
    <para />
    <para>7. De rechtbank is van oordeel dat de zware grond 3a feitelijk juist is en daarom terecht aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegd. In de maatregel van bewaring is immers terecht overwogen dat eiser zonder vereiste documenten naar Nederland is gekomen. Hieruit volgt dat eiser zich mogelijk heeft willen onttrekken aan het vreemdelingentoezicht en onderbouwt dan ook het risico op een toekomstige onttrekking. Dat eiser stelt dat hij als asielzoeker niet legaal kan inreizen, doet aan dit risico niet af. Verweerder heeft ook terecht de zware grond 3k aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegd. Allereerst is niet met medische stukken onderbouwd dat eiser vanwege de door hem inmiddels onderbouwde medische klachten niet (per vliegtuig) kan reizen. Daarnaast heeft eiser deze klachten naar eigen zeggen al veel langer, terwijl niet is gebleken dat hij de klachten in dit verband onder de aandacht van verweerder heeft gebracht. Als gevolg hiervan bestond er voor verweerder dan ook geen aanleiding om een <emphasis role="italic">fit-to-fly-</emphasis>keuring te laten uitvoeren. Dat eiser zijn bezwaren pas vlak voor vertrek en zonder medische onderbouwing kenbaar heeft gemaakt, heeft verweerder kunnen zien als het weigeren van medewerking in de zin van de zware grond 3k. Hierbij moet worden opgemerkt dat ook eerder op 19 april 2023 de overdracht van eiser is geannuleerd, omdat eiser niet wilde meewerken. De zware gronden 3a en 3k tezamen zijn voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. Verweerder heeft op grond hiervan terecht een significant risico op onderduiken aangenomen. Wat eiser voor het overige heeft aangevoerd, behoeft daarom geen bespreking.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Lichter middel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende gemotiveerd</para>
    <parablock>
      <para>waarom in eisers geval geen lichter middel is toegepast. Dit lichter middel is erop gericht</para>
      <para>dat uitvoering wordt gegeven aan de onverwijlde vertrekplicht, zoals deze volgt uit de</para>
      <para>beslissing van 26 januari 2023. Eiser is eerder in de gelegenheid gesteld om zelfstandig naar Spanje te vertrekken. Dit heeft er echter niet toe geleid dat eiser op eigen gelegenheid Nederland heeft verlaten. Verweerder heeft dan ook terecht meegewogen dat een eerder lichter middel niet succesvol is gebleken. Verweerder heeft daarnaast voldoende gemotiveerd dat evenmin is gebleken van omstandigheden die detentie voor eiser onredelijk bezwarend maken. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Speciale inrichting voor bewaring</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>9. Eiser stelt tot slot dat zijn detentie niet rechtmatig is, omdat het detentiecentrum in</para>
    <parablock>
      <para>Rotterdam geen speciale inrichting voor bewaring is. Eiser voert hiertoe aan dat hij</para>
      <para>aanzienlijk in zijn vrijheid wordt beperkt en dat in het detentiecentrum ook strafrechtelijk gedetineerden verblijven. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>10. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling<footnote-ref linkend="_d0579d12-238d-42d8-b76b-127a2ca43893" /> volgt dat het detentiecentrum Rotterdam</para>
    <parablock>
      <para>als een speciale inrichting voor bewaring als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de</para>
      <para>Terugkeerrichtlijn kan worden aangemerkt.<footnote-ref linkend="_e86134a7-1391-4de7-9708-c329148d52f1" /> In wat eiser heeft aangevoerd, ziet de</para>
      <para>rechtbank geen aanleiding nu anders te oordelen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Conclusie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>11. Nu ook overigens niet is gebleken dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is, is het beroep ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.</para>
    <para />
    <para>12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep ongegrond; en</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>wijst het verzoek om schadevergoeding af.<?linebreak?></para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op <emphasis role="underline">www.rechtspraak.nl</emphasis>. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_1c0770bc-d2f8-4037-a093-bdb76fb26f8a" label="1">
    <para> Proces-verbaal van staandehouding/ overbrenging en overdracht van 2 mei 2023, p. 2 van 4.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_69d43825-439c-482d-b0aa-23d3f90da50e" label="2">
    <para> Verordening (EU) nr. 604/2013.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_725d781c-f6d3-4c69-92b4-6b0e5dc3e9e0" label="3">
    <para> Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_aff06deb-5873-416e-9533-6c00672493f3" label="4">
    <para> Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d0579d12-238d-42d8-b76b-127a2ca43893" label="5">
    <para> De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e86134a7-1391-4de7-9708-c329148d52f1" label="6">
    <para> Afdelingsuitspraak van 21 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2103.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>